Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4297

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/1945
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ met terugwerkende kracht. – Afwijzing aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar is verleend in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. – Mensenhandel – Slachtofferschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde mr. C. Wesenbeek.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder:

  • -

    de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019 ingetrokken, en

  • -

    de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar is verleend in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam 1] , tolk.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] en heeft de Mongolische nationaliteit. Op 26 september 2017 heeft zij bij de politie aangifte gedaan van mensenhandel. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 9 oktober 2017 aan eiseres, met ingang van 26 september 2017, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend voor de duur van één jaar. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning later verlengd tot 26 september 2019.

1.2.

Op 3 januari 2019 heeft het Openbaar Ministerie (OM) beslist dat eiseres’ aangifte van mensenhandel niet zal leiden tot een nader strafrechtelijk onderzoek, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot mogelijke verdachten te komen. Op 28 januari 2019 heeft verweerder aan eiseres te kennen gegeven voornemens te zijn haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019 in te trekken. Op 5 maart 2019 heeft eiseres een zienswijze ingediend. Op 2 april 2019 heeft eiseres de in deze zaak aan de orde zijnde aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning aan haar is verleend, ingediend. Vervolgens is het primaire besluit genomen.

Het bestreden besluit

2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat weergegeven en voor zover voor deze uitspraak van belang – het volgende in. De aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ is met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019 ingetrokken, omdat eiseres vanaf die datum niet meer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar was verleend. Het OM heeft immers op 3 januari 2019 beslist dat eiseres’ aangifte van mensenhandel niet zal leiden tot een nader strafrechtelijk onderzoek.

De aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar is verleend in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ is afgewezen, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarden van de verzochte beperking.

Juridisch kader

3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is weergegeven in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Intrekking verblijfsvergunning ‘tijdelijke humanitaire gronden’

4.1.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het standpunt gesteld dat het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de intrekking van eiseres’ verblijfsvergunning is gehandhaafd niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiseres geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit voor zover daarbij haar verblijfsvergunning is ingetrokken.

4.2.

Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat haar bezwaar ook gericht was tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning. Hiervoor heeft zij verwezen naar de laatste alinea van pagina 5 van het aanvullend bezwaarschrift van 20 september 2019, waarin is aangevoerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’ achterwege blijft indien de aanvraag tot wijziging van de beperking wordt ingewilligd en waarin is verzocht de verblijfsvergunning op grond van de ‘Verblijfsregeling Mensenhandel’ niet in te trekken.

4.3.

Gelet op deze toelichting volgt de rechtbank eiseres in haar standpunt dat haar bezwaar ook was gericht tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning. Dit maakt dat het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de intrekking van eiseres’ verblijfsvergunning is gehandhaafd ontvankelijk is en inhoudelijk zal worden beoordeeld.

5.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat het intrekken met terugwerkende kracht van haar verblijfsvergunning onrechtmatig is. Hiertoe voert zij aan dat het intrekken met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning zoals die aan haar is verleend in strijd is met verweerders beleid in paragraaf B8/3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), met Richtlijn 2004/81/EG (van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie) – welke richtlijn volgens eiseres op onjuiste wijze is geïmplementeerd – en met Richtlijn 2011/36/EU (van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan). Verder voert eiseres hiertoe aan dat de intrekking met terugwerkende kracht van haar verblijfsvergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Ten slotte voert eiseres hiertoe aan dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Awb had moeten afzien van intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.

5.2.

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1574, voorop dat Richtlijn 2004/81/EG, voor wat betreft de vergunningverlening, is geïmplementeerd in (het destijds al deels bestaande) artikel 3.48, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiseres stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat deze richtlijn niet in een algemeen verbindend voorschrift – en daarmee op onjuiste wijze – is geïmplementeerd. Dat artikel 3.48, eerste lid, van het Vb nader is uitgewerkt in beleidsregels maakt niet dat er sprake is van een onjuiste wijze van implementeren.

5.3.

Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ worden verleend aan een vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Uit dit artikel, in samenhang bezien met paragraaf B8/3.1. van de Vc, volgt dat voor een verblijfsvergunning op deze grond voldoende is dat er een aangifte is gedaan van mensenhandel door de vreemdeling – die op grond daarvan wordt aangemerkt als ‘vermoedelijk slachtoffer’ – en dat daarnaar een strafrechtelijk onderzoek loopt.

