Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4149

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
C/09/581421 / FA RK 19-7318, C/09/587562 / FA RK 20-339
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: opname ouderschapsplan, beslissing over de kinder- en partneralimentatie. Rechtbank verklaart, onder verwijzing naar artikel 827 lid 1 onder f Rv, de vrouw niet-ontvankelijk in haar nevenverzoeken die zien op de vernietiging van de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden en de onderliggende vaststellingsovereenkomst, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de hiermee samenhangende financiële nevenverzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 19-7318 (echtscheiding)

FA RK 20-339 (afwikkelen huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummers: C/09/581421 (echtscheiding)

C/09/587562 (afwikkelen huwelijkse voorwaarden)

Datum beschikking: 15 april 2021

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 13 september 2019 ingekomen verzoek van:

[X] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] , feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 1] ,

advocaat: mr. S.C. Meijler te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de man,

wonende te [woonplaats 2] , feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 2] ,

advocaat: mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier van 17 oktober 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken van 4 december 2019 van de zijde van de man;

  • -

    het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens inhoudende een aanvullend verzoek van 28 januari 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 27 februari 2020 van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 27 februari 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 12 maart 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 12 maart 2020 van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier van 4 juni 2020 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 22 februari 2021, met bijlagen, inhoudende een aanvullend verzoek, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 22 februari 2021, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het e-mailbericht van 3 maart 2021, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het e-mailbericht van 3 maart 2021, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier van 3 maart 2021, met bijlage, van de zijde van de man.

De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

Op 4 maart 2021 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten en [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Bij de zitting was ook aanwezig mr. W.E. Povel, een kantoorgenoot van mr. P.N.M. de Gier.

Tijdens de zitting zijn zowel van de zijde van de man als van de zijde van de vrouw pleitnotities overgelegd en deels voorgedragen.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om na de zitting, samen met hun advocaten, te proberen alsnog tot overeenstemming te komen.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het e-mailbericht van 16 maart 2021 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier van 19 maart 2021 van de zijde van de man.

Feiten

  • -

    De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2005 te [huwelijksplaats] .

  • -

    Zij zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ;

o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] .

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat op dit moment luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- opname van het ouderschapsplan in de beschikking;

- vaststelling van door de man te betalen kinderalimentatie van € 720,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 7.000,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden:

- bepaling dat de man op grond van artikel 21 en artikel 22 Rv de informatie zoals opgenomen in punt 9 van het aanvullend verzoek van 28 januari 2020 moet verschaffen en de op zijn stellingen betrekking hebbende bescheiden in het geding moet brengen;

- primair: de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 25 mei 2012 en de onderliggende vaststellingsovereenkomst te vernietigen en de wijze van afwikkeling van de initiële akte huwelijkse voorwaarden uit 2005 vast te stellen, op de wijze zoals nader door de vrouw zal worden verzocht;

- subsidiair: vaststelling van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform het nader door de vrouw in te dienen voorstel;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert geen verweer tegen de echtscheiding en het verzoek over de opname van het ouderschapsplan. De man voert verweer tegen de overige verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hiernaast heeft de man thans zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid

De rechtbank Den Haag is op grond van artikel 262 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen, nu de vrouw en de man allebei in de BRP staan ingeschreven als wonende te [woonplaats 1 en 2] en [woonplaats 1 en 2] buiten het arrondissement van de rechtbank Den Haag valt. De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift van de man dat hij de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag niet betwist (artikel 270 lid 2 Rv). Nu geen van partijen een verwijzing wenst, zal de rechtbank de voorliggende verzoeken behandelen en beoordelen.

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

De man en de vrouw hebben tijdens de zitting alsnog een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan ingediend. Nu hiermee aan de wettelijke formaliteiten zoals genoemd in artikel 815 Rv is voldaan, zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man erkend en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken over en weer ingediende verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Opname ouderschapsplan

De man en de vrouw hebben in de loop van de procedure afspraken gemaakt over de kinderen. De ouders hebben deze afspraken – die onder meer zien op de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – vastgelegd in een tijdens de zitting ondertekend ouderschapsplan. Hetgeen eerder meer of anders is verzocht over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling is tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking en zal een kopie van het ouderschapsplan aan deze beschikking hechten.

Kinderalimentatie

De ouders hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de door de man te betalen kinderalimentatie, omdat zij van mening verschillen over de toe te passen zorgkorting. De rechtbank zal daarom op dat punt een beslissing nemen.

