Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4443

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
SGR 20/3657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

boete vanwege verwijtbaar te laat niet inburgeren - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3657


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: G. Naber).

Procesverloop

In het besluit van 8 maart 2019 (primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete van
€ 750,- opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan zijn inburgeringsplicht en bepaald dat hij het van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geleende geld aan DUO moet terugbetalen.

In het besluit van 21 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten aanzien van de opgelegde boete gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 300,-. Ten aanzien van het terugbetalen van de lening heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen [A] , die eiser helpt met financiële zaken.

Overwegingen

1.1.

Verweerder heeft in de brief van 17 maart 2015 aan eiser medegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is en vóór 30 november 2017 moet voldoen aan deze plicht. Deze inburgeringstermijn is later verlengd tot 29 november 2018.

1.2.

Verweerder heeft in de brief van 3 december 2018 medegedeeld dat hij het voornemen heeft om eiser een boete van € 1.250,- op te leggen, omdat uit gegevens van DUO blijkt dat eiser niet tijdig is ingeburgerd.

1.3.

Op 21 februari 2019 heeft een verzekeringsarts van Argonaut een adviesrapportage verzonden aan verweerder over de medische situatie van eiser. In de rapportage wordt geconcludeerd dat niet gesteld kan worden dat eiser op grond van zijn medische situatie een periode van tenminste drie aaneengesloten maanden buiten staat is geweest om onderwijs te volgen.

2.1.

In het primaire besluit heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 750,- en bepaald dat eiser zijn lening moet terugbetalen aan DUO.

2.2.

In de bezwaarfase heeft verweerder op verzoek van eiser medische informatie opgevraagd bij de nieuwe huisarts van eiser. Op grond van deze nieuwe informatie is in een nieuw medisch advies van Argonaut van 26 november 2019 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van het medisch advies van 21 februari 2019.

2.3.

Op 15 januari 2020 is een derde medisch advies van Argonaut uitgebracht, waarin is vermeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de eerdere twee medische adviezen.

2.4.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, op grond van de medische adviezen, geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat eiser niet binnen de inburgeringstermijn kon inburgeren. Het is eiser volgens verweerder dan ook verwijtbaar dat hij niet op tijd is ingeburgerd. Verweerder heeft de boete wel verlaagd tot € 300,-, nu is gebleken dat eiser 444 cursusuren heeft gevolgd. Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd dat eiser zijn lening moet terugbetalen aan DUO.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd en dat hij ten onrechte de verstrekte lening moet terugbetalen. Eiser stelt dat de conclusie van het medische advies van Argonaut onjuist is, nu hij vanwege psychische problemen niet in staat was onderwijs te volgen. De brief van de POH-GGZ, mede ondertekend door zijn huisarts, bevestigt dit. Uit de overgelegde verklaring van het Academisch Talencentrum van de Universiteit van Leiden blijkt daarnaast dat eiser een aaneengesloten periode van ongeveer viereneenhalve maand is gestopt met zijn lessen Nederlands.

Eiser voert subsidiair aan dat verweerder een te hoge boete heeft opgelegd. Zo heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser slechts 444 lesuren heeft gevolgd. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt dat hij namelijk al 618 lesuren heeft gevolgd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat eiser niet binnen de gestelde termijn zijn inburgeringsexamen heeft behaald. Partijen zijn het niet eens over de vraag of en in welke mate dit verwijtbaar is en of verweerder daarom van het opleggen van een boete had moeten afzien of de boete had moeten vaststellen op een lager bedrag.

4.2.

Volgens de artikelen 31 en 34 van de Wet inburgering legt verweerder een boete van maximaal € 1.250,- op aan inburgeraars die niet op tijd aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan. Verder bepaalt artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat een bestuursorgaan geen boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. De beslissing van een bestuursorgaan tot het opleggen van een boete wordt door de bestuursrechter vol getoetst en wordt beoordeeld met inachtneming van de tegenover de rechter aannemelijk geworden omstandigheden.

4.3.

Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.1 Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de medische adviezen van 21 februari 2019, en 26 november 2019 en 15 januari 2020 ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. In die adviezen hebben de artsen aangegeven dat er geen medische redenen zijn waardoor eiser gedurende een periode van tenminste drie aaneengesloten maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen. Daarom hebben zij geadviseerd om de inburgeringsperiode niet te verlengen.

