Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4490

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6877
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep, klacht ogv artikel 77 AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.P. Witteman en mr. O. Nijveld).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: T-Mobile Netherlands B.V., te Den Haag

(gemachtigde: D. Rinsema en N. Witte).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers klacht in de zin van artikel 77 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) afgewezen.

Bij besluit van 17 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder het verzoek tot toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit en het besluit van 26 september 2019 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Tijdens het onderzoek ter zitting op 4 september 2020 wat plaatsvond via een videoverbinding heeft eiser de rechtbank gewraakt. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 25 januari 2021 door middel van een videoverbinding.

Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft de derde partij verzocht om inzage in zijn volledige dossier en de naam van de functionaris voor gegevensbescherming van de derde partij.

Op 25 juli 2018 heeft eiser een klacht op grond van artikel 77 van de AVG bij verweerder ingediend omdat de derde partij volgens hem in gebreke is bij beantwoording van het door hem ingediende verzoek om informatie.

Verweerder heeft in het primaire besluit laten weten hoe zij de klacht van eiser opgepakt heeft (contact opgenomen met de derde partij) en dat zij daarmee het dossier sluit.

Eiser kan zich in het primaire besluit niet vinden en dient bezwaar in omdat hij vindt dat zijn klacht nog niet is afgedaan omdat hij nog steeds niet beschikt over de door hem gevraagde persoonsgegevens.

De derde partij heeft desgevraagd in een zienswijze van 3 september 2019 een reactie gegeven op het bezwaar van eiser. Eiser heeft bij mail van 9 september 2019 zijn reactie op de zienswijze gegeven.

Bij brief van 30 augustus 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld aangezien nog geen beslissing op zijn bezwaar genomen was. Bij brief van 5 september 2019 heeft verweerder de beslistermijn verlengd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder het verzoek tot toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen.

Eiser heeft gelijktijdig tegen het bestreden besluit en het dwangsombesluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft ingevolge artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep tegen het dwangsombesluit gevoegd in het beroep tegen het bestreden besluit. Er is geen apart procedurenummer aangemaakt.

2 Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit omdat de derde partij nooit contact met hem opgenomen heeft naar aanleiding van de klacht. Het klopt niet dat de derde partij gegevens aan eiser verstrekt heeft. Verweerder heeft ook niet adequaat gereageerd op eisers klacht over het ontbreken van een functionaris gegevensbescherming bij de derde partij; ingevolge artikel 13 van de AVG is de derde partij daartoe verplicht..

Wellicht beschikt de derde partij over meer gegevens op grond van de voorheen geldende Telecommunicatiewet. Daarnaast meent eiser dat hij een beroep kan doen op artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens en artikel 12 van Richtlijn 95/46.

Tot slot heeft verweerder vijf dagen te laat beslist op eisers bezwaar zodat een dwangsom verschuldigd is.

3 De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage is onderdeel van de uitspraak.

4. Allereerst merkt de rechtbank op dat zij bij aanvang van de zitting van 25 januari 2021 niet op de hoogte was van het e-mailbericht van eiser van 21 januari 2021 waarin hij zich op het standpunt stelt dat de zitting geen doorgang kan vinden zolang hij geen volledige inzage in het dossier heeft gekregen. Pas doordat de griffier bij aanvang van de zitting eiser belde om te vragen naar eisers aanwezigheid raakte de rechtbank op de hoogte van dit standpunt van eiser. De rechtbank is dan ook pas op dat moment op de hoogte geraakt van eisers mail van 21 januari 2021, welke hij heeft verzonden in reactie op de hem toegezonden link voor de videoverbinding van de zitting. In het e-mailbericht van 15 januari 2021 waarin hem de link voor de zitting is toegezonden is het volgende opgenomen: U wordt verzocht niet op dit e-mailbericht te reageren. Bij vragen kunt u telefonisch contact opnemen met de griffie van de rechtbank.

