Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4489

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
C/09/606108 / JE RK 21-60
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling;

afwijzing vaststellen zorgregeling;

ambtshalve benoeming bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/606108 / JE RK 21-60

Datum uitspraak: 16 april 2021

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

Afwijzing vaststellen zorgregeling

Ambtshalve benoemen bijzondere curator

in de zaak naar aanleiding van het op 9 april 2021 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3]geboren op [geboortedag 3] 2010 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ;

hierna tezamen te noemen: de minderjarigen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. F.G.T. van Meershoek, gevestigd te Den Haag;

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. E.A. Vermeer-Wartna, gevestigd te Den Haag,

en

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Bij beschikking van 28 januari 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van 28 januari 2021 tot 19 april 2021. Voorts is een machtiging verleend [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder met gezag voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De behandeling is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2021 (FA RK 19-2363 / C/09/570940) is onder meer bepaald dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder en dat een voorlopige zorgregeling zal gelden waarbij de aard, duur en frequentie van het contact tussen de vader en de minderjarigen wordt bepaald door en uitgevoerd volgens de aanwijzingen van de jeugdbeschermers van de gecertificeerde instelling, in het kader van de ondertoezichtstelling. De behandeling van het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie is tot 1 juli 2021 pro forma aangehouden.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- de voornoemde beschikkingen van 28 januari 2021 en van 4 maart 2021;

- de brief van [minderjarige 1] van 8 maart 2021;

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 9 april 2021;

- het verweerschrift, tevens inhoudend zelfstandig verzoek, van de zijde van de vader, ingekomen op 8 april 2021.

Op 13 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door mr. T. Grootenhuis, waarnemend voor mr. F.G.T. van Meershoek;

- de [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

[minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn voorafgaand aan de zitting en apart van elkaar in raadkamer gehoord. [minderjarige 2] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Feiten

- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven momenteel feitelijk bij de moeder.

Verzoeken en verweer

Ondertoezichtstelling

Het verzoek van de Raad strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de periode van één jaar. Het verzoek is als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich ernstig zorgen om de ontwikkeling van de minderjarigen. De minderjarigen zijn in een relatief korte periode aan zeer ingrijpende gebeurtenissen blootgesteld, zoals het plotselinge vertrek van de ex-partner van de vader, het incident van 15 januari 2021 en (de plotselinge wijziging in) het contact tussen de moeder en [minderjarige 3] , de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het verminderde contact met de vader. Gedurende het onderzoek is gebleken dat de minderjarigen al jaren geconfronteerd worden met de spanningen tussen hun ouders. De minderjarigen bevinden zich in een hevig loyaliteitsconflict. Zij durven bij hun moeder niet over hun vader te praten en andersom. Er zijn mede daardoor zorgen over de emotionele veiligheid van de minderjarigen. De vader en de moeder zijn het niet eens over de wijze van opvoeding en er is sprake van onderling wantrouwen in elkaars opvoedcapaciteiten.

Ter zitting heeft de Raad aanvullend verklaard dat de vader en de moeder hun ouderrol in verhouding tot elkaar niet goed kunnen vormgeven. Los van elkaar zijn zij goed in staat om voor de minderjarigen te zorgen. De vader en de moeder houden zich echter vast aan hun eigen (opvoed)visie, waardoor de zorgen in stand blijven. De minderjarigen vertonen alle drie kindsignalen. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met een angststoornis en [minderjarige 2] heeft moeite met het reguleren van haar emoties. Over [minderjarige 3] zijn de zorgen groter. Zij heeft aangegeven dat zij last heeft van flashbacks van gebeurtenissen waar zij veel verdriet van heeft en dat zij hier soms ook liever niet meer wil zijn. In het vrijwillige kader zijn deze zorgen niet afgenomen, maar juist toegenomen. Op dit moment zijn de vader en de moeder naar het oordeel van de Raad onvoldoende in staat de hulp die nodig is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen (voldoende) te accepteren. Het is niet mogelijk gebleken constructief te communiceren en tot afspraken te komen in het belang van de minderjarigen. Hierdoor zijn zij ook niet in staat geweest de overdrachtsmomenten voor de minderjarigen onbelast te laten verlopen. De verwachting is voorts dat de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] binnen een voor hen aanvaardbare termijn weer kunnen dragen. De Raad verzoekt een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden, omdat de problematiek binnen het gezinssysteem ernstig is en al jarenlang bestaat. Het is daarbij tevens van belang zicht te krijgen op de thuissituatie bij de vader, mede gelet op de zorgen die bestaan over het alcoholgebruik van de vader.

