Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
897922 RP VERZ 21-50028
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever niet aansprakelijk voor tbc-besmetting. Deelgeschil. Geen schending zorgplicht ter zake van preventie. Geen algemene of bijzondere waarschuwings- of zorgplicht. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0354
AR-Updates.nl 2021-0584
JAR 2021/129
RAV 2021/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

JL/c

Zaak-/rolnummer: 897922 RP VERZ 21-50028

23 maart 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R. Schoemaker,


tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Parnassia Groep B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

2. de onderlinge waarborgmaatschappij

Centramed B.A.B.,

gevestigd te Zoetermeer

verwerende partijen,

gemachtigde: mr. O.L. Nunes.

Partijen worden aangeduid als [verzoekster] , Parnassia en Centramed. Verweerders worden gezamenlijk aangeduid als Parnassia c.s.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 15 januari 2021;

  • -

    het op 10 februari 2021 ingekomen verweerschrift, met producties;

  • -

    de brief van mr. Schoemaker van 12 februari 2021, met als bijlagen producties 11 tot en met 15.

1.2.

Op 16 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoekster] in persoon bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, alsmede namens Parnassia mevrouw [betrokkene 1] , [functie] , en namens Centramed mevrouw [betrokkene 2] , [functie] , bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Parnassia c.s. heeft betoogd dat [verzoekster] de verkeerde procespartij in rechte heeft betrokken, omdat IpsyBrijderPsyQ B.V. de werkgever van [verzoekster] is en niet Parnassia. Om haar moverende reden zal Parnassia c.s. geen beroep doen op dit formele punt.

1.4.

Uiteindelijk is een datum voor de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is sinds 212 in loondienst bij IpsyBrijderPsyQ B.V. als [functie] . Van 16 september 2012 tot 1 januari 2019 werkte [verzoekster] als [functie] bij verslavingskliniek Brijder, locatie Hoofddorp (hierna: Brijder). Brijder is onderdeel van Parnassia dat zich richt op verslavingszorg.

2.2.

In oktober 2016 is bij [verzoekster] een latente tuberculose-infectie vastgesteld op basis van een positieve mantouxtest (tuberculosehuidtest) en een positieve bloedtest (IGRA). In verband met de latente tuberculose-infectie is [verzoekster] gedurende 2,5 maand preventief behandeld.

2.3.

[verzoekster] heeft Parnassia bij brief van 2 april 2019 aansprakelijk gesteld.

2.4.

[betrokkene 3] heeft namens Parnassia bij e-mail van 29 april 2019 onder meer het volgende bericht aan de gemachtigde van [verzoekster] :

Het is aannemelijk om vast te stellen dat [verzoekster] door toedoen van een patiënt tuberculose heeft opgelopen. Dit heeft plaatsgehad juni 2016 in kliniek Hoofddorp van Brijder.

Er is een patiënt opgenomen die, naar later bleek, tuberculose had opgelopen.

Er is een protocol Tuberculose en dit is gevolgd.

Er is een uitgebreid onderzoek geweest met een Mantoux test voor alle medewerkers van de kliniek. [verzoekster] bleek positief te zijn op deze test en heeft hiervoor adequate behandeling gehad van de GGD. Zover ons bekend is er geen rapport opgesteld.

[verzoekster] is destijds 4/5 dagen afwezig geweest wegens ziekte. Later kreeg zij als gevolg van de behandeling zoveel klachten dat ze wederom ziek is geworden voor langere tijd. Hierbij speelden ook andere (privé) omstandigheden een rol.

[verzoekster] is na deze periode steeds volledig aan het werk geweest.

(…)

Het is een onderdeel van het werk in de verslavingszorg dat men in aanraking kan

komen met cliënten die ziekten hebben. Daar wordt zorgvuldig mee omgegaan maar

het is niet te voorkomen dat het soms voorkomt dat iemand hiervan schade

ondervindt.

45. In aanvulling hierop heeft Parnassia bij e-mail van [betrokkene 1] van 15 augustus 2019 aan de gemachtigde van [verzoekster] onder meer het volgende bericht:

Hierbij deel ik u mede dat de Parnassia Groep het eerder ingenomen standpunt handhaaft.

Tuberculose is een ziekte die nagenoeg niet meer in Nederland voorkomt. Dit is de reden dat het landelijk beleid (RIVM) is dat niet preventief wordt getoetst.