Ingangsdatum

De ouders zijn het erover eens om uit te gaan van de datum van deze beschikking als ingangsdatum.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Tussen de ouders is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in 2017) € 1.450,- per maand is. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt de behoefte € 1.585,- per maand. Dit is

€ 792,50 per kind per maand.

Draagkracht ouders

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken dat de man en de vrouw ervanuit gaan dat de vrouw in het kader van de kinderalimentatie een minimale draagkracht heeft van € 50,- per maand. De hoogte van het huidige inkomen van de man is een geschilpunt tussen de ouders, maar nu de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd en tussen de ouders vaststaat dat hun gezamenlijke draagkracht voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zal de rechtbank hier verder niet op ingaan.

Zorgkorting

De man maakt aanspraak op toepassing van een zogenoemde zorgkorting op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. Tussen de ouders is in geschil of met een percentage van 15% of 25% zorgkorting moet worden gerekend.

De rechtbank volgt in dit opzicht het Rapport alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. In het ouderschapsplan is een zorgregeling opgenomen die inhoudt dat de kinderen iedere 14 dagen een lang weekend bij hun vader zijn van vrijdagmiddag tot zondagavond. Nu de man hiermee gemiddeld een dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , geldt een percentage van 15%. Dat hiernaast de vakanties en feestdagen volgens het ouderschapsplan ‘steeds zo veel mogelijk bij helfte worden gedeeld’, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet het toepassen van een zorgkorting van 25%.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank dus het standpunt van de vrouw. De rechtbank volgt daarom ook de vrouw in haar (in de pleitnotitie opgenomen) berekening dat de man na aftrek van de zorgkorting een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 661,85 per kind per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van heden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 661,85 per kind per maand aan de vrouw zal moeten betalen.

Partneralimentatie

Behoefte vrouw

De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van een behoeftelijst (productie 6) gesteld op € 4.618,04 netto per maand.

De man stelt dat de behoefte van de vrouw € 3.114,71 netto per maand is, waarbij hij de volgende posten van de behoeftelijst heeft betwist:

  1. vakantie

  2. voeding, verzorging, kapper

  3. uitjes en cadeaus

  4. afschrijving auto

  5. benzine

  6. opleiding

De rechtbank zal hierna de door de man betwiste posten bespreken en beoordelen.

Vakantie

De rechtbank zal rekening houden met het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 7.500,- per jaar (€ 625,- per maand) voor vakanties. Dit bedrag komt de rechtbank, gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk, niet onredelijk voor.

Voeding, verzorging, kapper

De rechtbank vindt het gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk redelijk om voor de vrouw rekening te houden met de door de vrouw opgevoerde € 750,- per maand.

Uitjes en cadeaus

De rechtbank zal rekening houden met in totaal € 200,- per maand, nu haar dit bedrag niet onredelijk voorkomt.

Afschrijving auto

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom rekening zou moeten worden gehouden met een hoog bedrag van € 1.333,33 per maand. De rechtbank acht het redelijk om – zoals de man stelt – rekening te houden met een reservering van € 500,- per maand.

Benzine

De rechtbank zal, gelet op de standpunten van partijen, in redelijkheid rekening houden met € 90,- per maand voor benzine.

Opleiding

De man heeft deze post gemotiveerd betwist en verklaard bereid te zijn aan kosten voor een opleiding bij te dragen, wanneer de vrouw daadwerkelijk een opleiding volgt. De rechtbank zal geen rekening houden met de kosten voor een opleiding van € 300,- per maand, nu tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw op dit moment geen opleiding volgt en zich ook nog niet concreet heeft georiënteerd op wat voor opleiding zij, per wanneer, wil gaan volgen.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande en rekening houdend met de posten van de behoeftelijst die niet zijn betwist uit op een behoefte van € 3.424,71 netto per maand. De rechtbank zal daarom een behoefte van afgerond 3.425,- netto per maand als uitgangspunt nemen.

Behoeftigheid vrouw

De vrouw heeft op dit moment geen inkomen uit arbeid. Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vrouw verdiencapaciteit heeft om (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft op dit punt gesteld dat de vrouw geacht kan worden € 1.000,- netto per maand te verdienen.

