Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4127

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
C/09/582582 / FA RK 19-7923, C/09/593588 / FA RK 20-3385
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen: hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie (geen art. 1:160 BW, geen draagkracht), afwikkeling huwelijkse voorwaarden: finaal verrekenbeding 'alsof in gemeenschap van goederen gehuwd'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 19-7923 (echtscheiding)

FA RK 20-3385 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummers: C/09/582582 (echtscheiding)

C/09/593588 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Datum beschikking: 1 april 2021

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 9 oktober 2019 ingekomen verzoek van:

[X]

de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y] ,

de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 6 november 2019, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken van 14 januari 2020 van de zijde van de man;

- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 5 maart 2020 van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier van 1 mei 2020 van de zijde van de man;

- de brief van 8 februari 2021, met bijlagen, inhoudende een gewijzigd verzoek van de zijde van de vrouw;

- de brief van 8 februari 2021, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 11 februari 2021, met bijlage, van de zijde van de man.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft op 18 februari 2021 tijdens een gesprek met de kinderrechter zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 18 februari 2021 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten en [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Tijdens de zitting zijn zowel van de zijde van de man als van de zijde van de vrouw pleitnotities overgelegd en deels voorgedragen.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich na de zitting uit te laten over een deskundige die met partijen de afwikkeling van de vof kan regelen.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het F9-formulier van 25 februari 2021 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier van 2 maart 2021 van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier van 4 maart 2021 van de zijde van de vrouw.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2004 te [huwelijksplaats] .

- Zij zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2005 te ’ [geboorteplaats 1]

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man en [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.

- Deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juni 2020 de verzoeken van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen over de kinderalimentatie en de partneralimentatie afgewezen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;

- primair: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man zijn elke week van woensdag tot donderdag 18.30 uur, een weekeinde per veertien dagen en de helft van de vakanties en de feestdagen;

subsidiair: indien [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, te bepalen dat [minderjarige 1] één middag/avond per week bij de vrouw zal verblijven alsmede een weekeinde per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen;

- vaststelling van een, met ingang van de datum van het verzoekschrift, door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 2] van € 450,- per maand;

- vaststelling van een, met ingang van de datum van het verzoekschrift, door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 450,- per maand wanneer [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, dan wel van € 144,- per maand als [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van

€ 4.692,- bruto per maand per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- beveling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen, zoals onder punt 12 tot en met 21 wordt verzocht;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man refereert zich ten aanzien van de verzochte echtscheiding en het verzoek over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] . De man voert verweer tegen de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] , in die zin dat hij bij de vrouw is één middag/avond per week, een weekeinde per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen;

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2] conform het verzoek van de vrouw;

- bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man zijn: op de verjaardag van de man, op Vaderdag, om en om op de verjaardag van de kinderen;

- bepaling dat de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , met ingang van dezelfde datum als die van de alimentatieverplichting voor de man aan de vrouw, althans met ingang van de datum van de door de rechtbank te geven beschikking, dient te betalen een bedrag van € 450,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

- bepaling dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil wordt gesteld met ingang van 12 maanden, althans 2 jaar, dan wel 3 jaar na de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

- bepaling dat partijen dienen over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van hetgeen partijen gemeenschappelijk hebben zoals omschreven in de punten 83 tot en met 97;

- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres echtelijke woning] te [plaatsnaam echtelijke woning] ;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek over het huurrecht van de voormalig echtelijke woning. De vrouw voert verweer tegen de overige verzochten nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid/ouderschapsplan

De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

De rechtbank zal in dit geval voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, omdat het de ouders tot op heden niet lukt om samen afspraken te maken over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de vrouw en de man ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man erkend en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende over en weer ingediende verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Zorgregeling

De ouders zijn het eens over de zorgregeling waarbij de kinderen allebei elke maandag en dinsdag bij de vrouw zijn, elke woensdag en donderdag bij de man en waarbij zij de weekenden van vrijdag tot en met zondag om en om bij de ouders doorbrengen. De rechtbank zal aldus beslissen. Hetgeen meer of anders is verzocht over de zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.

Vakanties, feestdagen en verjaardagen

De ouders zijn het ook met elkaar eens over de verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte en over waar de kinderen zijn op hun eigen verjaardagen en de verjaardagen van beide ouders. De rechtbank zal dit hierna ook opnemen in het dictum van de beschikking.