Ook in deze casus was er geen reden af te wijken van dit beleid.

De betreffende patiënt verbleef al jarenlang klinisch binnen onze instelling en hoorde daarmee niet tot een risicogroep waarbij screening van toepassing is.

Aanvankelijk had de patiënt alleen algemene aspecifieke klachten. Er zijn veel rokende en hoestende patiënten. Daarbij komt dat als er vooraf getest wordt, de uitslag pas na een maand bekend is in verband met de incubatietijd.

Op het moment dat de diagnose is gesteld zijn onmiddellijk adequate acties ingezet volgens het protocol tuberculose. (melding GGD, isolatie en beschermende maatregelen)

Het is onbekend hoe lang de patiënt besmettelijk is geweest voor zijn omgeving.

Zoals u zelf ook aangeeft, de werkgeversaansprakelijkheid gaat niet zo ver dat dit een absolute waarborg voor de bescherming van de werknemer geeft.

Het is uiterst vervelend dat uw cliënte besmet is geraakt. Echter, het is niet zo dat de organisatie hier een verwijt van kan worden gemaakt.

2.5.

Bij brief van 4 september 2020 heeft de GGD Kennemerland [verzoekster] onder meer het volgende bericht:

Verklaring

Bij [verzoekster] (…) is in oktober 2016 een latente tuberculose-infectie vastgesteld (…). Ze is hiervoor vervolgens gedurende 2,5 maand preventief behandeld. Met deze behandeling en het verstrijken van de tijd, is de kans om de ziekte tuberculose te ontwikkelen op basis van deze infectie, gereduceerd tot 1-2%.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat Parnassia en Centramed jegens [verzoekster] aansprakelijk zijn voor alle door [verzoekster] geleden en te lijden materiële en immateriële schade, als gevolg van de tuberculose die [verzoekster] opliep bij haar werkzaamheden, en

  2. Parnassia c.s. te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van deze procedure van € 7.695,60 voor het entameren van dit deelgeschil dan wel subsidiair € 3.847,80 althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. Parnassia te veroordelen de nader op te maken kosten verband houdende met het lezen van de verweren en de zitting inclusief de reistijd;

  4. Parnassia te veroordelen in het griffierecht;

  5. Althans een zodanige beslissing als de kantonrechter in goede justitie meent te moeten nemen.

3.2.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek artikel 7:658 BW ten grondslag gelegd stellende dat Parnassia niet aan haar zorgplicht heeft voldaan nu [verzoekster] tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden besmet is geraakt met tuberculose. Parnassia had maatregelen moeten nemen door [verzoekster] tegen tuberculose te vaccineren, alle patiënten bij Brijder preventief had moeten testen, de medewerkers preventief had moeten screenen en/of aan de medewerkers instructies had moeten geven in verband met het risico op besmetting met tuberculose. Centramed is op grond van artikel 7:954 BW opgeroepen.

3.3.

Parnassia c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij voert aan dat [verzoekster] niet heeft bewezen dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden bij Parnassia een tuberculosebesmetting heeft opgelopen, en dat Parnassia als werkgever niet in haar zorgplicht tekort is geschoten, waardoor van werkgeversaansprakelijkheid geen sprake is.

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat een werkgever moet zorgdragen voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Welke (veiligheids)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.2.

In verband met de beoordeling van het verzoek is de volgende door partijen aangedragen informatie over tuberculose van belang.

Relevante documentatie over tuberculose

4.3.

Op de website van het RIVM (3 februari 2021) is de volgende informatie over tuberculose te vinden:

Tuberculose, ook wel tbc, wordt veroorzaakt door een bacterie.

Door hoesten komt de bacterie in de lucht en kan zo in andermans longen terecht komen.

Je afweersysteem bestrijdt de bacterie en zorgt ervoor dat je meestal niet ziek wordt.

Je draagt de bacterie nog wel bij je, maar merkt daar niets van en je kan de bacterie niet overdragen.

Dit noem je een laten te tuberculoseinfectie.

1 op de 10 mensen die besmet raakt, krijgt wél de ziekte tuberculose.

Dit kan na enkele maanden, maar ook na jaren.

Tuberculose komt het meest voor in de longen.

Soms is dat besmettelijk en spreek je van open tuberculose.

Ook in andere organen zoals nieren, botten, lymfeklieren kan tbc voorkomen.

Deze vormen zijn niet besmettelijk.