5.4.

Aan eiseres was op de grondslag van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb een verblijfsvergunning verleend. Niet in geschil is dat eiseres door het besluit van het OM van 3 januari 2019 dat haar aangifte van mensenhandel niet zal leiden tot een nader strafrechtelijk onderzoek, niet meer voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb en daarmee niet meer aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar was verleend, zodat verweerder op grond van artikel 19 gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de verblijfsvergunning van eiseres mocht intrekken. Partijen houdt verdeeld of het met terugwerkende kracht intrekken van de vergunning rechtmatig is.

5.5.1.

De bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken vindt haar grondslag in artikel 19 gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3399. In deze uitspraak is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

“ Zoals door appellant terecht is opgemerkt, is noch in deze artikelen, noch elders in de Vw 2000, uitdrukkelijk bepaald dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Hieruit volgt evenwel niet dat dat in strijd zou zijn met het stelsel van de Vw 2000. Uit dat stelsel, in het bijzonder in aanmerking genomen de gronden van intrekking van zodanige vergunning, neergelegd in artikel 18, eerste lid, en de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels, neergelegd in het tweede lid, van die bepaling, volgt veeleer dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de minister om een verblijfsvergunning in te trekken tevens heeft beoogd een beslissing tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder die verblijfsvergunning was verleend.”

5.5.2.

De rechtbank overweegt dat de intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb niet in strijd is met verweerders beleid in paragraaf B8/3.2. van de Vc. Daarin is namelijk niet bepaald dat een dergelijke verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.

5.5.3.

De intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres stelt, evenmin in strijd met Richtlijn 2004/81/EG. Deze richtlijn, die dus in artikel 3.48, eerste lid, van het Vb is geïmplementeerd, voorziet in een verblijfstitel voor vreemdelingen die slachtoffer zijn van mensenhandel, zolang zij medewerking verlenen aan de autoriteiten bij de bestrijding van mensenhandel. Deze richtlijn voorziet niet in een verblijfstitel voor vreemdelingen van wie er geen medewerking (meer) is of van wie de autoriteiten de medewerking niet (meer) nodig vinden (vgl. de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak van 22 april 2014). Dit vindt zijn neerslag in onder meer artikel 14, aanhef en onder e, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de verblijfsvergunning te allen tijde kan worden ingetrokken indien de voorwaarden voor afgifte niet langer vervuld zijn, meer in het bijzonder wanneer de bevoegde autoriteiten besluiten de procedure stop te zetten. De richtlijn bevat geen bepaling die in de weg staat aan het intrekken van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot het moment waarop niet meer aan de voorwaarden werd voldaan.

5.5.4.

De intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres stelt, evenmin in strijd met Richtlijn 2011/36/EU. Deze richtlijn voorziet immers, zo staat uitdrukkelijk in punt 17 van de considerans, niet in een verblijfstitel voor vreemdelingen die slachtoffer zijn van mensenhandel (vgl. de hiervoor vermelde Afdelingsuitspraak van 22 april 2014). De verwijzing van eiseres naar punt 18 van de considerans kan haar niet baten, nu ook daaruit geen verblijfsaanspraak is af te leiden.

5.5.5.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder bevoegd is eiseres’ verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019 in te trekken.

5.6.1.

De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar stelling dat de intrekking met terugwerkende kracht van haar verblijfsvergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft in zijn voornemen van 28 januari 2019 uitdrukkelijk meegedeeld dat hij voornemens is haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019 in te trekken en heeft nadien geen mededeling gedaan die inhoudt dat de verblijfsvergunning, anders dan in het voornemen staat, niet met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken. In dit licht bezien heeft verweerder met de mededeling van procedurele aard in het voornemen, inhoudende dat eiseres een aanvraag voor voortgezet verblijf kan indienen en dat er niet tot intrekking van de verblijfsvergunning zal worden overgegaan totdat op de aanvraag voor voortgezet verblijf is beslist, bij eiseres niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat haar verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken indien zij een aanvraag om voortgezet verblijf zou indienen.

5.6.2.

Het beroep dat eiseres in dit kader heeft gedaan op artikel 4:84 van de Awb treft geen doel, omdat verweerder in dit kader niet de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb toekomt. Immers, bij zijn beslissing om eiseres’ verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken, heeft verweerder geen beleidsregel toegepast – in paragraaf B8/3.2. van de Vc staat namelijk niet dat een verblijfsvergunning die op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is verleend met terugwerkende kracht wordt ingetrokken – maar uitvoering gegeven aan artikel 19, in verbinding met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw.

