Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
C/09/585393/HA ZA 19-1298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontruiming krakers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/585393 / HA ZA 19-1298

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

MUNTENDAMSCHE INVESTERINGS MAATSCHAPPIJ B.V. te Wassenaar,

eiseres,

advocaat mr. W.J. Bosma te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde 1] te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde 3] te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. E. Tamas te Den Haag,

4. [gedaagde 4] te [woonplaats 4] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseres zal hierna MIM worden genoemd. Gedaagde 3 zal [gedaagde 3] worden genoemd. Gedaagden 1 tot en met 4 zullen gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 december 2019, met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 april 2021.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is met toestemming van partijen buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken aan de rechtbank. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden.

1.4.

Aangezien de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen is tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend. Nu [gedaagde 3] wel in het geding is verschenen, zal op grond van artikel 140 Rv tegen alle gedaagden vonnis worden gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

2 De feiten

2.1.

MIM is eigenaresse van de percelen aan het [adres] te [plaats] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] . Op de percelen staan zogenaamde dagwinkels (hierna: panden), die ook in eigendom zijn van MIM. MIM heeft geen concreet ontwikkelplan voor de panden. Nadat onder andere de panden met de huisnummers [nummers 1] , [nummers 2] , [nummers 3] en [nummers 4] in 2018 door MIM zijn ontruimd, hebben [gedaagden] die panden op 9 november 2018 gekraakt. [gedaagde 3] bewoont zonder toestemming van MIM de ruimte met huisnummer [nummers 3] . In dit pand bevindt zich de blokverwarming voor meerdere panden.

2.2.

Op 20 maart 2019 heeft de Omgevingsdienst West-Holland (hierna: ODWH) geconstateerd dat de panden met huisnummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] deels werden bewoond door krakers. Bewoning van de panden is volgens ODWH in strijd met het op die locatie geldende bestemmingsplan. Op 9 augustus 2019 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk (hierna: de gemeente) aan MIM een last onder dwangsom opgelegd met het doel de overtreding van het bestemmingsplan te beëindigen. MIM heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente.

2.3.

In overleg tussen MIM en de gemeente is afgesproken dat MIM een civiele bodemprocedure zou starten met het doel een titel voor ontruiming te verkrijgen. De bezwaarprocedure is opgeschort gedurende deze civielrechtelijke procedure.

2.4.

Bij deurwaardersexploot van 12 november 2019 heeft MIM [gedaagden] gesommeerd de gekraakte panden op 3 december 2019 te ontruimen. [gedaagden] hebben de panden niet ontruimd.

3 Het geschil

3.1.

MIM vordert – samengevat – de veroordeling van [gedaagden] om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de panden onmiddellijk, althans binnen twee dagen na betekening van het vonnis, te ontruimen. MIM vordert ook een machtiging om de ontruiming zelf te doen uitvoeren met behulp van ‘de sterke arm’ en vordert dat de rechtbank bepaalt dat het te wijzen vonnis tot twaalf maanden na de ontruiming ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich in de panden bevindt.

3.2.

MIM legt hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat het eigendomsrecht het meest omvattende recht is dat MIM op de panden kan hebben. [gedaagden] hebben de panden zonder recht of toestemming in gebruik genomen. Op grond van artikel 5:2 BW verlangt MIM, als eigenaresse van de panden, dat [gedaagden] dat gebruik staken en de panden ontruimen.

3.3.

[gedaagde 3] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor zover de gevorderde ontruiming betrekking heeft op de niet verschenen gedaagden zal de rechtbank deze toewijzen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de vordering niet ongegrond of onrechtmatig is.

4.2.

MIM wil dat [gedaagde 3] de panden verlaat die MIM in eigendom heeft. [gedaagde 3] heeft betwist dat een enkel beroep op het eigendomsrecht voldoende is om tot ontruiming over te gaan. [gedaagde 3] heeft daartoe aangevoerd dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verplicht tot een ruime belangenafweging tussen het belang van ontruiming tegenover het belang van bewoning. [gedaagde 3] heeft in het kader van die belangenafweging aangevoerd dat MIM geen concrete plannen heeft met het pand (en dat [gedaagde 3] vrijwillig zal vertrekken zodra er wel concrete plannen zijn), dat de last onder dwangsom niet ziet op het huisnummer dat [gedaagde 3] bewoont, dat [gedaagde 3] bereid is MIM toegang tot het pand en de blokverwarming te verschaffen, dat zij het pand zorgvuldig bewoont, dat zij door haar bewoning onwenselijke leegstand en verwaarlozing tegengaat en dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om elders woonruimte te vinden.

4.3.

