Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4129

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
9059358 \ EJ VERZ 21-91629
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer na ontslag op staande voet ingehuurd als zzp’er voor dezelfde werkzaamheden. Werknemer is niet rechtsgeldig op staande voet ontslagen. Toekenning transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0527
Prg. 2021/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

Zaaknummer: 9059358 EL VERZ 21-91629

Beschikking van de kantonrechter d.d. 20 april 2021 (bij vervroeging) in de zaak van:

[verzoeker tevens verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, tevens verwerende partij,

hierna te noemen: [verzoeker tevens verweerder] ,

gemachtigde: mr. R.J. Maassen,

tegen

de besloten vennootschap Floor Facility Services B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Gouda,

verwerende partij, tevens verzoekende partij,

hierna te noemen: FFS,

gemachtigde: mr. A.C. Hermes.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken, uit welke stukken tevens het verloop van de procedure blijkt:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 maart 2021;

- het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek;

- de spreekaantekeningen van mr. Maassen ten behoeve van de mondelinge behandeling van deze zaak op 2 april 2021;

- de spreekaantekeningen van mr. Hermes ten behoeve van de zojuist bedoelde mondelinge behandeling;

- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak.

2 De beoordeling

2.1

[verzoeker tevens verweerder] verzoek in deze procedure, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van FFS om:

1. aan hem te betalen de transitievergoeding ad € 1.264,59;

2. aan hem te betalen de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad € 2.052,60 bruto;

3. aan hem te betalen de billijke vergoeding ad € 11.178,17 bruto;

4. FFS te veroordelen om hem, binnen 14 dagen na de datum waarop deze beschikking wordt gegeven, te verstrekken de bruto/netto-specificaties waarin alle hiervoor verzochte betalingen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 50,= per dag voor iedere dag dat FFS hieraan niet voldoet, met een maximum ad € 5.000,=;

met veroordeling van FFS in de kosten van de procedure en de nakosten.