Wanneer je ziek wordt krijg je last van hoesten, nachtzweten, gewichtsverlies en

koorts.

Tuberculose wordt behandeld met een combinatie van 3 a 4 medicijnen voor een

periode van minimaal 6 maanden.

In Nederland hebben elk jaar ongeveer 800 mensen tuberculose.

4.4.

In het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 van het RIVM staat

vermeldt:

Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020 geeft aan welke maatregelen de komende vijf jaar nodig zijn om de tuberculosebestrijding in Nederland verder te verbeteren. Het doel is om de overdracht van tuberculose en het aantal patiënten de komende vijf jaar met 25 procent terug te dringen. De belangrijkste nieuwe interventie om dat te bereiken is dat immigranten en asielzoekers die Nederland binnenkomen gescreend zullen worden op een latente tuberculose-infectie, en indien geïnfecteerd zo mogelijk worden behandeld.

4.5.

In een nieuwsbericht van het RIVM ‘Weer lichte stijging aantal tbc

patiënten in 2016’ (12 december 2017) staat het volgende vermeld:

Voor het tweede jaar in rij is het aantal tuberculosepatiënten in Nederland toegenomen, in 2016 met 3%. Er zijn 889 tbc Tuberculose -patiënten gemeld. Dat zijn 27 patiënten meer dan in 2015. De belangrijkste oorzaak is de toegenomen instroom van migranten uit landen waar tuberculose veel voorkomt (Eritrea en Ethiopië), Een deel van de migranten die tuberculose krijgt, woont al meer dan tien jaar in Nederland. Dit komt omdat het soms jaren duurt voordat de ziekte tuberculose ontstaat. Dit staat in het surveillancerapport dat het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu elk jaar uitgeeft over ‘Tuberculose in Nederland’.

Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De meest besmettelijke vorm (open tuberculose) kwam in 2016 bij bijna 20% van alle patiënten voor. Bijna 75% van het totale aantal tbc Tuberculose-patiënten is geboren in gebieden waar tuberculose veel voorkomt, zoals delen van

Afrika en Azië.”

4.6.

Het TBC-risicogroepenbeleid van het KNCV Tuberculosefonds (januari 2016) vermeldt:

Factoren die bijdragen aan een verhoogd risico zijn:

1. Epidemiologische risicofactoren die leiden tot een verhoogde kans op blootstelling aan een infectieuze tbc-patiënt. Bijvoorbeeld: direct contact, verblijf in endemische gebieden, beroepsmatig contact.

2. Sociale risicofactoren en specifieke specifieke sociaal-economische omstandigheden, die gepaard gaan met zorgmijdend gedrag en / of beperkte toegang tot medische zorg. Dit kan leiden tot vergevorderde ziekte en daarmee een hogere kans op transmissie binnen de polulatiegroep en de betrokken contactgroep. Bijvoorbeeld: dak- of thuisloo zijn, onverzekerd zijn voor ziektekosten, illegaliteit of verslaving aan alcohol of drugs.

(…) In de richtlijnen voor de specifieke doelgroepen is beschreven welke interventies in deze groepen het meest geschikt worden bevonden.

(…)

Overzicht van risicogroepen voor tuberculose in Nederland

(…)

Specieke

Sociaal

Economische

omstandigheden

Gedetineerden

Alcohol- en drugsverlaafden, dak- en thuislozen

Illegalen en onverzekerden

(…)

Overzicht interventiebeleid bij risicogroepen

(…)

Risicogroep

Sub-/contactgroep

Interventie of screeningmethode

Relevante Richtlijnen (RPT)

Drugver-slaafden en/of dak- en thuislozen

(Regionaal optioneel beleid) Periodieke screening op tuberculose

Beleid screening van drugsverslaafden, dak- en thuislozen, illegalen en passanten

Medewerkers hulpverlening verslaafden / dak- en thuislozen in instelling met gemiddeld >2 infectieuze indexpatiënten per jaar waarvoor contactonderzoek vereist is

Periodieke screening op tbc-infectie

Tuberculosescreeningsbeleid contactgroepen (anders dan ziekenhuismedewerkers)

Medewerkers hulpverlening verslaafden / dak- en thuislozen in instelling met gemiddeld 2 of minder infectieuze indexpatiënten waarvoor contactonderzoek vereist is

Indien contactonderzoek: screening op infectie

4.7.

