Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4398

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
NL21.4926
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Dublin Italië; beroep ongegrond en afwijzing vovo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.4926 en NL21.4927


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de

voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de

overdracht achterwege blijft, tot op het beroep is beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) doet, gelet op de

aangevoerde gronden en in het licht van de bestendige en actuele jurisprudentie op grond

van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1992

Hij heeft in Nederland op 30 december 2020 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder op 16 september 2014 en op

10 februari 2020 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Italië.

3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de

Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vanaf 6 februari 2021 vaststaat.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten

aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. In dat kader verwijst eiser naar de rapporten van AIDA en naar het Salvini-decreet. De situatie in opvanglocaties is erbarmelijk en wordt in sommige rapportages zelfs onmenselijk genoemd. Een mogelijke schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is niet uitgesloten. Eiser stelt dat hij zich in een situatie bevindt, waarin hij een removal order heeft ontvangen en een opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Eiser stelt dat hem in Italië een gevangenisstraf opwacht. Eiser vreest daarbij voor refoulement. Eiser voert aan dat hij medische problemen heeft. Hij heeft last van buikklachten, waarvoor hij in Italië geen adequate medische behandeling heeft gekregen. Dit maakt dat Nederland het meest aangewezen land is voor deze behandeling. Eiser stelt dat als gevolg van de slechte algemene situatie voor asielzoekers in Italië dat medische voorzieningen niet of pas na lange tijd bereikbaar zijn voor hem. Een en ander wordt verergerd door de coronapandemie. Nederland dient de behandeling van eisers asielaanvraag dan ook op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Daarbij stelt eiser dat hij het claimverzoek heeft ontvangen, maar dat hij geen bewijs heeft ontvangen waaruit kan worden afgeleid dat het claimverzoek daadwerkelijk is verzonden aan de Italiaanse autoriteiten.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk

vertrouwensbeginsel in zijn algemeenheid van mag uitgaan dat Italië zijn internationale verplichtingen, zoals opgenomen in de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn, nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan wel artikel 3 van het EVRM. Hierin is eiser niet geslaagd.

7. Daarbij is Italië gebonden aan dezelfde internationale verplichtingen als Nederland

en is er geen reden om aan te nemen dat Italië zich daar niet aan zal houden. De verwijzing naar de algemeen bekende slechte situatie in Italië voor asielzoekers kan niet leiden tot een ander oordeel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het Salvini-decreet en de algemene omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem zoals die blijken uit de door eiser overgelegde rapportages geen redenen zijn om te concluderen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarnaast op het standpunt

mogen stellen dat er van mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Italië vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Italië in staat moet worden geacht de medische klachten van eiser te kunnen behandelen en dat eiser na aankomst in Italië toegang heeft tot de nodige behandeling. Er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. De rechtbank overweegt verder dat eisers medische situatie niet met recente gedateerde stukken is onderbouwd en dat in dit verband voor een verantwoorde overdracht aanvullende (medische) voorzieningen noodzakelijk zijn. Gelet op het vorenstaande is medisch onderzoek evenmin geïndiceerd.

9. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn beroep op het arrest Jawo. Uit het arrest

Jawo volgt dat er een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bestaat voordat wordt aangenomen dat er sprake is van een risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie deze drempel wordt overschreden.1

10. Eiser heeft ten slotte gewezen op de gevolgen van de coronapandemie, maar heeft

daarbij geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan twijfel rijst of Italië als gevolg daarvan zijn verplichtingen jegens eiser als Dublinclaimant zal nakomen. De omstandigheid dat eiser als gevolg van de coronapandemie niet kan worden overgedragen aan Italië is een feitelijke belemmering van tijdelijke aard en doet volgens vaste jurisprudentie niet af aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat

geen grond bestaat voor het oordeel dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van eiser onverplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling te nemen.

De rechtbank stelt vast dat het claimverzoek digitaal is ondertekend en is van oordeel dat het claimverzoek daadwerkelijk en volledig is verzonden. Uit de ontvangstbevestiging van DubliNet blijkt dat het claimverzoek op 22 januari 2021 is verzonden aan de Italiaanse autoriteiten.

12. Eiser heeft in het beroepschrift verzocht zijn zienswijze als letterlijk herhaald en

ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter op die zienswijze gereageerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, zal de rechtbank daarom niet ingaan op de overige argumenten uit de zienswijze.

13. De gronden van het beroep slagen niet. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

1 Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Jawo tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2019:218).