5.6.3.

Wel moet verweerder, voordat hij besluit gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot intrekking met terugwerkende kracht, bezien of er zich omstandigheden voordoen die aanleiding geven om die bevoegdheid niet aan te wenden. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, overweegt de rechtbank dat zij dit betoog niet volgt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiseres haar stelling dat een intrekking met terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat er voorzieningen van haar teruggevorderd zullen worden, niet heeft onderbouwd met stukken en mitsdien niet aannemelijk heeft gemaakt (vgl. de Afdelingsuitspraak van 26 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9028).

5.6.4.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van eiseres’ verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 3 januari 2019.

5.7.

De onder 5.1. weergegeven beroepsgronden slagen niet.

Afwijzing aanvraag wijziging beperking in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’

6.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat het stellen van de eis dat de vreemdeling zijn slachtofferschap van mensenhandel aannemelijk moet maken (hierna: ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’) als voorwaarde voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb in verbinding met paragraaf B9/12 van de Vc, in strijd is met het beleid in paragraaf B8/3.1. van de Vc, met Richtlijn 2004/81/EG en met Richtlijn 2011/36/EU.

6.2.

Op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb, in samenhang bezien met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en paragraaf B9/12 van de Vc, voor zover hier van belang, verleent verweerder aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, indien het OM besluit niet tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan die vreemdeling aangifte heeft gedaan, een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als die vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij/zij Nederland verlaat.

6.3.

Deze bepalingen voorzien in de mogelijkheid om aan de vreemdeling die niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb om de reden dat het OM heeft besloten niet tot vervolging over te gaan – zoals in deze zaak het geval is – voortgezet verblijf toe te staan, indien hij/zij aannemelijk maakt dat van hem/haar om redenen die rechtsreeks verband houden met mensenhandel niet kan wordt gevergd dat hij/zij Nederland verlaat. In deze bepalingen ligt de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ besloten.

6.4.1.

De rechtbank overweegt dat het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van voormelde bepalingen niet in strijd is met verweerders beleid in paragraaf B8/3.1. van de Vc. Weliswaar wordt in paragraaf B8/3.1 van de Vc niet de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ gesteld als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3:48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb – een aangifte (en daaruit volgend vermoedelijk slachtofferschap) is daartoe voldoende – maar die paragraaf ziet op een verblijfsvergunning die om een geheel andere reden wordt verleend (namelijk: met het oog op medewerking bij de bestrijding van mensenhandel) dan de verblijfsvergunning die wordt verleend op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb in samenhang bezien met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het VV en paragraaf B9/12 van de Vc (namelijk: ter bescherming van de vreemdeling). Dat er in deze paragrafen van de Vc verschillende voorwaarden staan, maakt deze paragrafen dan ook niet tegenstrijdig. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat uit de Afdelingsuitspraak van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1082, volgt dat artikel 3.51, derde lid, van het Vb verweerder beslissingsruimte biedt, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort en dat het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor voormelde verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf niet onredelijk is.

6.4.2.

Het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van voormelde bepalingen is evenmin in strijd met Richtlijn 2004/81/EG. Nog daargelaten dat de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ ook in deze richtlijn besloten ligt – in artikel 3 van de richtlijn staat immers dat de richtlijn van toepassing is op vreemdelingen die “slachtoffer zijn” van mensenhandel – voorziet deze richtlijn, zoals reeds onder 5.5.3. is overwogen, niet in een verblijfstitel voor de vreemdeling van wie er geen medewerking (meer) is of (meer) nodig is bij de bestrijding van mensenhandel. Artikel 3.51, derde lid, van het Vb in verbinding met artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het VV en paragraaf B9/12 van de Vc, voor zover hiervoor aangehaald, voorziet daarentegen júíst in een verblijfsrecht voor de vreemdeling van wie er geen medewerking (meer nodig) is.

6.4.3.

Het stellen van de eis van ‘aannemelijkheid van slachtofferschap’ als voorwaarde voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van voormelde bepalingen is evenmin in strijd met Richtlijn 2011/36/EU. Zoals onder 5.5.4. al is overwogen, voorziet deze richtlijn niet in regels voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf. Hetgeen eiseres in dit kader over de in punt 18 van de considerans vermelde term “redelijke gronden” heeft aangevoerd, laat de rechtbank dan ook verder onbesproken.