2.2

[verzoeker tevens verweerder] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag. FFS houdt zich bezig met het reinigen en onderhouden van vloeren, dieptereiniging, werkplekreiniging en bouwservices. [verzoeker tevens verweerder] is op 1 februari 2019 bij haar in de functie van Medewerker schoonmaakonderhoud vloeren I in dienst getreden. Deze dienstbetrekking is vanaf 20 mei 2020 gaan gelden voor onbepaalde tijd. Het betreft een min-maxcontract voor minimaal 8 uren per vier weken. De gebruikelijke werkzaamheden van [verzoeker tevens verweerder] bestonden uit bouwruimingen (het opruimen van de bouwplaats gedurende uitvoering van de werkzaamheden). Voor het woon- werkverkeer gebruikte [verzoeker tevens verweerder] de bedrijfsbus van FFS. Hij mocht deze bus incidenteel aan het einde van de werkdag mee naar huis nemen, wanneer hij deze de volgende dag weer nodig had voor het werk. Hij heeft met deze bus privékilometers gereden. Dit betroffen kleine ritten naar het huis van [verzoeker tevens verweerder] en incidenteel naar het huis van zijn moeder. Tijdens het werk was [verzoeker tevens verweerder] onder andere verantwoordelijk voor de afvoer van het afval. Dat werd op verschillende plaatsen op de bouwplaats ingezameld in bakken, welke [verzoeker tevens verweerder] in een container leegde. Het kwam voor dat er oude koperen leidingen tussen het afval lagen. De medewerkers van FFS vroegen in een voorkomend geval toestemming om de koperen leidingen mee te mogen nemen om deze zelf in te leveren bij een oud metaalhandel. [verzoeker tevens verweerder] heeft ook, na toestemming, koperen buizen uit het bouwafval mogen halen en mogen meenemen. De leidinggevende van [verzoeker tevens verweerder] , [leidinggevende] , heeft [verzoeker tevens verweerder] bij een bouwruiming op 1 december 2020 zelfs een doos met koper aangereikt om mee te nemen. [verzoeker tevens verweerder] heeft dat toen overigens niet willen aannemen. Op 28 – en niet op 23 – december 2020 is [verzoeker tevens verweerder] als donderslag bij heldere hemel op staande voet ontslagen door de directeur van FFS ( [directeur] ), omdat hij ondanks waarschuwingen te laat zou zijn verschenen op het werk, omdat hij de bedrijfsbus voor privé zou hebben gebruikt en vanwege de diefstal op het werk van koper. Tijdens het gesprek daarover heeft FFS ter sprake gebracht dat zij hem met ingang van 1 januari 2021 als zzp’er in wilde huren voor het werk dat hij op basis van zijn arbeidsovereenkomst voor haar deed. [verzoeker tevens verweerder] heeft hiermee ingestemd. Dezelfde dag heeft hij de directeur van FFS zijn bedrijfsgegevens toegezonden, zodat de daarvoor benodigde overeenkomsten opgesteld konden worden. Op 18, 21 en 29 januari 2021 en 1 en 18 februari 2021 heeft [verzoeker tevens verweerder] als zzp’er in de functie van werkplekreiniger voor FFS gewerkt. Bij brief d.d. 22 februari 2021 heeft de gemachtigde van [verzoeker tevens verweerder] aan FFS te kennen gegeven dat [verzoeker tevens verweerder] zich niet kon verenigen met het hem gegeven ontslag. FFS heeft niet op dat ontslag willen terugkomen. Naar aanleiding de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen, voert [verzoeker tevens verweerder] het volgende aan. Hij is in 2020 incidenteel (twee maal) ’s ochtends enkele minuten te laat op het werk gearriveerd. De niet gewerkte tijd heeft hij direct gecompenseerd door langer door te werken. Het te laat op het werk komen heeft zich voorgedaan ver voor de datum waarop FFS hem heeft ontslagen. Aanleiding om hem in verband hiermee op staande voet te ontslaan is er niet. [verzoeker tevens verweerder] heeft verschillende keren met toestemming van FFS gebruik gemaakt van de bedrijfsbus om van en naar huis te gaan. Ook dit, zelfs indien niet zou komen vast te staan dat [verzoeker tevens verweerder] de bus met toestemming van FFS heeft mogen gebruiken, levert geen geldige reden op voor zijn ontslag. Van diefstal van koper is, zoals hiervoor al uiteen is gezet, geen sprake, zodat ook dit geen grond oplevert voor het ontslag. Het feit dat FFS [verzoeker tevens verweerder] aansluitend op het ontslag als zzp’er is gaan inhuren toont aan dat FFS niet van hem, maar van zijn arbeidsovereenkomst af wilde. [verzoeker tevens verweerder] berust in het hem gegeven ontslag, maar maakt aanspraak op de betaling van de transitievergoeding ad € 1.264,59 bruto, op de billijke vergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsrelatie. Bij de vaststelling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging neemt [verzoeker tevens verweerder] het volgende in aanmerking. Hij heeft blijkens de jaaropgaaf 2020 in 2020 bij FFS verdiend een bedrag ad € 23.869,= (€ 1.989,08 bruto per maand). In de periode september tot en met november 2020 heeft hij bij FFS verdiend een bedrag ad gemiddeld € 1.818,02 per maand inclusief alle emolumenten. FFS had bij de opzegging een opzegtermijn in acht moeten nemen van 1 maand. Zij had aldus voor het eerst rechtsgeldig kunnen opzeggen tegen 1 februari 2018. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is daarom te stellen op het loon over de periode vanaf 28 december 2020 tot 1 februari 2021, derhalve op een bedrag ad (zoals [verzoeker tevens verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd) € 2.052,60 bruto. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding neemt [verzoeker tevens verweerder] het volgende in aanmerking. Indien FFS hem niet op staande voet had ontslagen zou zij waarschijnlijk een disfunctioneringstraject met hem zijn gestart. De duur van dat traject is te stellen op zes maanden. Voor zover dat traject niet met succes zou zijn doorlopen, zou het einde van de arbeidsovereenkomst (door ontbinding) niet te verwachten zijn geweest vóór 1 augustus 2021. In dat geval zou hij tot laatstgenoemde datum recht hebben gehad op loon en op een hogere transitievergoeding. Het loon over de periode vanaf 29 december 2020 tot 1 augustus 2021 is te stellen op een bedrag ad (inclusief de gederfde transitievergoeding) € 11.178,17 bruto. De billijke vergoeding is op dat bedrag vast te stellen. De stelling van FFS, dat zij als gevolg van de Corona pandemie heeft te kampen met financiële moeilijkheden, heeft zij niet onderbouwd en wordt betwist.

