Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4331

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2209
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo, sluiting 3 huisnummers ogv 13b opiumwet wegens verwevenheid, voor 2 huisnummers sluiting geschorst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/2209

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.T. Bosch),

tegen

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Buvelot).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan onder meer verzoeker gelast de woning aan de [straat] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] en de garagebox op nummer 33 te Den Haag met ingang van 19 maart 2021 voor een periode van zes maanden gesloten te houden.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij e-mail van 17 maart 2021 heeft verweerder aan de rechtbank bericht dat de werking van het primaire besluit opgeschort wordt totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021 door middel van een Skype-verbinding. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was brigadier Y. Weterings van de politie aanwezig.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoeker is eigenaar van de woningen en de garage. Verzoeker woont zelf in de woning op nummer [huisnummer 2] . Verzoekers zoon woonde in de woning op nummer [huisnummer 1] . Naar aanleiding van politieonderzoek is het vermoeden ontstaan dat er drugs verhandeld werd vanuit de woningen en de garage. Bij een huiszoeking op 11 december 2020 is in de slaapkamer van de zoon van verzoeker (in de woning aan [straat] [huisnummer 1] ) het volgende aangetroffen:

- 134 XTC-pillen;

- vier zakjes met hierin cocaïne met een gewicht van 15,1 gram;

- verschillende goederen om drugs te verwerken: een weegschaal, een mes en een lepel met hierop resten cocaïne;

- twee nepvuurwapens;

- een patroonhouder (van een verboden vuurwapen);

- twee lege hulzen;

- een hoesje van een CD met hierop resten cocaïne.

Verder is in de vriezer in de keuken (eveneens in de woning van de zoon) 131,1gram amfetamine aangetroffen. In de kantoorruimte (de woning aan [straat] [huisnummer 2] ) zijn ten slotte 68 Kamagra pillen gevonden. Verweerder wil de woningen en de garage zes maanden sluiten om de bekendheid van de panden als plek waar drugs verhandeld wordt, teniet te doen en de openbare orde in de directe omgeving te herstellen.

Wat vinden partijen?

4. Verzoeker is van mening dat het niet nodig is om de woningen en de garage te sluiten. Het is duidelijk dat alleen zijn zoon verantwoordelijk was voor de handel in drugs. Omdat zijn zoon niet meer in de woning aan de [straat] [huisnummer 1] verblijft, is het gevaar dat de handel in drugs door zal gaan, geweken. Als desondanks toch sluiting van de woningen nodig is, dan is verzoeker van mening dat kan worden volstaan met de sluiting van de woning op nummer [huisnummer 1] , waar zijn zoon verbleef. Verzoeker zelf wordt niet verdacht van handel in drugs en in zijn woning zijn ook geen spullen aangetroffen die daarmee verband houden. Als verzoeker als gevolg van het besluit van verweerder niet meer in zijn woning en garage terecht kan, is dat een gevolg dat niet in verhouding staat tot de ernst van de zaak en het doel van de sluiting, gelet op het feit dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

5. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend, maar heeft ter zitting toegelicht bij zijn standpunt te blijven dat alle woningen gesloten moeten worden. Daarbij is voor verweerder van belang dat feitelijk sprake was van onderlinge verwevenheid tussen de woningen. Zo werd volgens verweerder ook vanuit de garage drugs verstrekt. De garage is verbonden met de woning op nummer [huisnummer 2] en fungeerde ook als toegang tot die woning. Daarbij was ook een inpandige doorgang van de woning op nummer [huisnummer 2] naar de woning op nummer [huisnummer 1] .

Wat zijn de regels?

6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd, voor zover van belang, tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid; dit betekent dat verweerder bij de uitoefening daarvan beleidsvrijheid en beoordelingsruimte heeft. Als in een woning een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, is daarmee in beginsel aannemelijk dat de gevonden drugs bestemd zijn voor de handel en is verweerder bevoegd tot sluiting van de woning over te gaan. Voor het antwoord op de vraag of verweerder rechtmatig van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, moet de rechtbank in ieder geval beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de sluiting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde. Vervolgens mag de sluiting – ook als deze noodzakelijk wordt geacht – geen gevolgen hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de sluiting wordt beoogd.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

Bevoegdheid

7. De voorzieningenrechter stelt met verzoeker vast dat de in de woning op nummer [huisnummer 2] gevonden Kamagra-pillen niet op Lijst I of II van de Opiumwet staan. Echter is niet in geschil dat in de woning op nummer [huisnummer 1] een ruime hoeveelheid harddrugs is aangetroffen en voorwerpen die verband houden met de handel in drugs. Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportage die is opgemaakt dat de politie meldingen heeft gehad die duiden op drugshandel vanuit de woningen en dat dit ook is waargenomen tijdens het politieonderzoek. De bevoegdheid van verweerder om de woningen te sluiten, staat daarmee vast. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat in de periode waar het in deze zaak over gaat een doorgang bestond tussen de twee woningen en ook de garage als toegang gebruikt werd, strekt de sluitingsbevoegdheid zich in principe uit over beide woningen en de garage van verzoeker.

Noodzaak

8. Vervolgens dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

9. Gelet op de hoeveelheid harddrugs en het feit dat het om verschillende soorten harddrugs ging, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter deze zaak niet ten onrechte als een ernstig geval aangemerkt. Het feit dat ook nepvuurwapens zijn aangetroffen naast spullen die werden gebruikt om de drugs mee te versnijden en dat daadwerkelijk verkoop van drugs vanuit de woningen is vastgesteld door de politie, versterkt de ernst van het feit en daarmee de noodzaak om de woningen te sluiten ter bescherming van het woon- en leefklimaat en in het belang van de openbare orde. Verweerder mocht daarom concluderen dat de sluiting van de woningen noodzakelijk is.

