Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4371

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
NL20.21956
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking asielvergunningen - vreemdeling heeft zowel Syrische als Armeense nationaliteit – Armeense nationaliteit in eerste instantie verzwegen – twee paspoortnummers – beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet – Armenië is een veilig land – geen strijd met artikel 8 van het EVRM – onmiddellijke vertrekplicht – beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21956

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 4 januari 2018. Daarnaast heeft verweerder eisers daaraan voorafgaande verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 4 januari 2013. Ook heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021 in Dordrecht. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser bezit de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiser is bij besluit van 10 januari 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 4 januari 2013 tot 4 januari 2018. Op 13 december 2016 heeft verweerder een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel en tot het opleggen van een inreisverbod aan eiser kenbaar gemaakt. Bij besluit van 28 februari 2019 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met ingangsdatum 4 januari 2018. Op 25 juli 2019 is een voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit gegevens in het visuminformatiesysteem Vision, uit het individuele ambtsbericht van 5 juli 2019 en uit eisers verklaringen tijdens het intrekkingsgehoor van 25 september 2019 is gebleken dat eiser ook de Armeense nationaliteit heeft. Bij zijn asielaanvraag heeft eiser dus onjuiste gegevens verstrekt dan wel informatie achtergehouden over zijn Armeense nationaliteit. Armenië kon tijdens de asielaanvraag van 4 januari 2013 en het besluit van 10 januari 2013 worden aangemerkt als veilig land. Ter ondersteuning hiervan verwijst verweerder naar het toen geldende ambtsbericht inzake Armenië van 24 oktober 2013. Ook op 27 maart 2020, bij brief aan de Tweede Kamer (TK 2019-2020, 19637, nr. 2594), is Armenië aangemerkt als veilig land van herkomst. Het intrekken van de verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht is niet in strijd met het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Beoordeling door de rechtbank

Herhaling eerdere standpunten

3. Eiser voert aan dat wat eerder door hem schriftelijk in diverse zienswijzen, correspondentie met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en in diverse gehoren al naar voren is gebracht in beroep als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit hierop gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft met de enkele verwijzing naar zijn eerdere standpunten onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Deze verwijzing kan op zichzelf dan ook niet leiden tot een gegrond beroep.

Procedureverloop

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het verweerder vrijstaat om, nadat een verblijfsvergunning is verleend, nader onderzoek te doen naar de vraag of zich redenen voordoen die verblijfsvergunning in te trekken. Een vreemdeling die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, dient er steeds rekening mee te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden, waardoor de verleende vergunning wordt ingetrokken. Verweerder kon eiser hierbij informatie uit Vision tegenwerpen die voorafgaand aan zijn eerste asielvergunning beschikbaar was. Verweerder heeft zich daarvoor niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verweerder tijdens de asielprocedure onvoldoende aanleiding zag om nader onderzoek te doen. Verweerder heeft zich destijds kunnen baseren op eisers verklaringen en het ontbreken van concreet bewijs dat er sprake zou zijn van een daadwerkelijk verstrekt Spaans visum en Armeense paspoorten. Dat eiser heeft verklaard dat hij geen bezwaar heeft naar onderzoek in andere landen en bereid te zijn tot het geven van tekst en uitleg, maakt dit niet anders. Dat eiser zich niet gerealiseerd had dat het voor verweerder belangrijk was om verdere informatie te verkrijgen over zijn verblijf buiten Syrië, volgt de rechtbank niet. Tijdens het intrekkingsgehoor van 25 september 2019 heeft eiser immers verklaard dat hij destijds niet kon vertellen dat hij vanuit Armenië naar Nederland is gekomen, omdat na zijn aankomst in Nederland andere asielzoekers hem vertelden dat hij dan direct zou worden teruggestuurd en hem zeiden hierover niets te zeggen, zodat hij vanaf het begin hierover heeft gelogen (pagina’s 5, 6, 11 en 13 rapport intrekkingsgehoor). Dat verweerder eiser desondanks een asielvergunning voor onbepaalde tijd heeft verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser was ervan op de hoogte dat verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd onder voorbehoud zou verlenen, omdat er al een intrekkingsprocedure was opgestart. Bij e-mail van 30 januari 2019 is de gemachtigde van eiser immers namens de IND geïnformeerd dat het mogelijk is de aanvraag om een verblijfsvergunning van asiel voor onbepaalde tijd onder voorbehoud in te willigen. Op 18 februari 2019 heeft de gemachtigde van eiser daarop geantwoord dat het voorbehoud met eiser is besproken en dat het voor eiser praktisch is om alvast een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen. Vervolgens is de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op 28 februari 2019 onder uitdrukkelijk voorbehoud verleend. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Hieruit volgt dat eiser het voorbehoud van verweerder heeft aanvaard. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder het verweerschrift en een aantal dossierstukken te laat bij de rechtbank ingediend. Dit geeft de rechtbank geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit. Het is namelijk niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.

Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd leidt niet een gegrond beroep.

Onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met terugwerkende kracht eisers verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde en bepaalde tijd ingetrokken op grond van de artikelen 32, eerste lid, aanhef en onder a, en 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van deze artikelen kan verweerder deze verblijfsvergunningen intrekken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, mede gelet op wat hierna is overwogen, deugdelijk gemotiveerd dat aan het bepaalde in de artikelen 32 en 35 van de Vw is voldaan. Eiser heeft onjuiste gegevens verstrekt, dan wel achtergehouden, die tot een afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Eiser heeft immers verzwegen dat hij naast de Syrische ook de Armeense nationaliteit bezit.

6.1.

Dat eiser de Armeense nationaliteit bezit heeft verweerder op goede gronden aangenomen. Eiser heeft tijdens het intrekkingsgehoor van 25 september 2019 verklaard dat hij de Armeense nationaliteit bezit (pagina 6 rapport intrekkingsgehoor). Ook heeft eiser verklaard dat hij een Armeens paspoort heeft aangevraagd en persoonlijk heeft ontvangen (pagina’s 5 t/m 7 en 11 t/m 13 rapport intrekkingsgehoor). Dit is bevestigd bij het individuele ambtsbericht van 5 juli 2019, waarvan verweerder mag uitgaan. Een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is namelijk een deskundigenadvies. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ook gelet op de brief van 9 juli 2019 van de IND aan de Minister van Buitenlandse Zaken (de zogenoemde REK- check) van de juistheid van de informatie in het individuele ambtsbericht kan worden uitgegaan. De enkele betwisting hiervan biedt onvoldoende grond om van dit uitgangspunt af te wijken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat kennisname van alle achterliggende stukken en de deels onleesbaar gemaakte stukken tot een ander oordeel moet leiden. Eiser voert aan dat het opvallend is dat het visum voor Spanje in een Armeens paspoort met nummer [paspoortnummer 1] op zijn naam zou zijn gesteld, terwijl het individuele ambtsbericht verwijst naar een ander Armeens paspoort met nummer [paspoortnummer 2] . Aldus kan volgens eiser niet worden vastgesteld dat er sprake is van een authentiek Armeens paspoort. Hierdoor heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat niet valt te verifiëren of een authentiek paspoort aan eiser is verstrekt, komt voor rekening en risico van eiser. Eiser heeft immers tijdens het intrekkingsgehoor van 25 september 2019 verklaard dat hij zijn Armeense paspoort heeft vernietigd (pagina 11 rapport intrekkingsgehoor). De enkele stelling dat eiser niet aanwezig was bij de aanvraag om een Spaans visum, maakt het voorgaande niet anders.

6.2.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij inmiddels niet meer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Het is niet gebleken dat eiser van deze nationaliteit afstand heeft gedaan. Eiser heeft tijdens het intrekkingsgehoor van 25 september 2019 ook aangegeven dat hij ervan uitgaat dat hij nog steeds de Armeense nationaliteit heeft (pagina 19 rapport intrekkingsgehoor). Gelet hierop en op wat onder 4 is overwogen, kon eiser er rechtens niet op vertrouwen dat verweerder zijn asielstatus niet zou intrekken. Anders dan eiser aanvoert, heeft verweerder in het gegeven dat eiser later openheid van zaken heeft gegeven, geen aanleiding hoeven zien om de asielvergunningen van eiser in stand te laten.

