Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4435

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
SGR 20/5090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

urgentieverklaring - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/5090


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Gündüz-Bouchotrouch).

Procesverloop

In het besluit van 27 november 2019 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring afgewezen.

Bij uitspraak van 24 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.1

In het besluit van 19 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 23 maart 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor haar gezin, bestaande uit haar echtgenoot en drie kinderen. Het gezin huurt vier kamers van een woning, waarbij bepaalde voorzieningen (de keuken, badkamer en woonkamer) worden gedeeld. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering en kan de huur van de kamers niet langer betalen, nu haar echtgenoot voor langere tijd gedetineerd is.

2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef en onder b, l en m, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: de Verordening). Hieraan legt verweerder ten grondslag dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem, dat verzoekster woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is en dat zij niet actief gedurende drie maanden voorafgaand aan de aanvraag heeft gereageerd op passend woningaanbod.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiseres stelt dat zij in een periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag actief heeft gereageerd op het woningaanbod. Zij reageert niet op (te) kleine woningen, omdat zij daarmee voorkomt dat zich later, als haar echtgenoot vrij komt en opnieuw bij haar intrekt, een nieuw huisvestingsprobleem zal voordoen. Verder voert zij aan dat de weigeringsgrond in artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Verordening in strijd is met artikel 12 van de Huisvestingswet 2014. Het uitsluiten van woningzoekenden die geen zelfstandige woonruimte achterlaten druist volgens haar in tegen de grondslag en gedachten achter artikel 12 van de Huisvestingswet 2014, nu juist deze groep dringend woonruimte nodig heeft. De Verordening voldoet dan ook niet aan artikel 12, eerste en tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Tot slot beroept eiseres zich op de hardheidsclausule.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank overweegt dat een aanvraag om een urgentieverklaring wordt afgewezen als een van de weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Verordening van toepassing is. In het geval van eiseres zijn drie weigeringsgronden tegengeworpen door verweerder. Een van die weigeringsgronden is dat eiseres niet direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod.2

6.2.

Uit artikel 2.2.13 van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 volgt dat een aanvrager onder meer niet optimaal heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod als de woningzoekende veelvuldig of uitsluitend op eengezinswoningen reageert of als de woningzoekende niet tenminste twee keer per week heeft gereageerd.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 4:5, aanhef en onder m, van de Verordening van toepassing is op eiseres. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiseres voorafgaand aan de aanvraag onvoldoende heeft gereageerd op woningen en veelvuldig op eengezinswoningen heeft gereageerd. Voorts blijkt uit de door verweerder overgelegde uitdraai dat eiseres voorafgaand aan de aanvraag meermaals passende woningen heeft geweigerd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de urgentieverklaring terecht geweigerd. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de andere weigeringsgronden die zijn tegengeworpen, behoeft daarom geen bespreking.

6.4.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij het toepassen van de hardheidsclausule beoordelingsruimte heeft. Het gebruik van deze ruimte dient de rechter terughoudend te toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig schrijnend was dat deze zich onderscheidde van andere mensen in de regio die in een soortgelijke, niet benijdenswaardige situatie verkeren.

De overgelegde verklaring van de gezinscoach kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat de verklaring met name de moeilijke situatie beschrijft die na het bestreden besluit is ontstaan. Verweerder kon deze omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit dus niet betrekken in het kader van de hardheidsclausule.

6.5.

Eiseres heeft ter zitting verder verzocht de zaak aan te houden, omdat haar woonsituatie door nieuwe ontwikkelingen (deels omschreven in de verklaring van de gezinscoach) is verslechterd en verweerder ter voorbereiding op de zitting heeft gekeken naar mogelijkheden om deze situatie te verbeteren. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij kort geleden met al haar kinderen is ingetrokken bij haar vader. Zij vreest op korte termijn op straat te belanden, nu de woning van haar vader niet geschikt is voor een groot aantal personen en meerdere omwonenden inmiddels klachten hebben ingediend.

6.6.

De rechtbank ziet geen aanleiding aan het verzoek van eiseres tegemoet te komen en overweegt hiertoe het volgende. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat is gekeken of eiseres momenteel geholpen kan worden, maar dat verweerder op dit moment niet meer voor eiseres kan doen. Verweerder heeft toegezegd dat eiseres niet op straat zal belanden op het moment dat zij de woning van haar vader moet verlaten. Zij kan zich in dat geval bij het daklozenloket melden, waar aan haar noodopvang zal worden aangeboden. De rechtbank overweegt tot slot dat eiseres altijd een nieuwe aanvraag kan indienen als de situatie dusdanig verandert dat zij in aanmerking zou komen voor een urgentieverklaring.

6.7.

Ten aanzien van de verwijzing van eiseres naar hetgeen zij in bezwaar naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank tot slot dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de gronden van bezwaar. Eiseres heeft niet gemotiveerd waarom het bestreden besluit op die punten onjuist zou zijn. De beroepsgrond kan al hierom niet slagen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Huisvestingswet 2014

Artikel 12
1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
2. De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.
[…]


Huisvestingsverordening Den Haag 2019

Artikel 4:5
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem;
[…]
l. de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a;
[…]
m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6;
[…]

1 ECLI:NL:RBDHA:2020:1593.

2 Artikel 4:5, aanhef en onder m, van de Verordening.