In het artikel ‘Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020’ (gepubliceerd in het Tijdschrift Tegen de Tuberculose 2016; 112(1): p 3–5) is ten aanzien van screening nog het volgende is vermeld:

Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020 geeft aan hoe de komende vijf jaar gewerkt zal worden om de tbc-transmissie in Nederland en het aantal tbc-patiënten met 25 procent terug te dringen. De belangrijkste nieuwe interventie om dit te bereiken is het geleidelijk invoeren van screening van nieuwe immigranten en asielzoekers op laten te tbc-infectie en preventieve behandeling van personen die een infectie hebben.

(…)

4.8.

In de Richtlijn Tuberculose van het RIVM is (in juni 2019 vastgesteld door het LOI (Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding) voorts de volgende informatie opgenomen:

Incubatieperiode

8 weken tot levenslang.

Na een infectie wordt ongeveer 10% van de mensen ziek: 60% in de eerste 2 jaar en 40% na een langere periode (soms tientallen jaren). In het geval van een anti-TNF alfa-therapie of gelijktijdige hiv-infectie is de kans op overgang van infectie naar ziekte beduidend hoger (bij hiv ± 5-8% per jaar in plaats van 10% gedurende het leven). Daardoor is de gemiddelde incubatietijd bij hiv-geïnfecteerden veel korter.

(…)

Ziekteverschijnselen

Primaire infectie verloopt symptoomloos. Ook een primotuberculose kan lange tijd zonder symptomen bestaan. Eventuele symptomen zijn algemene verschijnselen (koorts, moeheid, vermagering, subfebriele temperatuur en nachtzweten) en/of symptomen veroorzaakt door de lokalisatie van het ziekteproces in de long of in andere organen, zoals in de longvliezen: hoesten, hemoptoë [ophoesten van bloed; de kantonrechter], pijn en kortademigheid.

Ook bij postprimaire vormen van tuberculose zijn er algemene verschijnselen die weinig typisch zijn, tenzij een duidelijke lokalisatie op de voorgrond staat. Bij longtuberculose bestaat meestal een aanhoudende productieve hoest en eventueel hemoptoë. Spondylitis tuberculosa kan zich behalve door rugpijn ook manifesteren door een verzakkingsabces. Lymfadenitis tuberculosa manifesteert zich meestal door pijnloze klierzwelling, bijvoorbeeld in de hals. Niertuberculose kan hematurie [bloed in de urine; de kantonrechter] of steriele pyurie [pus in de urine; de kantonrechter] als enige symptoom hebben.

Risicogroepen

Verhoogde kans op infectie

Als definitie van een risicogroep wordt een incidentie van de ziekte tuberculose van > 50 per 100.000 in een welomschreven groep gehanteerd. Er wordt getracht voor risicogroepen een actieve opsporing met behulp van röntgenscreening van de thorax uit te voeren. Risicogroepen in Nederland zijn tegenwoordig:

• (reguliere) immigranten uit landen met een tbc-incidentie van > 100 per 100.000;

• asielzoekers uit landen met een tbc-incidentie van > 50 per 100.000;

• gedetineerden uit landen met een tbc-incidentie van > 10 per 100.000 of met bepaalde risicofactoren;

• nauwe contacten van besmettelijke bronpatiënten. Deze contacten worden tevens, of alleen, op tbc-infectie onderzocht;

• immigranten zonder verblijfsvergunning (‘illegalen’) hebben vanwege hun herkomst en leefomstandigheden een verhoogd risico op tuberculose, maar zijn niet goed programmatisch te onderzoeken als een welomschreven groep.

Afhankelijk van de epidemiologie kunnen drugsverslaafden en dak- en thuislozen een (lokale) risicogroep zijn en voor screening in aanmerking komen;

• Personen met een gestoorde of verminderde cellulaire immuniteit, zoals hiv geïnfecteerden en patiënten die behandeld worden met immuunsuppressiva (bijvoorbeeld anti-rejectietherapie na weefseltransplantatie en TNF-alfa remmers bij reumatoïde artritis) hebben een 10-100 keer grotere kans op ziekte indien geïnfecteerd.