6.3.

Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een gegrond beroep.

Gelijkheidsbeginsel

7. Eiser doet onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:1307) tevergeefs een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn situatie overeenkomt met de omstandigheden van de vreemdelingen in de uitspraak van de rechtbank. In die zaak ontkenden de vreemdelingen elke wetenschap van een Armeens paspoort, dan wel verklaarden zij dat zij geen Armeens paspoort hebben aangevraagd en hebben zij afstand gedaan van hun Armeense nationaliteit (zie rechtsoverweging 7.1.3 van de uitspraak van de rechtbank). Eiser was daarentegen wel in het bezit van een Armeens paspoort, heeft dit paspoort zelf aangevraagd en opgehaald en heeft geen afstand gedaan van zijn Armeense nationaliteit. Op belangrijke, relevante punten is dus niet gebleken van gelijke gevallen. Dat er wel overeenkomsten zijn, zoals het gegeven dat de intrekking van eisers verblijfsvergunningen is gestart naar aanleiding van een Vision- treffer en de intrekkingsprocedure globaal genomen in dezelfde periode is gestart, biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel.

Veilig land

8. Op grond van artikel 3.105ba van het Vreemdelingenbesluit 2000, artikel 3.37f van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en bijlage 13 bij het VV is Armenië aangewezen als veilig land van herkomst. In het asielbeleid van verweerder voor Armenië, neergelegd in paragraaf C7/4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zijn voor Armenië geen bijzonderheden opgenomen.

9.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat Armenië voor eiser een veilig land van herkomst is. Dat Armenië een veilig land van herkomst is – met uitzondering van LHBTI’s en personen van wie aannemelijk is dat ze in strafrechtelijke detentie zullen worden geplaatst – heeft verweerder gebaseerd op de beoordeling die is gevoegd bij de brief van 27 maart 2020 van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer. Deze beoordeling heeft verweerder bij het bestreden besluit betrokken. Dat de ambtsberichten van 2013 en 2016 achterhaald zijn, zoals eiser aanvoert, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Uit de beoordeling van 27 maart 2020 blijkt dat er geen sprake is van systematische vervolging van bepaalde groepen in de Armeense samenleving. Armenië is partij bij verschillende mensenrechtenverdragen en heeft wetten en andere voorschriften die waarborgen bieden, al worden deze niet altijd voldoende nageleefd. Er zijn geen aanwijzingen dat eigen burgers worden verwijderd of uitgeleverd naar gebieden in andere landen waar zij worden vervolgd of een reëel risico lopen op een onmenselijke behandeling. Dat Syriërs in Armenië worden achtergesteld en misbruik van hun situatie wordt gemaakt, waardoor vervolging of een risico op schending van artikel 3 van het EVRM dreigt, heeft eiser, gelet op de beoordeling van 27 maart 2020 en paragraaf C7/4. van de Vc, niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat eiser door het onderzoek van verweerder in Armenië bekendstaat als een gevaarlijk persoon, maakt dit niet anders. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Armenië door de recente oorlog met Azerbeidzjan dusdanig gevaarlijk is, dat verweerder hem niet naar Armenië kan uitzetten. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd door eigen ervaringen of documenten. Hetzelfde geldt voor eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Armenië vreest te worden overgeplaatst naar Nagorno-Karabach (dat formeel tot het grondgebied van Azerbeidzjan behoort).

9.2.

Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een geslaagd beroep.

Artikel 8 van het EVRM

10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiser geen familie- en gezinsleven in Nederland uitoefent. Wel heeft eiser privéleven in Nederland opgebouwd, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Vervolgens heeft verweerder een belangenafweging verricht, zoals artikel 8 van het EVRM vereist.