2.3

FFS heeft verzocht om [verzoeker tevens verweerder] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans om deze af te wijzen, met veroordeling van hem in de kosten van de procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na de dag waarop deze beschikking wordt gegeven. Daartoe voert zij het volgende aan. De directeur van FFS, ( [directeur] ) heeft [verzoeker tevens verweerder] tijdens het telefonische gesprek dat hij op 23 december 2020 met hem heeft gevoerd, op staande voet ontslagen. De brief die hem op 28 december 2020 is toegezonden, is de bevestiging van dat ontslag. Dit brengt met zich mee dat de termijn ex artikel 7:686a lid 4 BW is verstreken per 23 februari 2021. Aangezien het onderhavige verzoek nadien is ingediend, is [verzoeker tevens verweerder] niet ontvankelijk in zijn verzoeken. Voor zover dit anders is, voert FFS het volgende aan. Zij erkent de door [verzoeker tevens verweerder] gestelde arbeidsovereenkomst. In 2020 heeft FFS [verzoeker tevens verweerder] op 21 april, 5 juni, 30 juli en 30 september gewaarschuwd voor het te laat komen op het werk. In de periode tot en met september 2020 is hij in het totaal 20 keer te laat gekomen op het werk. In december 2020 is hij opnieuw verschillende keren te laat gekomen op het werk, in ieder geval op 3, 8, 11 en 17 december 2020. [verzoeker tevens verweerder] heeft aldus hardnekkig geweigerd om te voldoen aan het redelijk bevel van FFS, om tijdig op het werk te verschijnen. Het is de directeur van FFS eind december 2020 ter ore gekomen dat [verzoeker tevens verweerder] zich in juli 2020 en op 5 november 2020 op het werk schuldig heeft gemaakt aan diefstal van niet aan FFS, maar aan haar opdrachtgever(s) in eigendom toebehorend koper. In dezelfde periode heeft hij vastgesteld dat [verzoeker tevens verweerder] de bedrijfsbus van FFS gebruikt voor privéritten, zonder dat dit haar instemming had. Het maken van privéritten met de bedrijfsbus is niet toegestaan (artikel 11 sub a van de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst). Alleen de directeur van FFS kan daar toestemming voor verlenen. De directeur van FFS heeft op 23 december 2020 uitgebreid met [verzoeker tevens verweerder] over deze feiten gesproken. [verzoeker tevens verweerder] heeft tijdens dit gesprek gezegd dat hij begrijpt dat hem in verband hiermee ontslag op staande voet wordt verleend en dat hij zich daar niet tegen zal verzetten. Omdat [verzoeker tevens verweerder] anti-kraak woont en geen uitkering zal kunnen verkrijgen, heeft hij de directeur van FFS gevraagd om hem als zzp’er te werk te stellen. FFS heeft hem vervolgens nog beperkt als zzp’er ingezet omdat zij met een acuut bezettingsprobleem had te kampen. Aangezien [verzoeker tevens verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan hij geen aanspraak maken op de transitievergoeding, terwijl ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging niet kan worden toegewezen. Voor zover dit laatste anders zou zijn, is deze vergoeding te stellen op een bedrag ad € 2.052,60 bruto. De door [verzoeker tevens verweerder] verzochte billijke vergoeding komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. De stelling van [verzoeker tevens verweerder] , dat, indien hij niet op staande voet zou zijn ontslagen, FFS met hem een verbetertraject had moeten volgen, is niet juist. Voor het feit dat hij niet te laat mocht komen was hij immers als bij herhaling gewaarschuwd. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding is verder rekening te houden met het feit dat [verzoeker tevens verweerder] zich als zzp’er een redelijk inkomen kan verwerven. FFS heeft als gevolg van de Coronapandemie te kampen met omzetverliezen. Voor zover de verzochte vergoedingen voor toewijzing in aanmerking komen, zijn deze in verband hiermee te matigen.