Gelet op deze passage in het e-mailbericht van 15 januari 2021 en de omstandigheid dat eiser pas op 21 januari 2021 heeft gereageerd, heeft de rechtbank besloten het beroep wel te behandelen op de zitting van 25 januari 2021, ondanks afwezigheid van eiser. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat een eerder geplande zitting op 27 oktober 2020 ook al op verzoek van eiser is verdaagd omdat hij een klacht had lopen over inzage van het dossier. Overigens merkt de rechtbank op dat deze klacht ongegrond verklaard is.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat eisers beroep in hoofdzaak ziet op de afwijzing van eisers klacht over de derde partij. Daarbij stelt eiser dat de derde partij hem geen afschrift van de over hem aanwezige persoonsgegevens heeft verstrekt en dat de derde partij nagelaten heeft hem de naam van de functionaris gegevensbescherming te verstrekken.

Verweerder heeft besloten dat de derde partij met de verstrekkingen van 20 en 26 juli 2018 en de informatie zichtbaar in het My T-Mobile portaal en het Privacy statement heeft voldaan aan eisers inzageverzoek. In het bestreden besluit is verweerder uitvoerig ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Nu eiser niet gemotiveerd is ingegaan op deze door verweerder gegeven uitleg, heeft eiser zijn beroepsgronden onvoldoende geconcretiseerd.

Van eiser mag worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij het niet eens is met de weerlegging door verweerder in dat besluit van wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd. Daarbij is van belang dat eiser ook niet ter zitting is verschenen om de gronden van beroep nader toe te lichten.

Datzelfde gaat op voor hetgeen eiser aanvoert over de functionaris gegevensbescherming en de Telecommunicatiewet.

Met betrekking tot eisers gronden over artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens en artikel 12 van Richtlijn 95/46 is het de rechtbank niet duidelijk waarop het beroep van eiser zich richt.

6 Het beroep is ongegrond

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar

Eiser heeft in één beroepschrift gelijktijdig beroep tegen het bestreden besluit van 17 september 2019 en tegen het dwangsombesluit van 26 september 2019 ingesteld. Dit beroepschrift is geregistreerd onder procedurenummer 19/6877. In het beroepschrift heeft eiser tegen beide besluiten inhoudelijk gronden aangevoerd. Eiser heeft op de zitting van 4 september 2020 gezegd dat hij zich niet op het beroep ten aanzien van het dwangsombesluit heeft kunnen voorbereiden. De rechtbank overweegt dat eiser door de wijze van registratie van zijn beroepschrift heeft kunnen en moeten begrijpen dat ook het dwangsombesluit behandeld kon worden. De behandeling van dit beroep heeft niet met eiser besproken kunnen worden omdat hij niet ter zitting van 25 januari 2021 is verschenen.

Ten aanzien van de inhoud van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar oordeelt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft verweerder bij brief van 30 augustus 2019 in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft deze brief ontvangen op 3 september 2019. Gelet op artikel 4:17 van de Awb dient verweerder binnen twee weken te beslissen, in dit geval uiterlijk 17 september 2019. Nu het bestreden besluit op

17 september 2019 is genomen, heeft verweerder de beslistermijn niet overschreden en is hij geen dwangsom verschuldigd.

Het beroep tegen het besluit van 26 september 2019 is gelet op het voorstaande ongegrond. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 5

(1) Persoonsgegevens moeten:

a. (...)

b. (...)

c. toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (“minimale gegevensverwerking");

d. (... )

e. worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (nopslagbeperking");

f. (...)

(2) (...)

Artikel 13

(1) Wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens al de volgende informatie:

a. (... )

b. in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;

c. (...)

Artikel 15

(2) De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a. de verwerkingsdoeleinden;

b. de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zulle worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties

d. indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e. dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem

betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking

bezwaar te maken;

f. dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g. wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h. het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

(3) (...)

Telecommunicatiewet

Artikel 11.5

(1) De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en de aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst verwijderen dan wel anonimiseren de door hen verwerkte en opgeslagen verkeersgegevens met betrekking tot abonnees of gebruikers, zodra deze verkeersgegevens niet langer nodig zijn ten behoeve van de overbrenging van communicatie, onverminderd het tweede, derde en vijfde lid.

{2) De aanbieder mag verkeersgegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor facturering, waaronder het opstellen van een factuur voor een abonnee of voor degene die zich tegenover de aanbieder rechtens verbonden heeft die factuur te voldoen, dan wel ten behoeve van een betaling van verleende toegang. De verkeersgegevens mogen worden verwerkt tot het einde van de wettelijke termijn waarbinnen de factuur in rechte kan worden betwist of de betaling in rechte kan worden afgedwongen.