10.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiser gestelde belangen kenbaar in de belangenafweging betrokken. Hieruit blijkt niet dat verweerder eraan voorbij is gegaan dat het bestreden besluit grote gevolgen voor eiser heeft. Verweerder heeft daar echter het belang van de Nederlandse overheid dat een verblijfsvergunning uitsluitend wordt verleend op basis van de juiste en volledige gegevens, om misbruik te voorkomen, tegenover kunnen zetten. In deze belangenafweging heeft verweerder niet ten onrechte zwaar gewicht gehecht aan het feit dat eiser bewust relevante gegevens heeft achtergehouden bij zijn asielaanvraag. Hierdoor heeft eiser langdurig verblijf in Nederland genoten, waardoor hij zijn privéleven in Nederland kon opbouwen. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzondere banden met Nederland heeft. De door hem gestelde banden, namelijk dat hij als een modelburger functioneert, geen aanspraak maakt op middelen uit de openbare kas, een vast dienstverband heeft (dat is ondersteund door een werkgeversverklaring van 8 april 2021) en geen gevaar oplevert voor de openbare orde, geven uitdrukking aan een normaal werkzaam leven in Nederland. De enkele stelling dat hij geen (privé)leven in Armenië kan opbouwen, maakt de belangenafweging, mede gelet op wat onder 9.1. is overwogen, niet anders. Hetzelfde geldt voor eisers standpunt dat zijn familie uit Armenië is vertrokken en dat het niet mogelijk was om op een normale manier sociale banden met andere Armeniërs op te bouwen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn psychische klachten geen (medische) hulp in Armenië kan verkrijgen. Dat eiser langer in Nederland heeft verbleven dan in Armenië leidt niet tot een ander oordeel. Dat de intrekking van eisers asielstatus een vorm van bestraffing is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de intrekking van een verblijfsvergunning, omdat er bij de verlening onjuiste gegevens zijn verstrekt, beoogt de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is van reparatoire en niet van punitieve aard.

10.2.

Het betoog van eiser dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM slaagt niet.

Vertrektermijn

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij medisch gezien niet in staat is om te reizen of dat zijn verplichting om onmiddellijk uit Nederland te vertrekken om medische redenen in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Uit het BMA-advies van 19 november 2020 blijkt dat eiser in staat is om te reizen, dat wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, de medicatie tijdens de reis continueert en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen. Volgens het BMA-advies is er bij het uitblijven van een ambulante psychiatrische begeleiding geen sprake van een medische noodsituatie op de korte termijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het BMA-advies niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Verweerder mocht het bestreden besluit dan ook op dit BMA-advies baseren. De enkele stelling dat het onduidelijk is of een vergelijkbare medische behandeling in Armenië beschikbaar is, biedt, gelet op het BMA-advies en de paragrafen C2/10.1, C2/3.3. (‘medische omstandigheden’) en A3/7 van de Vc, onvoldoende grond voor een ander oordeel. Hieruit volgt immers dat verweerder alleen bij een medische noodsituatie onderzoekt of medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat uit zijn medische omstandigheden blijkt dat hij voortdurende behandeling in Nederland behoeft. De vraag van eiser of er medische behandeling in Syrië beschikbaar is, doet niet ter zake, omdat eiser niet naar Syrië wordt uitgezet.

Hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot een geslaagd beroep.

Inreisverbod

12. Eiser voert, mede gelet op het voorgaande, tevergeefs aan dat een inreisverbod zijn verblijfsmogelijkheden in Nederland, dan wel elders in Europa, ernstig belemmert. Hij kan niet terug naar Syrië of Armenië. Bovendien kan hij zijn privéleven dan niet meer in Nederland uitoefenen. Hieraan is verweerder volgens eiser ten onrechte voorbijgegaan.

De rechtbank heeft wat eiser hier aanvoert in de voorgaande overwegingen beoordeeld en geoordeeld dat deze gronden niet tot een geslaagd beroep leiden. Dat het inreisverbod eisers verblijfsmogelijkheden in Nederland en elders in Europa belemmert, is inherent aan een inreisverbod en geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.

Conclusie

13. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G. Bos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

26 april 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.