(…)

Voorkomen in Nederland

Door de toegenomen immigratie in de laatste twee decennia kwam de dalende trend van tuberculose in Nederland rond 1987 tot staan. Sindsdien is er een geleidelijke stijging tot 1994 (1811 patiënten) geweest, waarna de trend weer dalend werd tot 806 patiënten in 2018 (= 4,7/100.000). Bijna drie kwart van het aantal tbc-patiënten in 2018 is in het buitenland geboren. Onder hen is de gemiddelde leeftijd aanzienlijk lager dan onder de autochtone patiënten. (…)

In de grote steden is de tuberculose-indicatie hoger en vormen vooral daklozen, (hard)druggebruikers en (illegale) buitenlanders risicogroepen voor tuberculose.

(…)

B. Indicatie

In Nederland wordt niet iedereen met BCG gevaccineerd, maar alleen risicogroepen.

Deze groepen zijn:

• Kinderen jonger dan 12 jaar van wie ten minste één van de ouders afkomstig is uit een land met een hoge tuberculose incidentie (meer dan 50 per 100.000 inwoners). Dit in verband met te verwachten regelmatig bezoek aan het land van herkomst van de ouder(s) en een mogelijk verhoogde transmissiekans binnen de eigen etnische groep.

Voor dergelijke kinderen geldt dat zij tussen de zesde en twaalfde levensmaand een uitnodiging krijgen van de afdeling tuberculosebestrijding van de GGD voor de BCG-vaccinatie.

• Kinderen jonger dan 12 jaar afkomstig uit landen met een hoge tuberculose incidentie (meer dan 50 per 100.000 inwoners), die met hun ouders als immigrant of asielzoeker naar Nederland komen. Zij worden tijdens de tuberculosescreening op de GGD of in het asielzoekerscentrum ook onderzocht op aanwijzingen van BCG-vaccinatie in het verleden (vaccinatiebewijs, BCG litteken). Indien deze niet aanwezig zijn, vindt vaccinatie plaats na uitsluiting van een tuberculose-infectie met behulp van een tuberculinehuidtest en hiv-infectie met behulp van een hiv-antistoftest.

• Reizigers naar landen met een hoge tuberculose-incidentie (meer dan 50 per 100.000 inwoners). Het advies is afhankelijk van de te bezoeken land(en), de reisduur, de leeftijd van de reiziger en het risico dat de reiziger loopt (LCR richtlijn Reizigersadvies).” (zie bijlage 4, pag. 10)

(…)

E. Vaccinatieprogramma’s

De WHO adviseert BCG-vaccinatie van alle pasgeborenen in landen met een hoge tuberculose-incidentie in het kader van het Expanded Program on Immunization en beperking van BCG-vaccinatie tot bepaalde risicogroepen in landen met een lage tuberculose incidentie.

De Gezondheidsraad bracht in 2011 advies uit over vaccinatie van kinderen in Nederland tegen tuberculose en concludeert dat het huidige beleid van BCG-vaccinatie voldoet aan alle zeven criteria voor opname van vaccinaties in een publiek programma, dat het gaat om een effectieve, en mogelijk zelfs kostenbesparende interventie, en adviseert het huidige beleid voor te zetten. De raad is daarnaast van mening dat uit administratief oogpunt de BCG-vaccinatie onder het rijksvaccinatieprogramma (RVP) zou moeten vallen om de doelgroep zo volledig mogelijk te bereiken en de vaccinatiegraad goed in kaart te brengen. Dat laatste is tot op heden nog niet gerealiseerd.

(…)

Maatregelen

Meldingsplicht

Tuberculose is een meldingsplichtige ziekte groep B1. Laboratorium en behandelend arts melden binnen 1 werkdag aan de GGD. De GGD meldt (via Osiris-NTR) binnen 1 week anoniem aan het CIb en levert daarbij via dezelfde weg tevens meer gedetailleerde gegevens over diagnose en behandeling aan voor het Nederlands Tuberculose Register (NTR).

Meldingscriteria:

• een persoon bij wie in patiëntmateriaal M. tuberculosis complex wordt aangetoond of

• een persoon bij wie de arts op grond van de symptomen en de klinische en radiologische verschijnselen de diagnose tuberculose stelt, én besluit een volledige curatieve behandeling met antituberculosemiddelen in te stellen.

Een aantal gegevens uit het NTR wordt jaarlijks doorgegeven aan het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) en World Health Organization (WHO) voor de Europese respectievelijk

4.9.

Een folder over latente tuberculose infectie (versie 9-2019) vermeldt:

Ongeveer 10% van de mensen met een “tuberculose-infectie” krijgt later toch de ziekte tuberculose. De helft krijgt de ziekte in de eerste twee jaar na infectie.