De gecertificeerde instelling heeft ter zitting meegedeeld het standpunt van de Raad te onderschrijven. Het is in het belang van de minderjarigen dat de vader en de moeder gaan samenwerken. Het sterke loyaliteitsconflict van de minderjarigen wordt ook herkend door de gecertificeerde instelling.

De vader heeft, mede bij monde van zijn advocaat, verweer gevoerd tegen het verzoek. De gronden voor de ondertoezichtstelling zijn niet, althans onvoldoende aanwezig. De vader kan de zorgen volgen over het loyaliteitsconflict van de minderjarigen en over de verstoorde verstandhouding tussen de vader en de moeder, maar is van mening dat hij en de moeder wel in staat zijn om zakelijk te communiceren over de minderjarigen. Hij wil ook benadrukken dat geen sprake is van alcoholmisbruik en dat zijn thuissituatie veilig is voor de minderjarigen. Voorts heeft de vader hulp in het vrijwillige kader ingeschakeld. De vader volgt een coaching traject bij een psycholoog en voor de minderjarigen zou een GGZ-traject in verband met hun loyaliteitsconflict afdoende moeten zijn. De hulpverlening voor de minderjarigen is reeds ingeschakeld en de vader en moeder staan hier beide achter. Het doel van de ondertoezichtstelling is de vader en de moeder te bewegen tot het komen van afspraken. Een ondertoezichtstelling is hiervoor echter niet het juiste instrument en het beoogde doel is evenmin haalbaar. Mede daarom loopt een procedure bij de familiekamer van de rechtbank. Als er duidelijkheid komt over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling zullen de ouders daarnaar handelen en zullen de zorgen afnemen. Een ondertoezichtstelling en bemoeienis van een jeugdbeschermer zal de verstandhouding tussen de moeder en de vader echter onder druk zetten en als gevolg daarvan verder doen verslechteren. Dit is niet in het belang van zijn minderjarigen.

Door en namens de moeder is niet expliciet verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder maakt zich ernstig zorgen om de minderjarigen en over het loyaliteitsconflict. Bij [minderjarige 3] is sprake geweest van oudervervreemding en het is belangrijk dat zij hulp krijgt bij het verwerken hiervan. De moeder accepteert alle hulp die nodig is om de zorgen weg te nemen.

Vaststellen omgangsregeling

De vader meent dat sprake is van gewijzigde omstandigheden en verzoekt de kinderrechter een zorgregeling te bepalen, in die zin dat sprake is van een week-op-week-af-regeling voor de minderjarigen, dan wel een weekendregeling, dan wel een door de kinderrechter te bepalen regeling. Bij beschikking van 4 maart jl. is bepaald dat de draagkracht van de minderjarigen voor het contact met de vader leidend is in de omvang van dit contact. De minderjarigen hadden destijds behoefte aan rust, maar zij hebben inmiddels duidelijk aangegeven bij de jeugdbeschermer en bij de vader dat zij meer contact willen met hun vader. De jeugdbeschermer heeft echter geen gehoor gegeven aan de wens van de minderjarigen. De minderjarigen zijn op een leeftijd waarop passend belang moet worden gehecht aan hun mening. Het ontbreekt de minderjarigen op dit moment aan perspectief en zeker voor [minderjarige 3] is uitbreiding van het contact wenselijk. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing had zij helemaal geen contact met de moeder en de thans geldende contactregeling is niet in haar belang. Wat betreft de vader ontbreekt het bij de gecertificeerde instelling aan de regie en flexibiliteit om de zorgregeling vorm te geven en stagneert daardoor de uitbreiding van het contact. Een door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling zal rust en duidelijkheid brengen.

De gecertificeerde instelling is van mening dat uitbreiding van het contact nog niet aan de orde is. Voordat kan worden uitgebreid en toegewerkt naar een 50-50-regeling moeten afspraken worden gemaakt en ook daadwerkelijk worden nageleefd.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Een week-op-week-af-regeling staat haaks op de bevindingen van het raadsrapport. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid in de thuissituatie bij de vader, met name als gevolg van het alcoholgebruik van de vader. Ook houdt de vader zich niet aan de gemaakte (veiligheids)afspraken.