Hoofdverblijfplaats

Tussen de ouders is niet in geschil dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt toewijzen.

De rechtbank zal, omdat de ouders hierover wel van mening verschillen, een beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] . Nu de ouders de zorg- en opvoedingstaken gelijk hebben verdeeld en zij het erover eens zijn dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, acht de rechtbank het redelijk om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man vast te stellen. [minderjarige 1] staat bovendien ook al enige tijd ingeschreven op het adres van de man. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierin verandering aan te brengen. Hiernaast lijkt dit ook fiscaal gezien de meest optimale situatie op te leveren, wat in het belang van de kinderen is. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man zal toewijzen en het verzoek van de vrouw op dit punt zal afwijzen.

Doorverwijzing ouderschapsbemiddeling

De rechtbank zal de ouders – zoals tijdens de zitting besproken – verwijzen naar een traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders gedurende dit traject met elkaar gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge verstandhouding en het herstellen van het vertrouwen in elkaar als ouders. Hiernaast is het belangrijk dat de ouders met elkaar in gesprek gaan over hoe zij na de echtscheiding verder invulling gaan geven aan het ouderschap. De rechtbank heeft het proces-verbaal van doorverwijzing al op 12 maart 2021 per e-mailbericht doorgezonden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank zal de zaak echter niet aanhouden in afwachting van het verloop van dit traject, omdat de rechtbank nu een eindbeslissing neemt over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De rechtbank zal in dit geval eerst een beslissing nemen over de ingangsdatum van de kinderalimentatie.

De vrouw heeft – kort weergegeven – het volgende gesteld. Wanneer de rechtbank bepaalt dat de vrouw als beherend vennoot van de [bedrijfsnaam] recht heeft op de helft van de winsten over 2019 en 2020 en de vrouw een vordering heeft op de man ter zake die bedragen, dan kan de datum van de beschikking als ingangsdatum worden vastgesteld. Mocht de rechtbank deze vordering afwijzen, dan stelt de vrouw dat de man een bijdrage verschuldigd is met ingang van 4 november 2019. Ter onderbouwing heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de man (met zijn prognose) het willen doen voorkomen alsof hij geheel geen inkomen had en onvoldoende draagkracht had om een bijdrage te voldoen in de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen. Hierdoor is het verzoek van de vrouw afgewezen. De man heeft echter uiteindelijk in 2020 een omzet gegenereerd van € 61.950,-. Met de uiteindelijk gerealiseerde omzet is een aanzienlijke winst gehaald en op basis hiervan had de man wel degelijk een bijdrage kunnen leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen. Door de vrouw niet op de hoogte te stellen van de omzetcijfers heeft de man in de ogen van de vrouw bewust onjuiste informatie verstrekt of informatie achtergehouden. Daarom is de vrouw van mening dat de kinderalimentatie met ingang van 4 november 2019 – de datum van betekening van het verzoek aan de man – moet worden toegewezen.

De man stelt zich op het standpunt dat als ingangsdatum de datum van deze beschikking heeft te gelden. Volgens de man had de vrouw, als medevennoot tot 1 oktober 2020, bij de boekhouder (of bij hemzelf) informatie en/of inzage kunnen vragen en hierna een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen kunnen indienen bij de rechtbank. Dat de vrouw dit niet heeft gedaan komt voor haar eigen rekening en risico, aldus de man.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft – zoals de man ook opmerkt – op dit punt haar verantwoordelijkheid als vennoot van de vof miskend. Naar het oordeel van de rechtbank had de vrouw op verschillende momenten – eventueel via haar nieuwe boekhouder – aan de man en/of de boekhouder van de vof inzage kunnen vragen in de omzetcijfers, nu de vrouw tot 1 oktober 2020 vennoot was. De vrouw heeft dit echter nagelaten. De rechtbank acht het niet redelijk om nu in deze bodemprocedure met verregaande terugwerkende kracht een kinderalimentatie vast te stellen die de beslissing die op 18 juni 2020 in de voorlopige voorzieningenprocedure is genomen zal doorkruisen. Bovendien had de vrouw op grond van artikel 824 Rv een wijziging van de voorlopige voorzieningen kunnen verzoeken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is om uit te gaan van de datum van deze beschikking als ingangsdatum.