10. Verweerder heeft – naar aanleiding van vragen van de voorzieningenrechter –hierbij op zitting nog wel opgemerkt dat ook als alleen de woning op nummer [huisnummer 1] wordt gesloten daar een sterk signaal vanuit gaat voor de omgeving en personen die daar drugs kochten. De meerwaarde van een sluiting van alle woningen van verzoeker is in dat kader relatief klein.

Evenredigheid

11. De volgende vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of de sluiting van de woningen evenredig is. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 volgt dat verweerder gehouden is om alle omstandigheden van het geval te betrekken in haar beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

12. Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat verzoeker stelt in het geheel niet op de hoogte te zijn geweest van de aangetroffen goederen, doet daarom niet af aan de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot sluiting. De vraag of verzoeker een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat verzoeker op de hoogte was van de aangetroffen drugs en attributen in de woning op nummer [huisnummer 1] , waar zijn zoon verbleef. Verzoeker heeft verklaard dat hij één kamer in de woning op nummer [huisnummer 1] gebruikte als opslagplaats voor bedrijfsmaterieel en dat hij verder niet in de woning kwam waar zijn zoon verbleef. Hij sprak en zag zijn zoon weinig mede omdat de woningen op nummer [huisnummer 1] en [huisnummer 2] een eigen voordeur hebben. Verzoeker heeft voorts verklaard niets van drugsverkoop aan de deur gemerkt te hebben. Overdag werkte hij vanuit zijn garage en na werktijd ging hij altijd naar zijn vriendin. In de weekenden was verzoeker daar ook. De voorzieningenrechter heeft voorshands geen reden om aan deze verklaring van verzoeker te twijfelen. Aangezien uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat het dealen plaatsvond in de avonduren en met name op vrijdagavond, is het daarmee - anders dan verweerder heeft aangevoerd – mogelijk dat de aanloop van mensen die drugs kochten van de zoon van verzoeker, vooral plaatsvond op momenten dat verzoeker afwezig was. Gelet op het voorgaande en nu niet in geschil is dat verzoeker niet verdacht wordt van betrokkenheid bij de handel in drugs en het bezit daarvan, is aannemelijk dat de overtreding verzoeker niet te verwijten is.

14. Verzoeker heeft aangevoerd dat het in zijn belang is dat de woningen niet (allemaal) gesloten worden omdat hij voor zijn werk afhankelijk is van het gebruik van de garage en de door hem bewoonde woning en hij daarnaast zijn dochter en haar gezin wil huisvesten. Nu geen zwaarwegende argumenten zijn aangevoerd die maken dat het doel dat verweerder met de woningsluiting nastreeft, onvoldoende met de sluiting van enkel de woning op nummer [huisnummer 1] kan worden bewerkstelligd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker, gelet op het ontbreken van verwijtbaarheid aan zijn kant en zijn hiervoor genoemde belangen, onevenredig wordt getroffen door de sluiting van allebei de woningen en de garage. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat hij in redelijkheid tot de sluiting van beide woningen en de garage kon overgaan. Het enkele feit dat aannemelijk is dat de garage van verzoeker ook wel eens door de zoon van verzoeker gebruikt is om drugs te verkopen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat de bestuurlijke rapportage niet dermate gedetailleerd is dat hieruit kan worden afgeleid hoe vaak dit gebeurde in verhouding tot de verkoop van drugs aan de deur van de woning op nummer [huisnummer 1] . In ieder geval zijn in de garage geen drugs of attributen voor de handel daarin, aangetroffen. Ten slotte is in dit verband voor de uitstraling naar de omgeving mede van belang dat de garage aan de woning op nummer [huisnummer 2] gekoppeld is en inmiddels niet meer (exclusief) als hoofdtoegang tot die woning wordt gebruikt, nu de voordeur van de woning op nummer [huisnummer 2] weer is vrijgemaakt, zodat het feitelijk gebruik van de garage enigszins gewijzigd is ten opzichte van de periode waarin de handel in drugs plaatsvond. Al met al is de verwevenheid van de woningen en de garage niet zonder meer dusdanig dat de sluiting van al deze panden in redelijkheid evenredig is te achten.

Conclusie

15. Verweerder mocht gelet op het voorgaande in redelijkheid de woning aan de [straat] [huisnummer 1] sluiten. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de gevolgen van de sluiting van de garage en de woning aan respectievelijk nummer 33 en [huisnummer 2] in redelijkheid evenredig zijn met de met het besluit te dienen doelen. De voorzieningenrechter is onvoldoende gebleken van een toegevoegde waarde van sluiting van nummers 33 en [huisnummer 2] die tot een ander oordeel kan leiden. Het is dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter waarschijnlijk dat dit onderdeel van het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven.

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom (gedeeltelijk) toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 11 maart 2021 zal worden geschorst, voor zover daarin sluiting wordt bevolen van de garage en woning aan respectievelijk de [straat] 33 en [huisnummer 2] , tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

17. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit van 11 maart 2021, voor zover daarin sluiting wordt bevolen van de garage en de woning aan de [straat] 33 en [huisnummer 2] , tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    wijst het verzoek voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1068,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraken van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 en 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.