Uit het eerste advies blijkt dat bij eiser sprake is van psychische klachten, maar dat geen sprake is van dermate forse beperkingen dat hij hierdoor drie maanden aaneengesloten niet in staat zou zijn om onderwijs te volgen.

Uit het tweede advies blijkt dat de POH-GGZ op het verzoek van eiser een briefje heeft meegegeven met het verzoek om een paar maanden uitstel te geven voor de taalschool. De verzekeringsarts heeft echter gesteld dat het niet aan een POH-GGZ is om een dergelijke verklaring af te geven, nu die niet op de hoogte is van de regelgeving over verlenging van de inburgeringstermijn. Verder is in het tweede advies opgenomen dat uit de nieuwe informatie blijkt dat sprake is van matige problematiek die niet maakt dat het volgen van onderwijs onmogelijk is. Eiser is weliswaar een maand niet beschikbaar geweest voor onderwijs vanwege een klinische opname, maar voor verlenging is vereist dat iemand drie aaneengesloten maanden niet beschikbaar is voor onderwijs. De verzekeringsarts ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding tot een andere conclusie te komen dan de conclusie van het eerste advies.

In het derde advies is gesteld dat eiser gedurende de inburgeringsperiode onder behandeling heeft gestaan vanwege psychische klachten. De verzekeringsarts stelt dat er geen (nieuwe) medische informatie is ontvangen waardoor de conclusies van de eerdere adviezen herzien zouden moeten worden.

4.5.

De rechtbank overweegt dat eiser het niet eens is met de conclusies van de adviezen, maar dat hij geen contra-expertise (als het ware een ‘tegenrapport’) heeft overgelegd om de adviezen te weerleggen. De verklaring van de POH-GGZ, die eiser in beroep heeft overgelegd, bevat geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de eerdere adviezen, de begrijpelijkheid van de in de adviezen gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de adviezen dan ook kunnen volgen.

4.6.

Nu verweerder de medische adviezen heeft kunnen volgen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet op tijd is ingeburgerd.

5.1.

Verweerder heeft invulling gegeven aan artikel 5:46 van de Awb door beleid te ontwikkelen over de matiging van een boete. Dit beleid is vastgelegd in de Beleidsregel boetevaststelling inburgering (hierna: de Beleidsregel). Daarin wordt bij het bepalen van de hoogte van een boete rekening gehouden met het aantal examenpogingen, de gevolgde cursussen aan een instelling met een Blik op Werk keurmerk en/of het aantal examens dat de inburgeringsplichtige heeft behaald. De hoogste bestuursrechter heeft eerder al geoordeeld dit beleid niet onredelijk te vinden.2 De rechtbank sluit daarbij aan.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de hoogte van de boete heeft vastgesteld in lijn met de Beleidsregel. Verweerder heeft namelijk volgens de tabel in de bijlage behorende bij artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel een boete van € 500,- opgelegd en dit bedrag met 40% gematigd omdat eiser twee onderdelen heeft behaald. Verweerder is daarom terecht uitgekomen op een boete van € 300,-.

De rechtbank overweegt verder dat het voor de vaststelling van de boete niet relevant is of eiser 444 lesuren of 618 lesuren heeft gevolgd. Uit de tabel in de bijlage behorende bij artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel volgt namelijk dat de boete bij 300 of meer lesuren gelijk blijft.

6. De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder ambtshalve de lening van eiser had moeten kwijtschelden. Uit artikel 4.13, derde lid, van het Besluit inburgering volgt dat verweerder tot ambtshalve kwijtschelding overgaat wanneer de inburgeraar de inburgering binnen de inburgeringstermijn heeft behaald, is vrijgesteld of is ontheven van de inburgeringsplicht. Nu eiser zijn inburgering niet binnen de inburgeringstermijn heeft behaald en ook niet is vrijgesteld of ontheven van deze plicht, bestond voor verweerder geen grond om over te gaan tot ambtshalve kwijtschelding.

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit, waarin de boete van eiser is vastgesteld op € 300,- en waarin is besloten dat eiser zijn lening moet terugbetalen, in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van bijvoorbeeld 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2189.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1606.