Het gaat in deze zaak niet om een strafrechtelijke ontruiming door het openbaar gezag, maar om een civielrechtelijke ontruiming op grond van artikel 5:2 BW. Een volledige belangenafweging is daarom niet aan de orde. De proportionaliteitstoets die in het kader van artikel 8 EVRM moet worden gemaakt, wordt in dit geval ingevuld door de beperkingen die artikel 3:13 BW stelt aan de uitoefening van een bevoegdheid.

4.4.

Het uitgangspunt is dat het MIM als eigenaar van de panden op grond van artikel 5:1 lid 2 BW vrij staat daarvan gebruik te maken in welke vorm dan ook, met uitsluiting van een ieder, zolang dit gebruik niet in strijd is met de rechten van anderen en met beperkingen op grond van wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht.

4.5.

Het staat vast dat [gedaagde 3] de panden zonder toestemming van MIM in gebruik heeft genomen. Daarmee maakt [gedaagde 3] inbreuk op het eigendomsrecht van MIM en kan MIM op grond van artikel 5:2 BW in beginsel verlangen dat aan die situatie een einde wordt gemaakt. MIM kan, zoals overwogen onder 4.3., op grond van artikel 3:13 BW in de uitoefening van haar eigendomsrecht worden beperkt, wanneer sprake is van misbruik van bevoegdheid bij de uitoefening van haar eigendomsrecht. Daarvan kan sprake zijn als er een zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang van MIM en het belang van [gedaagde 3] dat MIM in redelijkheid haar bevoegdheid niet kan uitoefenen.

4.6.

De rechtbank is op grond van wat partijen daarover naar voren hebben gebracht van oordeel dat van een zodanige onevenredigheid geen sprake is. Als [gedaagde 3] , zoals zij aanvoert, geen woonruimte kan vinden is dat spijtig, maar daarmee is nog niet gezegd dat zij zonder toestemming in het pand van MIM kan wonen. MIM is niet verantwoordelijk voor de huisvesting van [gedaagde 3] . Dat MIM op dit moment geen concrete plannen heeft met het pand en dat [gedaagde 3] zegt het pand zorgvuldig te zullen bewonen en toegang aan MIM te zullen verschaffen maakt dat niet anders. Dat [gedaagde 3] het pand van MIM zonder haar toestemming bewoont is onrechtmatig en beperkt MIM in de vrijheid over haar eigendom te beschikken. Het is in het belang van MIM dat aan die situatie een einde komt. Bovendien staat vast dat er als gevolg van de onrechtmatige bewoning een last onder dwangsom dreigt voor MIM. MIM heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk voldoende gemotiveerd gesteld dat de gemeente voornemens is ook een last op te leggen voor nummer [huisnummer 3] , wanneer MIM geen einde maakt aan de bewoning van dit pand. Dit maakt de rechtbank op uit de e-mail van de gemeente van 29 oktober 2019 waarin staat: ”De civiele procedure zal worden gevoerd ten behoeve van ontruiming/beëindiging van bewoning door krakers in alle leegstaande ruimten in het pand aan het [adres] (dus niet alleen voor nr. [huisnummer 1] en nr. [huisnummer 2] );”.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het belang van [gedaagde 3] niet van voldoende gewicht is tegenover de belangen van MIM om op korte termijn de vrije beschikking te krijgen over haar panden. De gevorderde ontruiming kan de toets van artikel 3:13 MW doorstaan en zal worden toegewezen. Zoals ter zitting is besproken zal de rechtbank de termijn voor ontruiming – anders dan door MIM gevorderd – op drie dagen bepalen.

4.8.

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) overbodig is. Als gevolg van deze artikelen bestaat er ook onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom. Mocht het namelijk nodig zijn, dan kan het vonnis ten uitvoer worden gelegd met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

4.9.

MIM heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat het vonnis tot 12 maanden na de dag waartegen de ontruiming is geëffectueerd ten uitvoer kan worden gelegd. De rechtbank zal conform artikel 557a lid 3 Rv bepalen dat het vonnis gedurende twaalf maanden na heden ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de panden bevindt of daar binnentreedt telkens wanneer zich dit voordoet.

Proceskosten

4.10.

[gedaagde 3] c.s. zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MIM worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.864,01

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de panden aan het [adres] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te [plaats] met al het hunne en de hunnen, alsmede alle andere overige zich daarin tijdens de executie bevindende personen, te ontruimen, te verlaten en verlaten te houden;

5.2.

bepaalt dat het vonnis gedurende twaalf maanden na heden ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de panden aan het [adres] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te [plaats] bevindt of daar binnentreedt telkens wanneer zich dit voordoet;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in de proceskosten, aan de zijde van Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. tot op heden begroot op € 1.864,01;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.