De rechtbank vindt het redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en kan benutten. Hoewel de vrouw tot op heden nog geen sollicitatiepogingen heeft ondernomen, is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om een betaalde baan de vinden, zodat zij in ieder geval deels in haar eigen levensonderhoud kan gaan voorzien. De vrouw is nog jong, 37 jaar, en naar het oordeel van de rechtbank hoeft de zorg voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de vrouw niet te beperken in het vinden van (parttime) werk. De vrouw heeft tijdens de zitting zelf ook aangegeven dat zij wel wil gaan werken. Nu de vrouw op dit moment enkel haar Mavodiploma heeft en de vrouw heeft aangegeven graag een (vervolg)opleiding te willen gaan volgen, vindt de rechtbank het niet redelijk om meteen rekening te houden met een verdiencapaciteit van € 1.000,- netto per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om de vrouw enige tijd te gunnen om een dergelijk inkomensniveau te bereiken. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande redelijk om nu uit te gaan van een verdiencapaciteit van € 500,- netto per maand en een jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand met een verdiencapaciteit van € 1.000,- netto per maand. Dit betekent dat de rechtbank als uitgangspunt neemt dat de vrouw op dit moment nog een behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud van (3.425 - 500 =) € 2.925,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto behoefte van € 5.031,- per maand. Een jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand heeft de vrouw nog een aanvullende behoefte van (3.425 - 1.000 =) € 2.425,- per maand. Dit komt overeen met een bruto behoefte van € 4.073,- per maand.

Draagkracht man

De man heeft geen draagkrachtverweer gevoerd, zodat ervanuit kan worden gegaan dat de man voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 5.031,- bruto per maand respectievelijk € 4.073,- bruto per maand aan de vrouw te betalen.

Aftrekbaarheid partneralimentatie

De fiscale aftrekbaarheid van partneralimentatie wordt vanaf 2020 stapsgewijs (verder) verlaagd. De afbouw van het aftrekpercentage is – voor zover nu bekend – als volgt: 43% in 2021, 40% in 2022 en 37% in 2023. De man heeft de rechtbank gevraagd hier rekening mee te houden bij haar beslissing. De rechtbank is echter van oordeel dat er op dit moment onvoldoende zicht is op de verdere (financiële) situatie van partijen in de jaren 2022 en volgende om op basis van de aftrekbeperking de partneralimentatie voor toekomstige jaren vast te stellen. Daar komt bij dat de beperking van de fiscale aftrekbaarheid van partneralimentatie voorwerp is van politiek debat, met als gevolg dat deze ook nog anders zou kunnen uitpakken dan door de man voorzien. De rechtbank kan en zal hier dan ook niet op vooruitlopen. De rechtbank verwacht dat, mocht de fiscale wetgeving hiertoe aanleiding geven, partijen samen (met hun advocaten) in staat zullen zijn om nadere afspraken te maken over de partneralimentatie.

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande beslissen dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van

€ 5.031,- bruto per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw zal moeten betalen. Deze bijdrage zal – gelet op de verdiencapaciteit van de vrouw – een jaar na inschrijving van de echtscheiding € 4.073,- bruto per maand bedragen. Het meer of anders verzochte over de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken het volgende gebleken. De man en de vrouw hebben, voor de voltrekking van het huwelijk, huwelijkse voorwaarden laten opmaken die zijn opgenomen in de akte van 7 november 2005. In deze oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden is – kort gezegd – afgesproken dat de echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen en dat sprake is van een periodiek verrekenbeding. Tijdens het huwelijk hebben de man en de vrouw de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Dit is gebeurd op 25 mei 2012 bij ‘akte houdende vaststellingsovereenkomst en wijziging huwelijkse voorwaarden’. Deze akte bestaat uit deel A, aangemerkt als vaststellingsovereenkomst, en deel B, de gewijzigde huwelijkse voorwaarden. In deel A zijn afspraken opgenomen over de uitvoering van het niet nageleefde periodieke verrekenbeding. Onder meer is de verrekenvordering van de vrouw per 31 december 2010 van € 271.584,- opgenomen en is – kort gezegd – bepaald dat ten aanzien van deze verrekenvordering, zodra de jaarrekeningen definitief zijn vastgesteld, nog een nacalculatie moet worden gemaakt voor het jaar 2011 en de periode 1 januari 2012 tot 25 mei 2012. De rechtbank begrijpt dat de uitvoering van de nacalculatie tot op heden niet heeft plaatsgevonden. Het uitgangspunt van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden is verder dat tussen de echtgenoten een gemeenschap van inboedel bestaat en dat zij elke andere gemeenschap van goederen uitsluiten. Hierbij is een finaal verrekenbeding afgesproken inhoudende dat bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding zal worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, evenwel met uitsluiting van de vermogensbestanddelen genoemd in artikel 15.2.