4.10.

In het interne Protocol Tuberculose van Parnassia staat het volgende vermeld:

Een verhoogde incidentie van tuberculose komt voor bij de volgende risicogroepen:

• Asielzoekers

• Overige immigranten uit landen met een hoge tuberculoseprevalentie

• Gedetineerden

• Gezinsleden, verzorgers, partners en andere contacten van besmettelijke patiënten

• Oud-patiënten (niet of inadequaat behandeld)

• Drugsverslaafden

• Illegalen

• Zeevarenden

• Dak- en thuislozen

(…)

D. Periodieke screening van medewerkers

Medio 2006 is in overleg met de GG&GD bepaald dat open tuberculose binnen de patiëntenpopulatie van Parnassia dusdanig laag frequent voorkomt, dat routinematig screenen van medewerkers niet noodzakelijk is.

Beoordeling werkgeversaansprakelijkheid

4.11.

Parnassia c.s. betwist allereerst dat [verzoekster] heeft bewezen dat zij tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden bij Brijder een tuberculosebesmetting heeft opgelopen. Hoewel de kantonrechter het op basis van de beschikbare informatie voldoende waarschijnlijk acht dat [verzoekster] de tuberculosebesmetting tijdens haar werk heeft opgelopen, kan een oordeel hierover achterwege blijven, nu de kantonrechter van oordeel is dat Brijder haar zorgplicht als werkgever niet heeft geschonden. De kantonrechter zal dat hierna toelichten.

4.12.

[verzoekster] heeft gesteld dat Brijder haar zorgplicht als werkgever heeft geschonden. Die schending bestaat volgens [verzoekster] uit het volgende:

1. Brijder had haar werknemers, onder wie [verzoekster] , een BCG-vaccinatie moeten aanbieden;

2. Brijder had alle patiënten bij Brijder eerst moeten testen op tuberculose;

3. Brijder had haar werknemers, onder wie [verzoekster] , periodiek moeten screenen;

4. Brijder had aan haar werknemers, onder wie [verzoekster] , instructies moeten geven over de manier waarop tuberculose gedetecteerd kan worden en de manier waarop de werknemers hadden moeten handelen.

4.13.

Parnassia c.s. heeft gemotiveerd bestreden dat op Brijder in het kader van de zorgplicht dergelijke verplichtingen rustten.

4.14.

De kantonrechter stelt met Parnassia c.s. vast dat [verzoekster] geen wettelijke voorschriften richtlijnen en/of standaarden heeft genoemd waaruit volgt dat op Brijder als werkgever in 2016 een algemene of bijzondere waarschuwings- of zorgplicht rustte voor een mogelijke besmetting van haar medewerkers met tuberculose. De kantonrechter zal hierna de verschillende door [verzoekster] genoemde verplichtingen bespreken.

Ad. 1. BCG-vaccinatie

4.15.

Met betrekking tot de BCG-vaccinatie is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een zorgplichtschending door Brijder, nu uit de Richtlijn Tuberculose van het RIVM (zie 4.8 hiervoor) blijkt dat uitsluitend wordt geadviseerd kinderen uit bepaalde risicogroepen te vaccineren. De werknemers van Brijder (en overigens ook de patiënten van Brijder) behoren dan ook niet tot de risicogroepen die gevaccineerd dienen te worden.

Ad. 2. Preventief testen van patiënten

4.16.

[verzoekster] stelt dat Brijder alle patiënten (blijkbaar ongeacht of ze tot een risicogroep behoren) op tuberculose moeten worden getest voordat zij een verslavingsbehandeling ondergaan.

4.17.

De kantonrechter is van oordeel dat uit niets blijkt dat preventieve screening van alle patiënten van Brijder is voorgeschreven. Uit de in het geding gebrachte documentatie blijkt in het geheel niet van een dergelijk preventief testen. Het algemene preventiebeleid is juist gericht op het doen van bron- en contactonderzoek na een besmetting en vaccinatie bij specifieke risicogroepen. Het preventief testen van alle patiënten van een instelling wordt nergens als maatregel genoemd.

4.18.

