Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4427

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
SGR 19/7626
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inzageverzoek artikel 15 van de AVG buiten behandeling gesteld - verweerder had een beslissing op het bezwaarschrift moeten nemen - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7626

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: B. de Jong LL.B.),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, verweerder

(gemachtigden: mr. A.M. van de Laar, mr. I.G. van Dee en mr. B. Akkerman).

Procesverloop

In het besluit van 5 november 2019 (primaire besluit) heeft verweerder het namens eiser door zijn gemachtigde ingediende inzageverzoek buiten behandeling gesteld.

Bij bericht van 21 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij, indien hij het niet eens is met het primaire besluit, een klacht kan indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of dat hij beroep kan indienen bij de rechtbank.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 11 maart 2021. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaken SGR 20/1647, SGR 20/7149 en SGR 20/7793. De rechtbank heeft de zaken voor de uitspraak gesplitst. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is namens verweerder verschenen [A] , Functionaris Gegevensbescherming (FG).

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. In de kern draait deze zaak om de vraag of verweerder een besluit op bezwaar moet nemen indien een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) buiten behandeling is gesteld. In deze zaak is namens eiser een dergelijk inzageverzoek gedaan. Bij het verzoek is een kopie van een ID bewijs gevoegd, zodat de identiteit van eiser vastgesteld kan worden. Verweerder heeft eiser in reactie op dit verzoek verzocht om in het Huis van de Stad zijn ID bewijs te tonen, zodat zijn identiteit vastgesteld kan worden. Namens eiser is kenbaar gemaakt dat hij niet zal voldoen aan het verzoek. Volgens hem kan zijn identiteit aan de hand van de meegezonden kopie van zijn ID bewijs vastgesteld worden.

Het primaire besluit en het bezwaar van eiser

2.1.

Verweerder heeft het inzageverzoek van eiser in het primaire besluit buiten behandeling gesteld, omdat de identiteit van eiser niet deugdelijk kan worden vastgesteld. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat de overgelegde kopie van het ID bewijs van eiser onvoldoende is om zijn identiteit deugdelijk vast te stellen. Voorts heeft eiser geweigerd zijn ID bewijs in het Huis van de Stad te tonen.

2.2.

Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

De reactie van verweerder op het bezwaar van eiser

3. Verweerder heeft eiser bij bericht van 21 november 2019 kenbaar gemaakt dat hij het bezwaarschrift niet in behandeling zal nemen. Verweerder stelt zich namelijk op het standpunt dat het niet mogelijk is bezwaar te maken tegen het primaire besluit. Volgens verweerder kan eiser een klacht indienen bij de AP of beroep instellen bij de rechter. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet doorgestuurd, nu het aan hem is om te bepalen hoe hij de procedure wil voortzetten.

Tegen welk besluit wordt beroep ingesteld en wat voeren partijen hierover aan?

4.1.

De rechtbank constateert dat eiser in zijn beroepschrift stelt dat hij rechtstreeks beroep indient tegen het primaire besluit, nu verweerder van mening is dat tegen het primaire besluit geen bezwaar mogelijk is. Door hetgeen dat namens eiser is aangevoerd ter zitting, vat de rechtbank het standpunt van eiser zo op dat hij primair betoogt dat hij wel degelijk bezwaar kan maken tegen het primaire besluit. Hiervoor verwijst eiser naar artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG). Verweerder heeft volgens eiser dan ook ten onrechte geweigerd een besluit te nemen op zijn bezwaar.1

Verweerder is het hier niet mee eens en stelt dat eiser alleen rechtstreeks beroep kan instellen tegen het primaire besluit. Volgens verweerder kan eiser op grond van artikel 12, vierde lid, van de AVG alleen een klacht indienen bij de AP of beroep instellen bij de rechter als het inzageverzoek buiten behandeling wordt gesteld. In een dergelijk geval is het dus onmogelijk om bezwaar te maken. Ter zitting heeft de FG van verweerder toegelicht dat in dit geval dus niet de gebruikelijke bezwaar- en beroepsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gevolgd. Volgens verweerder gaat het als het ware om een ander en minder formeel rechtsregime waarbij de FG eerst wordt betrokken.2 Als dat geen uitweg biedt, hetgeen niet vaak zou (moeten) voorkomen, staat alleen een klacht bij de AP of het indienen van beroep bij de rechtbank open. Hiervan kan alleen worden afgeweken op grond van artikel 23 van de AVG.