Behoefte kinderen

De rechtbank hanteert bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen en de daarbij behorende Tabel eigen aandeel kosten kinderen. Voor het bepalen van die behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen tijdens hun huwelijk te worden bepaald. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van iedere ouder is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere inkomsten, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen.

De rechtbank begrijpt uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de zitting is besproken dat de man en de vrouw in 2018 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal daarom de behoefte van de kinderen berekenen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2018 (periode 2018-II).

De rechtbank stelt voorop dat zij voorbij gaat aan het standpunt van de man dat als uitgangspunt moet worden genomen dat het NBGI € 5.000,- netto per maand bedraagt, hetgeen volgens de man overeen komt met wat het gezin per maand te besteden had. Dit is – na gemotiveerde betwisting door de vrouw – immers op geen enkele wijze gebleken.

De rechtbank zal het NBGI dan ook berekenen door het gemiddelde te nemen van de winst uit onderneming over de jaren 2016 (€ 78.847,-), 2017 (€ 83.773,-) en 2018 (€ 94.912,-).

De rechtbank merkt hierbij het volgende op. De man en de vrouw werkten gedurende het huwelijk samen in de [bedrijfsnaam] . Zij hebben geen schriftelijke vof overeenkomst opgesteld, maar gaan beiden uit van een 50%-50% verdeling van het totaal behaalde bedrijfsresultaat tijdens het huwelijk. De rechtbank zal daarom in haar berekening van het NBI van de man en het NBI van de vrouw ook een wegingsfactor van 0.5 gebruiken.

NBI man in 2018

De rechtbank gaat bij de berekening van het NBI van de man uit van een gemiddelde winst uit onderneming van (€ 85.844,- x 0,5 = ) € 42.922,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • -

    de zelfstandigenaftrek;

  • -

    de MKB-winstvrijstelling;

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het huwelijk op een bedrag van € 2.850,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.

NBI vrouw in 2018

De rechtbank gaat bij de berekening van het NBI van de vrouw ook uit van een gemiddelde winst uit onderneming van (€ 85.844,- x 0,5 = ) € 42.922,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • -

    de zelfstandigenaftrek;

  • -

    de MKB-winstvrijstelling;

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van het huwelijk op een bedrag van € 2.850,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.

NBI gezin 2018

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van de laatste periode van samenleving als gezin aldus op € 5.700,- per maand in 2018. Gesteld noch gebleken is dat het gezin kindgebonden budget ontving, zodat de rechtbank daar in haar berekening geen rekening mee zal houden.

Behoefte kinderen

Gelet op voornoemd NBGI en het op de kinderen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert dit een tabelbedrag op van € 1.362,- per maand in 2018. Geïndexeerd naar 2021 is de behoefte € 1.467,- per maand, dat is € 733,50 per kind per maand.

Draagkracht ouders

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders over en weer dienen bij te dragen in de kosten van [minderjarige 2] , die haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, en [minderjarige 1] , die zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft.

De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Rapport alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.000,-)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.700,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Huidig NBI en draagkracht vrouw

De vrouw is op enig moment na het feitelijk verbreken van de relatie met de man gestopt met haar werkzaamheden binnen de vof. De vrouw heeft vervolgens ergens anders een tijdelijke baan gevonden, echter is haar contract niet verlengd. De vrouw ontvangt met ingang van 1 januari 2021 een WW-uitkering, ter hoogte van (in januari 2021) € 2.252,64 bruto per maand. Hoewel de vrouw tot op heden nog geen nieuwe baan heeft gevonden, verwacht de rechtbank dat de vrouw binnen afzienbare tijd weer aan het werk zal zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat het redelijk is om uit te gaan van een verdiencapaciteit ter hoogte van het laatst ontvangen inkomen uit arbeid. Nu de vrouw geen salarisstroken heeft overgelegd waaruit de rechtbank haar inkomen kan afleiden, gaat de rechtbank uit van het door de vrouw onweersproken gestelde inkomen (in 2020) van € 38.870,- bruto per jaar.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting;

  • -

    de inkomensafhankelijke combinatiekorting;

  • -

    het kindgebonden budget.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 3.029,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.

De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 784,- per maand.