2.4

FFS verzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker tevens verweerder] te veroordelen om aan FFS de vergoeding te betalen ex artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 BW ten bedrage van € 1.989,08 bruto per maand, met veroordeling van [verzoeker tevens verweerder] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na de dag waarop deze schikking wordt gewezen alsmede de nakosten.

2.5

FFS legt aan haar verzoeken ten grondslag hetgeen hiervoor is vermeld. [verzoeker tevens verweerder] verweert zich daartegen met eveneens hetgeen hiervoor is vermeld.

2.6

De kantonrechter overweegt het volgende.

2.7

Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd en de in het geding gebrachte producties staat het volgende vast. [verzoeker tevens verweerder] is op 1 februari 2019 bij FFS in de functie van Medewerker schoonmaakonderhoud vloeren I in dienst getreden. Deze dienstbetrekking is vanaf 20 mei 2020 gaan gelden voor onbepaalde tijd. Het betreft een min-maxcontract voor minimaal 8 uren per vier weken. De gebruikelijke werkzaamheden van [verzoeker tevens verweerder] bestonden uit het doen van bouwruimingen (het opruimen van de bouwplaats). Voor het woon- werkverkeer gebruikte [verzoeker tevens verweerder] de bedrijfsbus van FFS. [verzoeker tevens verweerder] heeft, in strijd met het bepaalde in zijn arbeidsovereenkomst, met deze bedrijfsbus een beperkt aantal privéritten gereden. Tijdens het werk was [verzoeker tevens verweerder] onder andere verantwoordelijk voor de afvoer van het afval. Dat werd op verschillende plaatsen op de bouwplaats ingezameld in bakken, welke [verzoeker tevens verweerder] in een container leegde. Het kwam voor dat er oude koperen leidingen tussen het afval lagen. [verzoeker tevens verweerder] heeft in 2020 op 21 april, 5 juni, 30 juli en 30 september vier (officiële) waarschuwingen ontvangen van FFS, omdat hij bij herhaling te laat heeft in geklokt op het werk. In de eerste officiële waarschuwing d.d. 5 juni 2020 is onder meer geschreven:

Deze waarschuwing wordt meegenomen in je personeelsdossier. Wanneer je de volgende keer weer meerdere keren in 1 maand te laat bent ontvang je weer een officiële waarschuwing.

Bij drie officiële waarschuwingen wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd.

Bij brief d.d. 28 december 2020 heeft FFS (onder meer) het volgende aan [verzoeker tevens verweerder] geschreven:

Deze brief ontvangt u, omdat u met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen bent. Dit is een schriftelijke bevestiging van hetgeen wij op 28 december mondeling besproken hebben.

Wij hebben geconstateerd dat u wederom te laat bent verschenen op uw werk in de maand december. Wij hebben u de kans gegeven om uw gedrag te verbeteren, maar hebben na het uitreiken van drie officiële waarschuwingen geen verandering in gedrag gezien. U bent bij het uitreiken van de derde officiële waarschuwing op de hoogte gesteld van het feit dat ontslag op staande voet zal volgen indien u uw gedrag niet verandert.

Daarnaast hebben wij tijdens een steekproef ontdekt dat u in de maand december privékilometers gereden hebt met een bedrijfsbus van Floor Facility.

Tot slot heeft u zich schuldig gemaakt aan diefstal. Na meerdere mondelinge waarschuwingen heeft u nogmaals koper meegenomen op een locatie waar u op dat moment werkzaam was in naam van het bedrijf Floor Facility Services. (…)

Partijen zijn overeengekomen dat FFS [verzoeker tevens verweerder] na zijn ontslag als zzp’er inzet voor de uitvoering van het soort werkzaamheden dat hij tot zijn ontslag op staande voet voor haar heeft uitgevoerd op basis van de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Aldus heeft [verzoeker tevens verweerder] voor FFS gewerkt op 18, 21 en 29 januari 2021 en 1 en 18 februari 2021. Voor deze werkzaamheden heeft hij aan FFS, blijkens zijn als productie 5 aan het verzoekschrift gehechte factuur, in rekening gebracht een bedrag ad € 487,50.