[verzoekster] wekt met een verwijzing naar de richtlijn ‘Tuberculose bron- en contactonderzoek’ (versie februari 2015) overigens ten onrechte de indruk dat in die richtlijn periodieke screening van risicogroepen, zoals drugsverslaafden en dak- en thuislozen wordt geadviseerd. [verzoekster] heeft echter nagelaten de daarbij behorende context te schetsen. De betreffende passage ziet namelijk op de situatie dat zich nieuwe besmettingen blijven voordoen na regulier contactonderzoek naar aanleiding van een eerder geconstateerde besmetting en het conventionele contactonderzoek ontoereikend is:

Wanneer vervolggevallen zich blijven voordoen kan dit betekenen dat het conventionele contactonderzoek ontoereikend is geweest en dat andere maatregelen overwogen moeten worden, bijvoorbeeld een periodieke screening van de subgroep met een verhoogd risico zoals drugsverslaafden en dak- en thuislozen.

4.19.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Brijder haar zorgplicht niet heeft geschonden door haar patiënten niet preventief te testen op tuberculose.

Ad. 3. Periodieke screening werknemers

4.20.

Met betrekking tot het verwijt van [verzoekster] dat Brijder periodiek haar werknemers had moeten screenen op tuberculose, oordeelt de kantonrechter als volgt.

4.21.

Uit het ‘Overzicht interventiebeleid bij risicogroepen’ van het TBC-risicogroepenbeleid van het KNCV Tuberculosefonds (zie 4.6 hiervoor) blijkt dat periodiek onderzoek alleen wordt aanbevolen indien de medewerkers het risico lopen met meer dan twee besmettelijke

tuberculosepatiënten per jaar in contact te komen. Bij twee of minder besmettelijke tuberculosepatiënten per jaar kan worden volstaan met screening op infectie tijdens contactonderzoek na een geconstateerde besmetting, zoals in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden.

4.22.

[verzoekster] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de werknemers bij Brijder met meer dan twee besmettelijke tuberculosepatiënten per jaar in contact komen. Overigens blijkt uit de Richtlijn Tuberculosescreeningsbeleid (te vinden op www.kncvtbc.org) dat een instelling minstens een groep van 3.000 dak- en thuislozen per jaar moet bedienen wil periodiek onderzoek van de medewerkers met intensief cliëntencontact geïndiceerd zijn. Uit niets blijkt dat dergelijke grote aantallen bij Brijder worden behandeld.

4.23.

Het interne Protocol Tuberculose van Parnassia (zie 4.10 hiervoor) is hiermee in lijn. Daaruit blijkt afdoende dat een preventieve screening van werknemers van Brijder niet noodzakelijk is. Ook het niet uitvoeren van een periodieke screening door Brijder levert geen zorgplichtschending op.

4.24.

[verzoekster] heeft in dit verband nog betoogd dat het overleg met de GG&GD (inmiddels de GGD) in 2006 plaatsvond, inmiddels 14 jaar geleden, zodat het de vraag is wat de huidige frequentie is waarmee tuberculose binnen Parnassia voorkomt. De kantonrechter stelt vast dat, zoals blijkt uit de grafiek uit het artikel ‘Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020’ (zie 4.7 hiervoor) blijkt dat het aantal tuberculosegevallen in 2006 (1.000), terwijl in de Richtlijn Tuberculose van het RIVM (zie 4.8 hiervoor) staat vermeld dat het aantal gevallen in 2018 is gedaald tot 806. In 2016 was het aantal tuberculosegevallen dan ook lager dan in 2006, zodat zonder nadere toelichting – die [verzoekster] niet heeft gegeven – niet valt in te zien dat in 2016 wel preventieve screening van werknemers van Brijder aan de orde zou zijn.

Ad. 4. Instructies aan werknemers

4.25.

Tot slot heeft [verzoekster] betoogd dat Brijder haar werknemers instructie had moeten geven over de manier waarop tuberculose te detecteren was en op de manier waarop de werknemers, onder wie [verzoekster] , hadden moeten handelen.

4.26.

Ook wat dit betreft is gesteld noch gebleken dat ergens wordt voorgeschreven aan werkgevers om hun werknemers de door [verzoekster] bedoelde instructies (welke dan precies?) te geven. Het merendeel van de zichtbare symptomen van de ziekte tuberculose, zoals die worden beschreven in de Tuberculose Richtlijn (zie 4.8 hiervoor), zijn symptomen die ook bij onschuldige en veel voorkomende aandoeningen voorkomen, zodat detectie van tuberculose niet eenvoudig is. Er valt dan ook niet in te zien dat aan werknemers werkbare instructies kunnen worden gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter mag Brijder in het kader van haar zorgplicht als werkgever volstaan met het naleven van het landelijke tuberculosebeleid, hetgeen zij naar het oordeel van de kantonrechte heeft gedaan.

