Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4345

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
18/2442, 20/3719 & 20/5145
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringswet. Buitenlandbijdrage. Beroep 18/2442 is gegrond; bezwaar niet-ontvankelijk. Niet tegen een besluit bezwaar gemaakt. De rechtbank voorziet zelf. Beroep 20/3719 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Beroep 20/5145 is ongegrond.Eiseres is sinds 4 juli 2017 verdragsgerechtigde zoals bedoeld in de Vo 833/2004. Verweerder heeft haar in het besluit van 29 augustus 2017 als zodanig aangemerkt. Dat besluit is onherroepelijk. Uit de relevante Europese en Nederlandse regels vloeit daarom dwingend voort dat eiseres over 2018 een buitenlandbijdrage aan verweerder is verschuldigd. Wat eiseres in dit beroep heeft aangevoerd ziet niet op het bestreden besluit en leidt daarom niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/2442, 20/3719 en 20/5145


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2021 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , België, eiseres

(gemachtigde: H.J. de Vries),

en

het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

In de brief van 11 september 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 4 juli 2017 als verdragsgerechtigde wordt ingeschreven en dat zij per die datum op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) de buitenlandbijdrage is verschuldigd.

In het besluit van 21 februari 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze brief ongegrond verklaard.

In het besluit van 3 december 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2017 vastgesteld en de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw over het zorgjaar 2017 bepaald op € 437,63.

In het besluit van 21 februari 2020 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

In het besluit van 7 april 2020 (primair besluit II) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2018 vastgesteld en de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw over het zorgjaar 2018 bepaald op € 1.110,07