2.8

Met betrekking tot de stelling van FFS dat [verzoeker tevens verweerder] niet ontvankelijk is in zijn verzoeken, omdat hij zijn verzoek niet bij de kantonrechter heeft ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub BW), overweegt de kantonrechter het volgende. De stelling van FFS, dat zij [verzoeker tevens verweerder] op staande voet heeft ontslagen tijdens het telefonische gesprek dat haar directeur op 23 december 2020 met [verzoeker tevens verweerder] heeft gevoerd, heeft FFS onderbouwd met het door als productie 1 in het geding gebrachte e-mailbericht d.d. 23 december 2020 van de directeur van FFS aan een kantoormedewerkster van FFS, waarin onder meer is vermeld: Ik heb zo juist met [verzoeker tevens verweerder] gesproken en aangegeven dat wij niet verder gaan. Wil jij hem een brief sturen met daarin dat wij de overeenkomst beëindigen op basis van diverse waarschuwingen? Daarnaast a.u.b. de laatste 2 waarschuwingen ook per brief / mail naar hem sturen zoals besproken. Dat dit gesprek op 23 december 2020 heeft plaatsgevonden blijkt volgens FFS verder uit de door haar als productie 2 in het geding gebrachte agenda van de directeur van FFS. [verzoeker tevens verweerder] heeft betwist dat hij op 23 december 2020 op staande voet is ontslagen. Hij stelt dat dit op 28 december 2020 heeft plaatsgevonden. Dit blijkt volgens hem uit de ontslagbrief die FFS hem op 28 december 2020 heeft toegezonden, nu daarin is vermeld: Dit is een schriftelijke bevestiging van hetgeen wij op 28 december mondeling besproken hebben. De stelling van FFS, dat zij [verzoeker tevens verweerder] op 23 december 2020 op staande voet heeft ontslagen, kan daarom niet als vaststaand worden aangenomen op basis van enkel de door haar in het geding gebrachte, zojuist genoemde producties. In het licht van hetgeen de directeur van FFS in de brief d.d. 28 december 2020 heeft geschreven, heeft het op de weg van FFS gelegen om expliciet ten bewijze aan te bieden de juistheid van haar stelling, dat zij [verzoeker tevens verweerder] op 23 (en niet op 28) december 2020 heeft ontslagen. Aangezien zij dat niet heeft gedaan, is er geen aanleiding om haar toe te laten tot het bewijs van haar stelling. Aldus is in deze procedure als vaststaand aan te nemen dat [verzoeker tevens verweerder] is ontslagen op 28 december 2020, zodat de in artikel 7:686a lid 4 sub BW genoemde vervaltermijn heeft gelopen tot en met 28 februari 2021. Omdat 28 februari 2021 op een zondag viel, is deze termijn op grond van artikel 1 lid 1 van de Algemene Termijnenwet verlengd tot en met 1 maart 2021. Aangezien het verzoek van [verzoeker tevens verweerder] ter griffie van deze rechtbank is ingekomen op 1 maart 2021, is [verzoeker tevens verweerder] dus ontvankelijk in zijn verzoek.

2.9

Het staat vast dat [verzoeker tevens verweerder] na zijn ontslag door FFS is ingehuurd als zzp’er voor de uitvoering van de werkzaamheden die hij tot zijn ontslag als werknemer voor FFS heeft uitgevoerd. Hieruit moet naar het oordeel van de kantonrechter worden afgeleid dat de redenen die FFS aan het ontslag van [verzoeker tevens verweerder] ten grondslag heeft gelegd (subjectief bezien) niet zodanig dringend waren dat dit het ontslag opstaande voet rechtvaardigt. Om die reden is ten deze niet sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

2.10

Aangezien het ontslag niet rechtsgeldig is, kan [verzoeker tevens verweerder] , die in zijn ontslag heeft berust, jegens FFS aanspraak maken op de transitievergoeding en vergoeding als genoemd in artikel 7:672 lid 11 BW. Tussen partijen is niet in discussie dat de transitievergoeding in het geval van [verzoeker tevens verweerder] is te stellen op een bedrag ad € 1.264,59 en dat vergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW € 2.052,60 bruto bedraagt. Die bedragen zullen daarom worden toegewezen.

