Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
NL21.3154
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.3154

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Mackic).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.3155, plaatsgevonden op 8 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Eritrese nationaliteit. Op

18 november 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek krachtens artikel 34 van de Dublinverordening in Zweden is gebleken dat eiseres een verblijfsvergunning heeft in Zweden vanwege familiebanden. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder op 6 januari 2021 aan Zweden gevraagd om eiseres terug te nemen op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. De Zweedse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 29 januari 2021.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Het rapport gehoor van 15 januari 2021 is niet aan eiseres ter beschikking gesteld, wat maakt dat zij daarop geen correcties een aanvullingen heeft kunnen geven. Verweerder heeft het bestreden besluit prematuur genomen, nu eiseres een kansrijke aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft ingediend waarop uiterlijk 23 april 2021 zal worden besloten. Verweerder heeft dit ten onrechte niet meegenomen in de toetsing en overweegt in het bestreden besluit ten onrechte dat sprake moet zijn van specialistische behandeling en/of dat Nederland voor de medische behandeling het meest aangewezen land is. Ook gaat verweerder in het bestreden besluit zowel in het kader van de toetsing in het licht van artikel 9 en artikel 17 van de Dublinverordening ongemotiveerd voorbij aan het feit dat eiseres inmiddels een (duurzame) relatie is aangegaan met de biologische vader van het kind. Verweerder stelt verder ten onrechte dat de zwangerschap niet per definitie een rechtens relevante afhankelijkheid betekent en voorts stelt eiseres dat zij een geslaagd beroep kan doen op artikel 16 van de Dublinverordening. Verweerder gaat ten onrechte voorbij aan de vrees van eiseres door te overwegen dat Zweden partij is bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor eiseres bestaat geen mogelijkheid om bescherming bij de Zweedse autoriteiten te kunnen vragen. Ook betrekt verweerder de aangedragen omstandigheden ten onrechte niet in de toetsing in het licht van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder stelt in het onderhavige besluit enkel de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat vast. Dat eiseres een aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 heeft ingediend, maakt nog niet dat verweerder hierin reden moet zien deze beslissing uit te stellen. Zoals ter zitting is bevestigd, heeft verweerder nog niet op de artikel 64 Vw 2000 aanvraag beslist. Het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte overweegt dat sprake moet zijn van specialistische behandeling en/of dat Nederland voor de medische behandeling het meest aangewezen land is, slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Verweerder heeft in het kader van de gestelde omstandigheden terecht beoordeeld of in deze omstandigheden aanleiding moet worden gezien om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken. Gelet hierop heeft verweerder in het bestreden besluit kunnen overwegen dat eiseres geen recente medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij onder specialistische behandeling is of deze behoeft en er geen aanwijzingen zijn dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres te behandelen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het gegeven dat eiseres zwanger is, geen reden vormt om haar asielverzoek onverplicht in behandeling te nemen.

6. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het door eiseres gestelde feit dat zij inmiddels een (duurzame) relatie heeft met de biologische vader van haar kind waarvan zij inmiddels is bevallen. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat verweerder in het bestreden besluit eiseres gemotiveerd heeft tegengeworpen dat zij dit in haar gehoren niet naar voren heeft gebracht en dat zij dit voorts evenmin middels stukken aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiseres stelt dat zij ten tijde van de gehoren geen wetenschap had van het feit dat haar gestelde partner in Nederland verbleef en toelating genoot, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat sprake is van gezinsleden in de zin van de Dublinverordening zodat eiseres geen geslaagd beroep op artikel 9 van de Dublinverordening toekomt. Verweerder heeft zich bovendien op het standpunt kunnen stellen dat eiseres evenmin een geslaagd beroep kan doen op artikel 16 van de Dublinverordening omdat eiseres niet voldoet aan de verschillende voorwaarden die artikel 16 van de Dublinverordening stelt. Dat eiseres inmiddels is bevallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft in de gestelde relatie dan ook voorts geen reden hoeven zien om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

7. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan haar vrees om terug te keren naar Zweden. Eiseres heeft daartoe gesteld dat zij in Zweden voor wat betreft bijvoorbeeld haar verblijf, levensonderhoud en onderdak afhankelijk is van haar moeder, die haar beledigt, bedreigt en zelfs mishandelt. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte gesteld dat onder meer van belang is dat Zweden partij is bij het EVRM en eiseres zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de Zweedse autoriteiten dan wel de geëigende instanties. Dat het voor eiseres niet mogelijk is om deze hulp in te roepen, is niet onderbouwd. Dit maakt dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen reden heeft hoeven zien de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken.

8. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het rapport van gehoor van 15 januari 2021 niet ter beschikking is gesteld, wat maakt dat zij daarop geen correcties en aanvullingen heeft kunnen geven, overweegt de rechtbank als volgt. Nu eiseres in beroep niet nader heeft gespecificeerd welke mogelijke correcties en aanvullingen zij had willen aanbrengen en niet nader heeft onderbouwd welke invloed het ontbreken van deze mogelijkheid heeft gehad op de totstandkoming van de inhoud van het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze omstandigheid gevolgen te verbinden.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.Y. Majoor, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.