Beoordeling

Ondertoezichtstelling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De kinderrechter overweegt als volgt.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarigen zijn met name gelegen in het forse loyaliteitsconflict waarin zij zich bevinden. De minderjarigen groeien op in een opvoedingsomgeving waarin de ouders al langdurig verwikkeld zijn in echtscheidingsproblematiek. De minderjarigen worden als gevolg daarvan al jaren blootgesteld aan de spanningen tussen de vader en de moeder. Daarbij worden zij belast met volwassenproblematiek en zitten zij klem tussen hun ouders. Anders dan namens de vader is betoogd, is het de kinderrechter op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de vader en de moeder niet in staat zijn op constructieve wijze met elkaar te communiceren. Tot op heden is het hen niet gelukt om met elkaar in gesprek te gaan en mede als gevolg daarvan verlopen de overdrachtsmomenten niet goed. Het is van belang dat de minderjarigen fijn en onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Het lukt de vader en de moeder samen niet een situatie te realiseren waarin daarvan sprake is. Dit heeft zijn weerslag op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen. De kinderrechter acht de situatie voor met name [minderjarige 3] zorgelijk. Zij heeft vanwege een verstoorde relatie met haar moeder ruim anderhalf jaar geen tot nauwelijks contact met haar gehad. Naar aanleiding van het incident op 15 januari 2021 is zij met spoed bij de moeder geplaatst. Dit is een grote verandering en zij heeft daar zichtbaar last van. Ook over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn er zorgen. Bij [minderjarige 1] is een gegeneraliseerde angststoornis vastgesteld en [minderjarige 2] heeft moeite met het reguleren en uiten van haar emoties. [minderjarige 1] heeft met de kinderrechter knap gesproken over haar situatie en de manier waarop zij daarmee omgaat, maar dat neemt niet weg dat het naar het oordeel zorgelijk is dat zij zich op deze manier staande moet houden in een zeer ingewikkelde situatie.

Hoewel reeds hulpverlening is opgestart voor de minderjarigen en zowel de vader als de moeder de noodzaak daarvan lijken de onderschrijven en de vader en de moeder ieder ook bij een psycholoog lopen, is naar het oordeel van de kinderrechter de regie en coördinatie van de gecertificeerde instelling passend en geboden. De kinderrechter neemt daarbij in overweging dat de reeds ingezette hulpverlening nog niet tot de beoogde resultaten heeft geleid. De kinderrechter ziet echter wel aanleiding om de ontwikkelingen en de resultaten van de samenwerking in de gaten te houden. Het verzoek wordt om die reden toegewezen voor een periode van vier maanden en voor het overige aangehouden. De kinderrechter zal onderzoeken of het aangehouden verzoek te zijner tijd tegelijk kan worden behandeld met het aangehouden verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie in de zaak met kenmerk FA RK 19-2363 / C/09/570940.

Vaststellen zorgregeling

De minderjarigen hebben een sterke wens hun vader meer te zien. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben die wens ook tegen de kinderrechter geuit. De kinderrechter overweegt dat eerder vanuit de rechtbank is aangestuurd op (het onderzoeken van de mogelijkheden van) uitbreiding van het contact tussen de vader en de minderjarigen. Tot op heden lijkt er echter weinig te zijn gebeurd en de minderjarigen lijken zich niet gehoord te voelen. Uiteraard staat de veiligheid van de minderjarigen voorop, maar de kinderrechter heeft thans geen zwaarwegende omstandigheden kunnen vaststellen die zich verzetten tegen uitbreiding van het contact tussen de minderjarigen en de vader. Het is daarom belangrijk dat beweging komt in het onderzoek naar de draagkracht van de minderjarigen ten aanzien van de uitbreiding van het contact met hun vader. De kinderrechter acht het echter niet wenselijk op dit moment een zorgregeling vast te stellen. Er loopt immers al een omgangsprocedure bij de rechtbank waarin een voorlopige zorgregeling is vastgesteld en in afwachting van de uitkomsten van een Raadsonderzoek is de behandeling van dit verzoek pro forma aangehouden. Wel verzoekt de kinderrechter de gecertificeerde instelling wederom, en nu met klem, de draagkracht van de minderjarigen ten aanzien van de uitbreiding van de contactmomenten tussen hen en de vader te onderzoeken. De gecertificeerde instelling kan de contactmomenten blijven volgen en inspelen op de veranderende omstandigheden die zich voordoen. De kinderrechter benadrukt dat daarbij de sterke wens van de minderjarigen in de overweging moet worden meegenomen.

De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voor de nader te bepalen zitting te rapporteren omtrent het contact tussen de minderjarigen en de vader en daaromtrent een standpunt in te nemen.

Bijzondere curator

Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter ambtshalve aanleiding om een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te benoemen.

Ingevolge artikel 1:250 BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De kinderrechter kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De kinderrechter moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.