6.5.

Gelet op het voorgaande slagen de onder 6.1. weergegeven beroepsgronden niet.

7.1.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel ertoe leidt dat verweerder in haar geval slachtofferschap van mensenhandel had moeten aannemen.

7.2.

Voor de afgifte van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is, zoals reeds onder 5.3. is overwogen, voldoende dat een vreemdeling aangifte doet van mensenhandel en dat daarnaar een strafrechtelijk onderzoek loopt. Op grond van die aangifte wordt het slachtofferschap van de vreemdeling vermoed, maar niet aannemelijk geacht of aangenomen. Dit is voor de vreemdeling gunstiger dan wat Richtlijn 2004/81/EG voorschrijft (vgl. overweging 6.4.2.). Uit het toekenningsbesluit van 9 oktober 2017 blijkt dat, in lijn met het vorenstaande, de verblijfsvergunning aan eiseres is verleend vanwege het feit dat zij op 26 september 2017 aangifte van mensenhandel heeft gedaan. Uit dit toekenningsbesluit noch enig ander stuk van verweerder blijkt dat verweerder bij de verlening van de verblijfsvergunning heeft beoordeeld of en heeft geoordeeld dat eiseres daadwerkelijk slachtoffer is van mensenhandel. Gelet hierop kon eiseres aan de verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat verweerder haar slachtofferschap heeft aangenomen. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep dat eiseres in dit kader heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel niet. Dat het OM niet heeft geconcludeerd dat er sprake is van een valse aangifte, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het OM verweerder niet is en bovendien het uitblijven van een dergelijke conclusie geenszins betekent dat de inhoud van de aangifte voor waar wordt aangenomen. De onder 7.1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.

8.1.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte, althans onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel.

8.2.

De stelling van eiseres in dit verband dat het OM, en niet verweerder, de aangewezen instantie is om de aannemelijkheid van slachtofferschap te beoordelen volgt de rechtbank niet. Zij verwijst hiervoor naar voormelde Afdelingsuitspraak van 29 maart 2018, waarin is overwogen dat het aan verweerder is om te beoordelen of de vreemdeling erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij/zij slachtoffer is van mensenhandel.

8.3.

De stelling van eiseres in dit verband dat verweerder geen beleidsregels heeft opgesteld ten behoeve van de beoordeling van de aannemelijkheid van een mensenhandelrelaas is juist. Echter, naar het oordeel van de rechtbank bestaat hiertoe geen verplichting voor verweerder en maakt het enkele ontbreken hiervan op zichzelf niet dat een beoordeling van verweerder van de aannemelijkheid van een mensenhandelrelaas niet inzichtelijk is. Wel zal verweerder een dergelijke beoordeling zorgvuldig moeten voorbereiden en deugdelijk moeten motiveren.

8.4.

De stelling van eiseres in dit verband dat zij, gelet op het feit dat de pilot ‘aannemelijkheid slachtofferschap mensenhandel’ van het Schadefonds Geweldsmisdrijven niet langer bestaat, onvoldoende mogelijkheden heeft gekregen haar slachtofferschap aannemelijk te maken, volgt de rechtbank evenmin. Eiseres is op 6 februari 2018 en 6 maart 2018 uitgebreid gehoord door de politie, team migratiecriminaliteit en mensenhandel, en daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om haar mensenhandelrelaas door middel van verklaringen aannemelijk te maken.

8.5.1.

Over verweerders beoordeling van de aannemelijkheid van eiseres’ mensenhandelrelaas overweegt de rechtbank als volgt.