Huidig NBI en draagkracht man

De man heeft de werkzaamheden van [bedrijfsnaam] per 1 oktober 2020 voortgezet als eenmanszaak. Tussen partijen is in geschil op basis van welk inkomen de huidige draagkracht van de man nu moet worden berekend.

De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval redelijk is om uit te gaan van de gemiddelde winst over de jaren 2018 (€ 94.912,-), 2019 (€ 76.303,-) en 2020 (€ 50.939,-). Hoewel de man heeft gesteld dat sprake is van een sterk verslechterde financiële situatie van zijn bedrijf door de maatregelen rondom corona, blijkt uit de cijfers over 2020 dat hij in vergelijking tot 2019 nog een redelijke winst heeft behaald. Bovendien wordt door het gemiddelde van de winst over drie jaren te nemen zowel rekening gehouden met de financieel gunstige als met de financieel slechtere jaren. De rechtbank zal dus voorbij gaan aan het standpunt van de man dat enkel gekeken moet worden naar het inkomen in 2020 en de prognose over 2021.

Hierbij ziet de rechtbank geen aanleiding om in het kader van de draagkracht een wegingsfactor van 0.5 toe te passen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Binnen de vof opereerde de man als zelfstandig fotograaf in verschillende sectoren en verrichte de vrouw ondersteunende en administratieve taken. Zoals hiervoor ook al aangegeven is er geen schriftelijke overeenkomst van de Vof en gingen partijen tijdens het huwelijk blijkbaar uit van een 50%-50% verdeling van het behaalde resultaat. In de praktijk was echter sprake een verschil in arbeidsinspanning tussen beide vennoten. In de brief van 11 februari 2020 van [naam 1] accountants en belastingadviseurs B.V.) staat hierover opgemerkt: ‘Gezien het grote verschil in arbeidsinspanning van beide vennoten: 80 uur per week voor de heer [Y] 8 uur per week voor mevrouw [X] zou een winstverdeling van 90%-10% meer voor de hand hebben gelegen’. De man verrichtte, toen het Fotobureau nog een vof was, dus al het overgrote deel van de werkzaamheden. Door de voortzetting van de werkzaamheden in de vorm van een eenmanszaak is in de praktijk weinig veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom niet redelijk om voor de draagkracht van de man slechts rekening te houden met de helft van de behaalde winst.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de berekening van het huidige NBI van de man dus uit van een winst uit onderneming van € 74.051,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • -

    de zelfstandigenaftrek;

  • -

    de MKB-winstvrijstelling;

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting;

  • -

    het kindgebonden budget.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 4.471,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.491,- per maand.

Verdeling kosten

De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt in totaal € 2.275,- per maand.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule:

ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.491 / 2.275 x 1.467 = € 961,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 784 / 2.275 x 1.467 = € 506,-

samen € 1.467,-

Dit betekent dat van de totale behoefte van de kinderen een gedeelte van € 961,- ofwel

€ 480,50 per kind per maand voor rekening van de man komt en een gedeelte van € 506,- per maand ofwel € 253,- per kind per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

De ouders hebben in beginsel recht op toepassing van een zorgkorting op de over en weer verschuldigde kinderalimentatie. Gelet op de afgesproken zorgregeling geldt een percentage van 35%. De behoefte van de kinderen is € 1.467,- per kind per maand, zodat de zorgkorting een bedrag van € 257,- per kind per maand bedraagt.

Voor [minderjarige 1] geldt dat de zorgkorting waar de vrouw recht op heeft (€ 257,-) meer bedraagt dan het op de draagkracht gebaseerde aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige 1]

(€ 253,-). De rechtbank is van oordeel dat het de vrouw daarom geen bijdrage voor [minderjarige 1] aan de man hoeft te betalen.