Nakoming zorgplicht na ontdekking van tuberculosepatiënt bij Brijder

4.27.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat uit de stukken afdoende naar voren komt dat Brijder, nadat bij de betrokken patiënt tuberculose was geconstateerd, adequaat en volgens het protocol in overleg met de GGD heeft gehandeld. Brijder is dus ook na de ontdekking van de tuberculosebesmetting van een patiënt jegens [verzoekster] haar zorgplicht als werkgever nagekomen door al datgene te doen dat conform de geldende regels van haar in redelijkheid verlangd kon worden.

4.28.

Nu Brijder gezien het voorgaande jegens [verzoekster] niet tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht, is Brijder niet (en Parnassia dus evenmin) aansprakelijkvoor de tuberculosebesmetting van [verzoekster] . Centramed is als aansprakelijkheidsverzekeraar van Brijder evenmin tot enige uitkering gehouden. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] voor recht te verklaren dat Parnassia c.s. jegens haar aansprakelijk is, zal worden afgewezen. Aangezien de overige verzoeken zijn gebaseerd op de vaststelling van de aansprakelijkheid van werkgever Brijder jegens [verzoekster] , treffen deze hetzelfde lot en behoeven daarom geen nadere behandeling meer.

Kosten deelgeschil

4.29.

Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

4.30.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft verzocht de kosten voor het entameren van de deelgeschilprocedure te begroten op € 3.847,80 waarbij is uitgegaan van 12 uur tegen een uurtarief van € 265,00 nog te vermeerderen met 21% btw. In verband met een tussen [verzoekster] en haar gemachtigde gemaakte ‘no cure no pay’ afspraak (bij financieel resultaat verhoging het honorarium met 100%) wordt primair begroting verzocht van het dubbele bedrag, te weten € 7.695,60. Deze bedragen dient nog vermeerderd te worden met de aanvullende buitengerechtelijke kosten in verband met het lezen van het verweerschrift, alsmede reis- en zittingstijd bij de rechtbank en het daarbij komende griffierecht.

4.31.

Parnassia c.s. heeft hiertegen als verweer gevoerd dat de verzochte begroting en veroordeling dienen te worden afgewezen nu de deelgeschilprocedure prematuur en nodeloos aanhangig is gemaakt. Bovendien is Parnassia c.s. niet gebonden aan de prijsafspraken die de belangenbehartiger van [verzoekster] met zijn cliënte heeft gemaakt en kunnen de kosten hooguit begroot worden.

4.32.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake is aangezien partijen belang hebben bij duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag waardoor de kantonrechter gehouden is de kosten van dit deelgeschil te begroten, ook indien de urenspecificatie daartoe (deels) ontbreekt. Hoewel tegen het aantal uren als zodanig verder geen zelfstandig verweer is gevoerd door Parnassia c.s., zal de kantonrechter het aantal uren, voor een particuliere cliënt in een niet complexe zaak als deze, vaststellen op in totaal 12. De totale kosten komen daarmee op (12 uur x € 265,00 + 21% btw + € 240,00 griffierecht) € 4.087,80.

4.33.

De verzochte vermeerdering van het honorarium op basis van de met de gemachtigde gemaakte ‘no cure no pay’ afspraak komt niet voor begroting (en vergoeding) in aanmerking. Afspraken als de onderhavige leiden tot een vermeerdering van de proceskosten waar geen daadwerkelijke werkzaamheden tegenover staan. Een dergelijke kostenvermeerdering voldoet per definitie niet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 Rv en kan dan ook niet ten laste worden gebracht van de aansprakelijke partij. Een dergelijke kostenvermeerdering komt dan ook nooit op grond van artikel 1019aa Rv voor begroting in aanmerking.

4.34.

Aangezien de aansprakelijkheid van Brijder niet vast staat, is de verzochte veroordeling van [verzoekster] tot voldoening van deze kosten niet toewijsbaar. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat het begrote bedrag uitsluitend verschuldigd is indien de aansprakelijkheid van [verzoekster] alsnog in rechte komt vast te staan.

5 Beslissing

De kantonrechter:

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.087,80 (inclusief btw en griffierecht);

5.2.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2021.