4.2.

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank zich eerst uit te laten over de vraag of verweerder gehouden was het bezwaarschrift van eiser in behandeling te nemen en daarop een besluit te nemen.

Had verweerder een besluit op het bezwaar van eiser moeten nemen?

4.3.

Zoals verweerder terecht stelt, wordt in artikel 12, vierde lid, van de AVG vermeld dat verweerder een betrokkene, als zijn verzoek zonder gevolg blijft, informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat de AVG een hogere regeling betreft dan de UAVG waarin is opgenomen dat een schriftelijke beslissing op een inzageverzoek, zoals bedoeld in artikel 15 van de AVG, geldt als een besluit in de zin van Awb.3

De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn standpunt dat uit artikel 12, vierde lid, van de AVG volgt dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen het buiten behandeling stellen van een inzageverzoek. Dat in artikel 12, vierde lid, van de AVG enkel wordt gesproken over de mogelijkheid om “beroep bij de rechter in te stellen”, maakt volgens de rechtbank niet dat de bezwaarprocedure door verweerder overgeslagen moet worden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de bezwaar- en beroepsprocedure uit de Awb nationaalrechtelijk is en dat met de betreffende passage in artikel 12, vierde lid, van de AVG enkel is verzekerd dat rechtsmiddelen openstaan tegen het buiten behandeling stellen van een inzageverzoek. Voorts acht de rechtbank bij het oordeel van belang dat uit artikel 34 van de UAVG ook volgt dat een schriftelijke beslissing op een inzageverzoek een besluit in de zin van de Awb is en dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt.4 De rechtbank verwijst in dit kader tot slot naar een uitspraak in een vergelijkbare zaak, waarbij het bezwaarschrift wel in behandeling is genomen en het bestuursorgaan een besluit op bezwaar heeft genomen.5

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat met het nemen van een besluit op bezwaar niet wordt afgeweken van de AVG. Artikel 23 van de AVG speelt in dit kader daarom geen rol. Overigens merkt de rechtbank op dat de wetgever met betrekking tot besluiten over het recht op inzage en het recht op rectificatie en vernietiging van politiegegevens (artikelen 25 en 28 van de Wet politiegegevens) in de Bijlage 1 Regeling rechtstreeks beroep bij de Awb heeft bepaald dat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.

4.4.

Gelet op hetgeen overwogen onder 4.3. is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte het bezwaarschrift niet in behandeling heeft genomen. Verweerder had een besluit op bezwaar moeten nemen. Het bericht van verweerder van 21 november 2019 kan dan ook worden beschouwd als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen, zoals bedoeld in artikel 6:2, onder a, van de Awb. Deze met een besluit gelijk te stellen weigering dient te worden vernietigd. Verweerder dient alsnog binnen 8 weken een besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van de relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).6 Uit deze jurisprudentie volgt onder meer dat het overleggen van een kopie van een identiteitsbewijs voldoende kan zijn om de identiteit vast te stellen, maar ook dat aanvullende informatie gevraagd mag worden indien er reden bestaat om te twijfelen aan de identiteit.

4.5.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen die wordt verbeurd bij het niet naleven van de uitspraak. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat verweerder heeft aangegeven zo snel mogelijk een hoorzitting te organiseren, in het geval dat de rechtbank tot de conclusie komt dat verweerder alsnog een besluit op het bezwaar moet nemen. Eiser kan beroep instellen indien verweerder niet tijdig een beslissing zal nemen op zijn bezwaarschrift.


Wat is de conclusie?

5.1.

Het beroep is gegrond. Het besluit van 21 november 2019 wordt vernietigd. Verweerder dient het bezwaarschrift van eiser alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen en een nieuw besluit te nemen.

5.2.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.3.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt deze zaak en de zaken SGR 19/7626, SGR 20/1647 en SGR 20/7149 aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. Deze kosten worden (dus voor alle vier de zaken tezamen) op grond van het Bpb begroot op € 1602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- , wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met factor 1,5 nu het vier samenhangende zaken (C2) betreft. Per zaak moet verweerder € 400,50 betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 november 2019;
- draagt verweerder op om binnen 8 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 400,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Artikel 6:2, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 38, vierde lid, van de AVG.

3 Artikel 34 van de UAVG.

4 Zie ook de toelichting bij artikel 34 in de “Memorie van toelichting Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming”.

5 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2927).

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2915 en ECLI:NL:RVS:2020:2927)