Voor [minderjarige 2] geldt dat de zorgkorting waar de man recht op heeft (€ 257,-) in mindering strekt op de eerder berekende bijdrage (€ 480,50). Dit betekent dat de man een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 223,50 per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van vandaag een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] van € 223,50 per maand aan de vrouw zal moeten betalen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank geen door de vrouw aan de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] vaststellen. De rechtbank ziet, nu [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, ook geen aanleiding om een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] vast te stellen. Het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie wordt afgewezen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de ouder waar het kind de hoofdverblijfplaats heeft – met de bijdrage van de andere ouder en met de kinderbijslag en andere toeslagen – de verblijfsoverstijgende kosten van dat kind zoals kosten van sport, kleding, schoolgeld et cetera behoort te betalen. In dit geval betekent dit dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 2] moet dragen en dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] moet dragen. Hiernaast dragen beide ouders ieder voor zich de verblijfskosten voor de kinderen wanneer zij bij hem/haar zijn.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partneralimentatie

Samenwonen als ware gehuwd

De rechtbank zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van de man dat de alimentatieverplichting op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking direct eindigt omdat de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner ( [partner X] ) zoals bedoeld is in artikel 1:160 BW.

De man stelt dat de vrouw sinds zij in 2019 is ingetrokken bij haar nieuwe partner met hem samenwoont als ware zij gehuwd. De man stelt dat sprake is van een duurzame relatie, dat zij samenwonen in de woning van [partner X] in [woonplaats 1] en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren.

De vrouw betwist dat zij samenwoont als ware zij gehuwd. De huidige huisvesting van de vrouw is een noodgreep; haar huidige partner heeft haar (en de kinderen) tijdelijk onderdak aangeboden omdat zij niet langer bij haar ouders kon wonen. De vrouw is echter op zoek naar een eigen (sociale huur)woning. Het enkele feit dat de vrouw onder hetzelfde dak woonachtig is als haar partner, is onvoldoende om uit te gaan van samenwoning als ware men gehuwd.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:160 BW een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registeren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat aan de volgende criteria is voldaan: 1) een affectieve relatie, 2) van duurzame aard, 3) die meebrengt dat men elkaar wederzijds verzorgt, 4) met elkaar samenwoont en 5) een gemeenschappelijke huishouding voert.

De rechtbank is van oordeel dat de man – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat, naast een (duurzame) affectieve relatie óók sprake is van de overige criteria, te weten wederzijdse verzorging, samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de man gedane beroep op artikel 1:160 BW niet slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de man als bewijsaanbod voorstelt, [partner X] onder ede te horen.

Behoefte vrouw

De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval redelijk is om de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te berekenen op basis van de Hofnorm. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toepassing van de Hofnorm tot een onredelijke uitkomst zou leiden.

De rechtbank neemt het hiervoor bij de kinderalimentatie berekende en veronderstelde netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.700,- (in 2018) als uitgangspunt. Hierop moeten de kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.362,- per maand in mindering worden gebracht. De behoefte van de vrouw berekent de rechtbank dan op (5.700 – 1.362 x 60% =) € 2.603,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt de behoefte € 2.803,- netto per maand.

Behoeftigheid vrouw

Het eigen inkomen van de vrouw strekt in mindering op haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.803,- per maand.

De rechtbank is, zoals hiervoor ook overwogen, van oordeel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om een nieuwe baan te vinden waarbij zij een met haar laatst genoten inkomen vergelijkbaar salaris zal verdienen. Uitgaande van een jaarsalaris van

€ 38.870,- bruto per jaar, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in het kader van de partneralimentatie € 2.754,- per maand. De resterende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 49,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto bedrag van € 96,- per maand.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man – zoals hiervoor al aangegeven – uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 74.051,- per jaar.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man in het kader van de partneralimentatie op € 4.283,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

  • -

    huur € 1.200,-

  • -

    premie ziektekosten € 150,-

  • -

    verplicht eigen risico € 32,-

  • -

    aflossing schulden € 500,-

  • -

    kosten kinderen € 961,-

De rechtbank merkt hierbij over de post ‘aflossing schulden’ op dat zij het redelijk acht om hier rekening mee te houden, nu sprake is van een schuld die tijdens het huwelijk is ontstaan.

De rechtbank zal het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van

€ 34,- per maand en een ‘gemiddelde basishuur’ van € 235,- per maand in mindering brengen op respectievelijk de ziekte- en de woonkosten.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 1.059,- per maand en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen komt de rechtbank tot het oordeel dat de man geen draagkracht heeft om een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen afwijzen.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Huurrecht voormalig echtelijke woning

De rechtbank zal het verzoek om het huurrecht van de echtelijke woning in [woonplaats X en Y] aan de man toe te kennen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen

De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden hebben zij afgesproken dat elke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten is uitgesloten. In artikel 6 is voorts een finaal verrekenbeding opgenomen: ‘Indien het huwelijk eindigt door overlijden van een echtgenoot, door echtscheiding of door ontbinding na scheiding van tafel en bed, zal tussen de echtgenoten worden afgerekend alsof zij, tot het moment waarop de gemeenschappelijke huishouding is beëindigd, waren gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen’.