In het besluit van 1 juli 2020 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen alle bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Deze zijn geregistreerd onder nummers SGR 18/2442, 20/3719 en 20/5145.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn, zoals van tevoren aangekondigd, niet verschenen. Verweerder is evenmin verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres woont in België en ontvangt vanaf 4 juli 2017 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) van de Sociale verzekeringsbank (Svb). Eiseres stond vanaf 1 januari 2006 tot 4 juli 2017 als meeverzekerd gezinslid bij haar echtgenoot ingeschreven. Verweerder heeft eiseres met ingang van laatstgenoemde datum op grond van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt. Hierdoor is eiseres niet langer meeverzekerd en heeft zij met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) een zelfstandig recht op zorg in haar woonland België ten koste van Nederland. Voor dit recht op zorg is eiseres volgens verweerder op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage) die gedeeltelijk wordt ingehouden op haar AOW-uitkering. Verweerder heeft bij afzonderlijke primaire besluiten de definitieve jaarafrekening 2017 en 2018 vastgesteld en eiseres over die zorgjaren de buitenlandbijdrage opgelegd.
2. De bestreden besluiten berusten samengevat op verweerders standpunt dat eiseres vanaf 4 juli 2017 verdragsgerechtigde is en als zodanig aanspraak heeft op zorg in haar woonland België ten laste van Nederland en dat zij daarom op grond van artikel 69 van de Zvw over 2017 en 2018 een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
3. Eiseres heeft verweerders standpunt gemotiveerd bestreden.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van de beroepen.
Het beroep met reg. nr. 18/2442
4.1 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders brief van 11 september 2017. De rechtbank stelt allereerst ambtshalve de vraag of deze brief wel een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1 van de Awb, kan namelijk alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit.
4.2 Onder besluit wordt volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.
4.3 De rechtbank is van oordeel dat de brief van 11 september 2017 geen besluit is, zoals hiervoor bedoeld. Verweerder heeft eiseres bij besluit van 29 augustus 2017 met ingang van 4 juli 2017 als verdragsgerechtigde op grond van de Zvw aangemerkt. In dat besluit is haar ook meegedeeld dat zij vanaf die datum recht heeft op medische zorg in het woonland en dat zij daarvoor een buitenlandbijdrage is verschuldigd. Voorts is eiseres erop gewezen dat zij tegen het besluit bezwaar kon maken. Eiseres heeft echter geen bezwaar gemaakt. Met de brief van 11 september 2017 heeft verweerder eiseres alleen meegedeeld dat zij met ingang van 4 juli 2017 als zelfstandig verdragsgerechtigde op grond van de Zvw zal worden ingeschreven. Verweerder herhaalt daarin dat eiseres een buitenlandbijdrage is verschuldigd, die op haar pensioen zal worden ingehouden. De brief van 11 september 2017 roept geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven, en is daarom geen besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het tegen de brief van 11 september 2017 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat het niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft verzuimd dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
4.4 Het beroep met reg. nr. 18/2442 is dus gegrond en het besluit van 21 februari 2018 (bestreden besluit I) zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Het beroep met reg. nr. 20/3719
4.5 De rechtbank stelt vervolgens ambtshalve de ontvankelijkheid van dit beroep aan de orde. De dagtekening van de beslissing op bezwaar waartegen eiseres beroep heeft ingesteld is 21 februari 2020. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde dus op 3 april 2020. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb. Het beroepschrift moest uiterlijk op die datum bij de rechtbank binnen zijn, of ter post bezorgd en binnen een week daarna bij de rechtbank zijn binnengekomen. Het beroep is echter pas op 17 april 2020 door de rechtbank ontvangen.
4.6 Eiseres is van mening dat zij tijdig beroep heeft ingesteld. Zij heeft op 2 april 2020 geprobeerd via de digitale weg haar beroepschrift bij de rechtbank in te dienen en dat is toen niet gelukt. Vervolgens heeft zij haar beroepschrift op 3 april 2020 bij de Belgische post ter verzending aangeboden. Daarna is het beroepschrift met de nodige vertraging bij de rechtbank bezorgd.
4.7 Het beroep is te laat bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank kan niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege laten, indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om dat in dit geval te doen. Eiseres heeft tot een van de laatste dagen van de beroepstermijn gewacht met het indienen van haar beroepschrift. Het risico dat het beroep niet tijdig is ingediend komt volledig voor haar rekening. Eiseres had tenslotte pro forma eerder beroep kunnen indienen om de beroepstermijn veilig te stellen.1 Hoewel eiseres stelt dat zij het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd, is het pas na een week na het einde van de termijn bij de rechtbank binnengekomen. Ook dit komt voor haar risico, omdat bij verzending van post uit het buitenland met vertraging rekening moet worden gehouden. Als eiseres niet tot de laatste dagen van de termijn had gewacht met haar poging het beroepschrift digitaal in te dienen, had zij het beroepschrift nog zo tijdig bij de post kunnen aanleveren dat het ook bij vertraging op tijd bij de rechtbank zou zijn binnengekomen.
4.8 Het beroep met reg. nr. 20/3719 is niet-ontvankelijk.
Het beroep met reg. nr. 20/5145
4.9 Op grond van artikel 24 van de Vo 883/2004 heeft een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gaan wonen, recht op medische zorg in het woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg.
Op grond van artikel 30 van Vo 883/2004 mag vervolgens het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland.
Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd.
4.10 Vast staat dat eiseres sinds 4 juli 2017 verdragsgerechtigde is zoals bedoeld in de Vo 833/2004. Verweerder heeft haar in het besluit van 29 augustus 2017 als zodanig aangemerkt. Dat besluit is onherroepelijk. Uit de hiervoor genoemde voor dit geval relevante Europese en Nederlandse regels vloeit daarom dwingend voort dat eiseres over 2018 een buitenlandbijdrage aan verweerder is verschuldigd.2 Wat eiseres in dit beroep heeft aangevoerd ziet niet op het bestreden besluit en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
4.11 Het beroep met reg. nr. 20/5145 is ongegrond.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een schadevergoeding.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van professionele rechtshulp en evenmin is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met reg. nr. 18/2442 gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 februari 2018 (bestreden besluit I) en verklaart het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met reg. nr. 20/3719 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met reg.nr. 20/5145 ongegrond;

- draagt verweerder op het in het beroep met reg. nr. 18/2442 betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en mr. C.T. Aalbers en mr. M.K.G. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021.

griffier

voorzitter

de griffier is buiten staat te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:291

2 uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 september 2020; ECLI:NL:CRVB:2020:2060