2.11

Met betrekking tot het verzoek van [verzoeker tevens verweerder] , om hem de in artikel 7:681 lid 1 sub a BW genoemde billijke vergoeding toe te kennen, wordt het volgende overwogen. Het staat vast dat [verzoeker tevens verweerder] in 2020 op 21 april, 5 juni, 30 juli en 30 september (officiële) waarschuwingen heeft gekregen voor 20 maal te laat in klokken op het werk. FFS voert aan dat [verzoeker tevens verweerder] in december 2020 opnieuw te laat heeft in geklokt, in ieder geval op 3, 8, 11 en 17 december 2020. [verzoeker tevens verweerder] heeft erkend dat hij in 2020 slechts incidenteel (twee maal) te laat heeft in geklokt op het werk. Hij heeft niet betwist dat hij de door FFS als productie 3 in het geding gebrachte (officiële) waarschuwingen heeft ontvangen. Tegen de achtergrond daarvan is het voldoende aannemelijk dat [verzoeker tevens verweerder] in 2020 aanzienlijk te veel te laat is verschenen op het werk. Het is aannemelijk, zoals FFS heeft gesteld en [verzoeker tevens verweerder] niet voldoende heeft betwist, dat het te laat op het werk komen belastend is voor (onder meer) de collega’s van [verzoeker tevens verweerder] . Het is daarom aannemelijk dat FFS, indien zij [verzoeker tevens verweerder] niet op 28 december 2020 op staande voet zou hebben ontslagen, zich wegens het voortdurende verzuim van [verzoeker tevens verweerder] tot de kantonrechter zou hebben gewend met het verzoek om de arbeidsovereenkomst op (onder meer) deze grond te ontbinden en voorts, dat dit verzoek op die grond zou zijn toegewezen, zodanig dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou zijn geëindigd met ingang van 1 mei 2021. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de vele waarschuwingen die [verzoeker tevens verweerder] in 2020 van FFS had ontvangen, geen voorafgaand verbetertraject noodzakelijk zou zijn geweest. De billijke vergoeding is, gelet op het gemiddelde loon van [verzoeker tevens verweerder] in de periode vanaf september tot en met november 2020 ad € 1.818,02 bruto per maand inclusief alle emolumenten, daarom te bepalen op een bedrag ad (afgerond) € 7.500,=, waarop de transitievergoeding ad € 1.264,59 en het door [verzoeker tevens verweerder] als zzp’er bij FFS verdiende bedrag ad € 487,40 in mindering zijn te brengen, zodat de billijke vergoeding per saldo is te bepalen op een bedrag ad (afgerond) € 5.750,= bruto. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. Het verzoek met betrekking tot de afgifte van de bruto/netto specificatie wordt toegewezen zoals hierna wordt vermeld. Aanleiding om de toe te wijzen bedragen te matigen, is er niet, niet in de laatste plaats ook omdat FFS haar stelling, dat zij heeft te kampen met financiële problemen, niet met de benodigde bewijsstukken heeft onderbouwd. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het tegenverzoek van FFS niet kan worden toegewezen.

2.12

FFS is de partij die bij deze beschikking voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt om die reden veroordeeld in de kosten van de procedure.

3 Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt FFS om aan [verzoeker tevens verweerder] te betalen:

a. een bedrag ad 1.264,59 bruto;

b. een bedrag ad € 2.052,60 bruto;

c. een bedrag ad € 5.750,= bruto;

- veroordeelt FFS om aan [verzoeker tevens verweerder] , binnen 30 dagen na de betekening van deze beschikking, te verstrekken de bruto/netto-specificatie waarin alle zojuist genoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ad € 50,= per dag voor iedere dag dat FFS hieraan niet voldoet, met een maximum ad € 2.500,=;

- veroordeelt FFS in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van [verzoeker tevens verweerder] tot op heden worden vastgesteld op een bedrag ad € 832,=, waarin begrepen een bedrag ad € 747,=- voor salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. M. Nijenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021 (bij vervroeging).