Door deze bepaling in de huwelijkse voorwaarden ontstaat geen goederenrechtelijke gemeenschap maar een pseudo-gemeenschap (een ‘alsof gemeenschap’). Dit betekent dat niet kan worden verdeeld maar dat er moet worden verrekend. De omvang van de pseudogemeenschap moet conform hetgeen in artikel 6 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald worden vastgesteld per 9 oktober 2019 (de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding). De rechtbank moet vervolgens vaststellen of een van partijen in het kader van het finale verrekenbeding een bedrag aan de ander moet betalen.

Hiernaast kan de rechtbank de goederen verdelen die partijen in mede-eigendom hebben en dus een eenvoudige gemeenschap betreffen.

De rechtbank stelt voorop dat beide partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen duidelijk standpunt hebben ingenomen over wat onder het te verrekenen vermogen valt en of er hiernaast eventueel sprake is van eenvoudige gemeenschappen. Partijen hebben nagelaten om de formulieren ‘verdelen en verrekenen’ in te dienen en hebben allebei geen concrete verzoeken geformuleerd in hun petitum. Door deze gang van zaken moet de rechtbank de wensen van partijen afleiden uit de door hen genoemde randnummers van de processtukken en uit wat er tijdens de zitting is besproken. Nu de rechtbank het in het belang van de kinderen acht dat partijen ook de financiële afwikkeling van hun echtscheiding (grotendeels) achter zich kunnen laten, zal de rechtbank voor zover mogelijk een beslissing nemen op hetgeen partijen aan de rechtbank hebben voorgelegd.

De man en de vrouw verzoeken de rechtbank een beslissing te nemen over:

a. bankrekeningen:

- direct Sparen [nr. 1]

- direct Sparen [nr. 2] ;

- privérekening [nr. 3] ;

- direct Sparen [nr. 4] ;

- privérekening [nr. 5] ;

- bankrekening [nr. 6] ;

kindrekeningen;

inboedel;

Fiat Panda ( [kenteken 1] );

Audi A6 ( [kenteken 2] );

[bedrijfsnaam] ;

schulden.

Bankrekeningen van partijen

De rechtbank begrijpt uit de standpunten van partijen dat de saldi van de hiervoor genoemde bankrekeningen onder het te verrekenen vermogen vallen. Partijen zijn het met elkaar eens dat zij de saldi van de bankrekeningen per de peildatum 9 oktober 2019 met elkaar zullen verrekenen in die zin dat zij beiden de helft van de saldi verkrijgen. De rechtbank zal dit hierna opnemen in het dictum van de beschikking.

Kindrekeningen

De man en de vrouw hebben twee rekeningen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : de Kinderbonus Sparen rekening ( [rekeningnummer 1] en de Jongerengroeirekening ( [rekeningnummer 2] ). De rechtbank merkt op dat het niet ongebruikelijk is om rekeningen waarop geld wordt gespaard voor de kinderen buiten de verdeling en/of verrekening te laten, in die zin dat de rekeningen door de ouders samen voor hun kinderen worden voortgezet en beheerd. De rechtbank is tijdens de zitting gebleken dat er op dit moment onvoldoende vertrouwen is tussen partijen om deze rekeningen na de echtscheiding samen te blijven beheren. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen deze rekeningen moeten opheffen en de saldi bij helfte moeten delen. Hierbij gaat de rechtbank ervanuit dat beide ouders vervolgens een eigen (spaar)rekening zullen openen voor de kinderen waar zij het geld op zullen storten.

Inboedel

Partijen verschillen met elkaar van mening over de verdeling van de inboedel die zij in mede-eigendom hebben. De vrouw stelt dat de inboedel – omdat de man in de echtelijke woning, wat ook de vertrouwde omgeving is van de kinderen, blijft wonen – aan de man kan worden toegedeeld. De vrouw is van mening dat de man dan een bedrag van € 5.000,- aan haar dient te voldoen. De man betwist de door de vrouw gestelde waarde en gaat er (desgevraagd ter zitting) van uit dat de inboedel in totaal ongeveer € 2.000,- waard is. De man wil het liefst dat partijen de inboedel in onderling overleg verdelen.