De kinderrechter overweegt dat haar uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sprake lijkt te zijn van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW. De kinderrechter verwijst daartoe naar het hiervoor overwogene en benadrukt dat de minderjarigen in de knel lijken te zitten. Zij zitten in de knel door de loyaliteit voor de moeder enerzijds en de loyaliteit voor de vader anderzijds, terwijl de ouders verschillend denken over de vraag wat in het belang van de minderjarigen te achten is. Bekeken moet worden op welke wijze de minderjarigen onbelast contact met de vader en de moeder kunnen hebben, waarbij het belang van de minderjarigen leidend dient te zijn. Weliswaar is er reeds een jeugdbeschermer om de belangen van de minderjarigen te behartigen, maar die lijkt – tot op een zekere hoogte – betrokken te zijn geraakt in de strijd tussen de vader en de moeder en lijkt ook onvoldoende het vertrouwen van de minderjarigen te hebben. De kinderrechter deelt het standpunt van de jeugdbeschermer dat het niet aan de minderjarigen is om te beslissen omtrent omgang maar dat volwassenen die beslissing in het belang van de minderjarigen moeten nemen, maar de kinderrechter acht het wel van belang dat de mening van de minderjarigen in voldoende mate wordt gehoord en serieus wordt genomen. Dat gevoel lijken de minderjarigen nu niet te hebben. De kinderrechter acht het daarom van belang dat een bijzondere curator wordt aangesteld om buiten voornoemde strijd om zicht te krijgen op de belangen van de minderjarigen. Gelet hierop zal de kinderrechter ambtshalve een bijzondere curator over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] benoemen. De bevindingen van de bijzondere curator kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van het aangehouden verzoek in de zaak met kenmerk FA RK 19-2363 / C/09/570940.

Drs. A. van Teijlingen, mediator, kantoorhoudende te Sassenheim, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de kinderrechter worden benoemd. De bijzondere curator dient [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te vertegenwoordigen en in dit verband hun belangen te behartigen. Concreet verzoekt de kinderrechter de bijzondere curator om – voor zover mogelijk – te onderzoeken:
- wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van de minderjarigen ten aanzien van contact en omgang met beide ouders;
- of de huidige zorgregeling volstaat, en zo niet, welke zorgregeling meer in hun belang te achten is;
- of daarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;
- wat de minderjarigen nodig hebben om uit het loyaliteitsconflict te komen en niet langer last te hebben van het onderlinge wantrouwen tussen de ouders;
- wat er nodig is om in het belang van de minderjarigen de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren

- wat verder van belang lijkt voor de minderjarigen in deze situatie.

Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, staat het haar eveneens vrij een advies uit te brengen over de ten behoeve van de minderjarigen benodigde hulpverlening.

Ter uitvoering van bovengenoemde wordt de bijzondere curator verzocht gesprekken te voeren met de minderjarigen, de vader en de moeder en de gecertificeerde instelling. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen en instanties die informatie over de minderjarigen kunnen verschaffen.

De kinderrechter wijst de vader, de moeder en de gecertificeerde instelling erop dat zij gevolg dienen te geven aan de door de bijzondere curator te geven instructies.

Van haar bevindingen dient de bijzondere curator zo snel als mogelijk, maar bij voorkeur uiterlijk een week vóór 1 juli 2021, schriftelijk verslag te doen ten behoeve van de zaak met het kenmerk C/09/570940 / FA RK 19-2363 (conform ‘de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW’). De ouders en de gecertificeerde instelling kunnen daarop reageren.

De behandeling van het aangehouden verzoek tot ondertoezichtstelling wordt bij voorkeur gepland tezamen met de lopende procedure in de familiekamer van deze rechtbank. De kinderrechter zal bezien of dit haalbaar is. Als dit niet haalbaar blijkt, zal het verslag van de bijzondere curator evenwel worden meegenomen bij de lopende procedure in de familiekamer. De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator contact op te nemen met de rechtbank indien voornoemde datum niet haalbaar blijkt te zijn.

De kinderrechter zal de na te melden beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 13 april 2021 tot 13 augustus 2021 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

wijst af het verzoek van de vader tot het vaststellen een zorgregeling;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :

drs. A. van Teijlingen, mediator, kantoorhoudende te Sassenheim;

bepaalt dat de bijzondere curator één week vóór 1 juli 2021 schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank en aan de belanghebbenden;

houdt de behandeling van het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling voor het overige aan tot een nader te bepalen zittingsdatum gelegen voor 13 augustus 2021;

bepaalt dat moet worden bezien of de behandeling van het aangehouden verzoek tot ondertoezichtstelling gecombineerd kan worden behandeld met het aangehouden verzoek in de zaak met het zaakskenmerk C/09/570940 / FA RK 19-2363;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de Raad voor de Kinderbescherming;

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

- de vader;

- de advocaat van de vader;

- de moeder;

- de advocaat van de moeder;

- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , voor de kindgesprekken.

Deze beschikking is -voor zover deze ziet op de ondertoezichtstelling en op het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling- mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021 door mr. C. L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 april 2021.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Deze beschikking is -voor zover deze ziet op het ambtshalve benoemen van een bijzondere curator- gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2021 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort als griffier.