8.5.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder van een vreemdeling die slachtoffer stelt te zijn van mensenhandel in beginsel mag verwachten dat hij/zij daarover voldoende concreet, consistent en gerijmd kan verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen die eiseres op 6 februari 2018 en 6 maart 2018 bij de politie heeft afgelegd niet concreet, maar summier en vaag zijn. Zo heeft eiseres – aangaande de eerste ‘mensenhandelperiode’ – zoals verweerder niet ten onrechte heeft gesteld, nauwelijks concrete informatie verschaft over [naam 2] , terwijl eiseres meerdere jaren onder dwang voor haar zou hebben gewerkt, en evenmin over de auto die gebruikt werd bij de vele winkeldiefstallen die zij onder dwang van [naam 2] zou hebben moeten plegen. Eiseres heeft alleen een algemene, weinig onderscheidende omschrijving gegeven van het uiterlijk van [naam 2] en over de auto heeft zij geen verdere beschrijving gegeven dan dat die grijs was. Verder heeft eiseres – aangaande de tweede ‘mensenhandelperiode’ – zoals verweerder niet ten onrechte heeft gesteld, nauwelijks concrete informatie verschaft over de drie vreemde mannen die haar in Groningen zouden hebben ontvoerd en haar nadien meermalen zouden hebben opgehaald ter seksuele uitbuiting en evenmin over de locatie waar dit steeds zou hebben plaatsgevonden en over de locaties waarop zij door de mannen zou zijn opgehaald, terwijl zij heeft verklaard in ieder geval één keer actief op zoek te zijn geweest naar een straatnaam om die door te kunnen geven aan de drie mannen. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring die eiseres op 6 maart 2018 bij de politie heeft afgelegd op onderdelen tegenstrijdig is met de verklaringen die zij op 17 september 2015 en 2 april 2016 bij de politie heeft afgelegd nadat zij was aangehouden op verdenking van winkeldiefstallen. Immers, op 6 maart 2018 heeft zij verklaard dat zij door [naam 2] – een vrouw die in Nederland aanwezig was – is gedwongen tot het plegen van meerdere winkeldiefstallen, terwijl zij op 17 september 2015 bij de politie heeft verklaard dat zij een telefoon heeft gestolen in ruil voor geld en op 2 april 2016 bij de politie heeft verklaard dat zij een winkeldiefstal heeft gepleegd onder dwang van een man die in Mongolië verblijft. Ten slotte heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte bevreemdend geacht eiseres’ verklaring dat zij de telefoon die zij van de drie mannen zou hebben gekregen – het enige tastbare bewijs in de zaak – bij de inval door de politie in haar woning uit het raam zou hebben gegooid.

8.5.3.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat eiseres geen stukken heeft overgelegd die haar mensenhandelrelaas ondersteunen en het OM heeft besloten dat eiseres’ aangifte van mensenhandel niet zal leiden tot een nader strafrechtelijk onderzoek, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn gegeven om tot mogelijke verdachten te komen, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is (geweest) van mensenhandel. In het verlengde hiervan ligt dat verweerder zich evenmin ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat van haar om redenen die rechtstreeks verband houden met mensenhandel niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat (vgl. voormelde Afdelingsuitspraak van 29 maart 2018).

8.6.

De onder 8.1. (en verder) weergegeven beroepsgronden slagen niet.

9. De beroepsgrond dat verweerder eiseres ten onrechte niet in de bezwaarfase heeft gehoord, slaagt evenmin. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en op hetgeen daartegen in bezwaar is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat aan voormelde maatstaf is voldaan. Verweerder heeft daarom van het horen van eiseres kunnen afzien.

10. De slotsom is dat verweerder de aanvraag van eiseres tot het wijzigen van de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan haar is verleend in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ heeft kunnen afwijzen.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 april 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Op grond van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan.

Op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden voorts worden verleend aan bij ministeriële regeling aangewezen categorieën vreemdelingen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid. In de ministeriële regeling kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV)

Op grond van artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het VV zijn als categorie vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3.51, derde lid, van het Besluit aangewezen vreemdelingen met het verblijfsdoel verblijf na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel.

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

Paragraaf B8/3.1. van de Vc luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie of KMar is doorgestuurd naar de IND.

[…]

De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op wie de Dublinverordening niet van toepassing is binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de kennisgeving van een aangifte mensenhandel door een vreemdeling door de politie of KMar aan de IND is verzonden.

Op grond van paragraaf B8/3.2. van de Vc trekt de IND de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel dat aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt in als geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

Paragraaf B9/12 van de Vc luidt als volgt.

Op grond van artikel 3.51, derde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, VV verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, en b, en g, Vb, als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

  1. de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en dat heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b, en g, Vb;

  2. er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar onafgebroken op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland.

Ad 1 en 2

Een vervolgingsbeslissing is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.

Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1 en 2 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.

De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:

  • -

    risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

  • -

    risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en

  • -

    de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.