Nu de man en de vrouw geen overeenstemming kunnen bereiken over de waarde en de wijze van verdeling van de inboedel, zal de rechtbank in redelijkheid de wijze van verdeling van de inboedel vaststellen. De rechtbank merkt hierbij op dat geen van partijen de gestelde waarde van de inboedelgoederen heeft onderbouwd.

De rechtbank zal de inboedel aanwezig in de voormalig echtelijke woning aan de man toedelen, nu de man in deze woning blijft wonen. De waarde van de inboedel zal de rechtbank schattenderwijs vaststellen op € 3.000,-. De rechtbank heeft bij deze schatting betrokken dat – ervan uitgaande dat een huwelijk en een verhuizing doorgaans momenten zijn waarop (een deel van) de inboedel wordt verkregen of verfrist – partijen geruime tijd geleden zijn gehuwd (2004) en verhuisd (2013). Het door de vrouw genoemde bedrag komt de rechtbank daarom niet helemaal redelijk voor. Dit betekent dat de man € 1.500,- aan de vrouw moet betalen. Hierbij zal de rechtbank ook opnemen dat – voor zover dit nog niet is gebeurd – de vrouw nog zal ontvangen de externe harde schijf waarop alle foto’s van partijen staan en haar persoonlijke goederen.

De auto’s

De rechtbank gaat er gelet op de toelichting van partijen van uit dat zij beide auto’s samen hebben gekocht en dus in mede-eigendom hebben.

Partijen zijn het met elkaar eens dat ieder de auto zal behouden die hij/zij op dit moment onder zich heeft. Dit betekent dat de Fiat Panda kan worden toegedeeld aan de vrouw en dat de Audi A6 kan worden toegedeeld aan de man. Partijen verschillen echter van mening over de waarde van beide auto’s en hebben hierover wisselende standpunten ingenomen. Nu geen stukken zijn ingediend waaruit de rechtbank de waardes kan afleiden, worden de auto’s toegedeeld zoals hiervoor aangegeven zónder dat sprake is van onderlinge verrekening van de waardes.

[bedrijfsnaam]

De man en de vrouw waren tot 1 oktober 2020 samen de vennoten van de [bedrijfsnaam] . Bij het aangaan van de vof is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld en zijn ook geen specifieke schriftelijke afspraken gemaakt over de scheiding en deling van het vermogen van de vof. Partijen zijn tot op heden niet over gegaan tot vereffening van de vof, nu zij het niet met elkaar eens zijn over de waarde van de vof en zij ook geen overeenstemming kunnen bereiken over een onafhankelijke deskundige die hen bij de afwikkeling moet gaan begeleiden.

Benoeming van een register valuator door de rechtbank is – vanwege de kosten die daaraan verbonden zijn – voor geen van partijen een optie. De rechtbank heeft partijen daarom in de gelegenheid gesteld om zich na de zitting uit te laten over een onafhankelijke deskundige die met partijen de afwikkeling van de vof kan regelen. De rechtbank begrijpt uit de na de zitting ingediende stukken dat het partijen uiteindelijk niet is gelukt om samen een accountant uit te kiezen. Nu de vrouw in haar voorstel drie accountants heeft genoemd en de man slechts tegen inschakeling van [naam 2] Accountants gemotiveerd bezwaar heeft gevoerd, zal de rechtbank een keuze maken uit de andere twee genoemde accountantskantoren. De rechtbank zal bepalen dat partijen binnen vier weken na de datum van deze beschikking een accountant zullen inschakelen van Van der [naam 3] Accountants en adviseurs te [plaatsnaam] . De kosten hiervan zullen partijen bij helfte moeten delen. De rechtbank is van oordeel dat partijen samen met deze deskundige over moeten gaan tot het afwikkelen van de vof. Deze deskundige kan partijen vervolgens ook adviseren over eventuele vorderingen die zij als (ex-)medevennoten over en weer op elkaar hebben. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze echtscheidingsprocedure aan te houden in afwachting van het resultaat.