Partijen zijn het over de uitvoering en de uitleg van de akte van 25 mei 2012 niet (langer) eens. De vrouw verzoekt de rechtbank om de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden en de onderliggende vaststellingsovereenkomst te vernietigen en vervolgens de wijze van

afwikkeling van oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden vast te stellen op de wijze zoals nog nader zal worden verzocht. Zij beroept zich hierbij op benadeling voor meer dan een kwart (artikel 1:135 in samenhang met artikel 3:196 BW) dan wel op de wilsgebreken als omschreven in artikel 3:44 BW, of dwaling (artikel 6:228 BW). De man betwist dat er iets mis is gegaan en maakt bezwaar tegen dit verzoek.

De rechtbank neemt – net als partijen – als uitgangspunt dat het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de huwelijkse voorwaarden moet worden aangemerkt als een verzoek dat valt onder artikel 827 lid 1 onder f Rv. Volgens dit artikel kan de rechtbank ‘een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding (…) en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden’. Voor het in behandeling nemen van dergelijke verzoeken worden twee voorwaarden gesteld. In dit geval moet de rechtbank dus beoordelen 1) of het verzoek voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, en zo ja, 2) of de behandeling van het verzoek niet tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Wordt niet aan beide voorwaarden voldaan, dan zal de verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank kwalificeert de vraag of de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden en de onderliggende vaststellingsovereenkomst moeten worden vernietigd als ‘voorvraag’ die eerst beantwoord moeten worden voordat kan worden overgegaan tot behandeling van het nevenverzoek over eventuele afwikkeling van de (oorspronkelijke of gewijzigde) huwelijkse voorwaarden en de verdeling van gemeenschappelijk eigendom.

De rechtbank is vervolgens evenwel van oordeel dat de behandeling van het verzoek tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Dit komt mede doordat de rechtbank bij de behandeling van het verzoek verschillende juridische leerstukken zal moeten beoordelen waarover partijen onverminderd van mening verschillen. Dit gaat naast de hiervoor genoemde punten (benadeling en wilsgebreken, waaronder dwaling), ook over de vraag of de gesloten overeenkomst in al haar onderdelen kan worden gekwalificeerd als vaststellingsovereenkomst en of deze (vaststellings)overeenkomst vervolgens kan worden aangetast. Verder speelt mee dat er onduidelijkheid is over de vennootschappen waar de man bij is betrokken en welke vennootschappen – na uitleg van het begrip ‘in overwegende mate’ – als rechtstreeks door de man uitgeoefende onderneming moeten worden aangemerkt. De rechtbank is in het verlengde van het voorgaande van oordeel dat zij op dit moment bovendien over onvoldoende informatie beschikt om alle voorliggende punten naar behoren te kunnen beoordelen. Hiervoor zal hoogstwaarschijnlijk onder meer nodig zijn dat de rechtbank ingaat op het door beide partijen geopperde bewijsaanbod om getuigen – onder wie de notaris en de adviseurs van Deloitte die betrokken waren bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en de gewijzigde huwelijkse voorwaarden – te doen horen. Nadat de voorvragen zijn beoordeeld, kan de rechtbank pas toekomen aan een oordeel over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarbij bovendien ook speelt dat (nog) onvoldoende duidelijkheid is over de omvang van de totale vermogensrechtelijke afwikkeling.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar nevenverzoeken die zien op de vernietiging van de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 25 mei 2012 en de onderliggende (vaststellings)overeenkomst, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de hiermee samenhangende financiële nevenverzoeken.

Gelet op deze beslissing, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw dat ziet op het door de man in het geding brengen van door de vrouw opgesomde bescheiden afwijzen.

De afspraken over de spaarrekening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

De man en de vrouw hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij allebei beheerder zullen worden van de door de man bij de ING Bank geopende spaarrekeningen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank gaat ervanuit dat partijen dit in onderling overleg zullen regelen. De rechtbank beschouwt het eerder door de vrouw ingediende verzoek als ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;

*

bepaalt dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , van € 661,85 per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 5.031,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welke bijdrage een jaar na inschrijving van de echtscheiding wordt verminderd tot € 4.073,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat zij allebei beheerder zullen worden van de door de man bij de ING Bank geopende spaarrekeningen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

verklaart, onder verwijzing naar artikel 827 lid 1 onder f Rv, de vrouw niet-ontvankelijk in haar nevenverzoeken die zien op de vernietiging van de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 25 mei 2012 en de onderliggende vaststellingsovereenkomst, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de hiermee samenhangende financiële nevenverzoeken;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.Th.W. van Ravenstein, M. Dam en T.M. Coppes, rechters, tevens kinderrechter, in samenwerking met mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2021.