Schulden

Privélimiet Plus

De rechtbank is uit de overgelegde afschriften gebleken dat het Privélimiet plus werd gebruikt voor huishoudelijke uitgaven, zoals boodschappen bij de Albert Heijn, uitgaven bij kleding- en schoenenwinkels en tanken bij Shell. De hoogte van de schuld op het moment van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding bedraagt € 24.816,11. De rechtbank acht het echter niet redelijk op te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor dit bedrag. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de schuld op het moment van het feitelijk uit elkaar gaan € 21.415,37 bedroeg. Nadien is de schuld dus verder opgelopen tot € 24.816,11. Het in de tussenliggende periode verder oplopen van de schuld betreft niet langer de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, maar enkel de kosten van de huishouding van de man. De rechtbank acht het daarom niet redelijk als de vrouw in dat deel van de schuld ook moet meedragen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de op het moment van het feitelijk uit elkaar gaan openstaande schuld van € 21.415,37. De rechtbank zal dit opnemen in het dictum van de beschikking.

Creditcard schuld ABN AMRO

De rechtbank is van oordeel dat de creditcard schuld is te kwalificeren als een schuld die is aangegaan ter voldoening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Dit betekent – ook gelet op het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden – dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de op de peildatum 9 oktober 2019 openstaande schuld. De rechtbank zal dit opnemen in het dictum van de beschikking.

De rechtbank zal aldus beslissen. Hetgeen meer of anders is verzocht wordt afgewezen.

Vorderingen

Eneco

De vrouw stelt dat de man over 2018 een bedrag van € 299,17 en over 2019 een bedrag van € 914,99 retour heeft ontvangen van Eneco. De vrouw stelt een vordering te hebben op de man van € 149,59 over het jaar 2018 en van € 343,12 over het jaar 2019.

De rechtbank overweegt dat de betaling van € 299,17 over het jaar 2018 is gedaan vóór de peildatum, zodat dit bedrag is verdisconteerd in de te verrekenen saldi van de bankrekeningen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt dus afwijzen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het redelijk is dat partijen de teruggave over 2019 die ziet op de periode tot de peildatum (9 oktober 2019 ) bij helfte delen. Dit betekent dat de man nog een bedrag van (9/12e van € 914,99 = € 686,24 / 2 =) € 343,12 aan de vrouw moet betalen.

Teruggave Belastingdienst

De vrouw stelt voorts dat zij een vordering op de man heeft ter zake van door hem in 2018 en 2019 ontvangen geldbedragen van de Belastingdienst.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op het jaar 2018 afwijzen, nu de stortingen zijn gedaan op 3 oktober 2018 en 1 november 2018 en daarmee dus liggen vóór de peildatum. De rechtbank zal voor het op 20 december 2019 ontvangen bedrag van

€ 2.296,- (wat ziet op het jaar 2017), bepalen dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw moet betalen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [huwelijksdatum] 2004 te [huwelijksplaats]

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats 1] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

*

bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn iedere maandag en dinsdag bij de vrouw;

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn iedere woensdag en donderdag bij de man;

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de ene week in het weekend van vrijdag tot en met zondag bij de vrouw en de andere week in het weekend van vrijdag tot en met zondag bij de man;

bepaalt dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen delen en bepaalt dat voor de volgende bijzondere dagen geldt:

  • -

    Verjaardag [minderjarige 1] : in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    Verjaardag [minderjarige 2] : in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    Verjaardag vrouw: de kinderen zijn bij de vrouw;

  • -

    Moederdag: de kinderen zijn bij de vrouw;

  • -

    Verjaardag man: de kinderen zijn bij de man;

  • -

    Vaderdag: de kinderen zijn bij de man;

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[Y] ,

wonende aan de [adres echtelijke woning] ( [postcode] ) te [woonplaats 2] ,

en

[X]

wonende aan de [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats 1] ,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres en plaatsnaam] ;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 223,50 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres echtelijke woning] ( [postcode] ) te [plaatsnaam echtelijke woning] ;

*

bepaalt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen het volgende:

1. de saldi van de volgende bankrekeningen zullen partijen per de peildatum 9 oktober 2019 met elkaar verrekenen, in die zin dat zij beiden de helft van de saldi verkrijgen:

- direct Sparen [nr. 1]

- direct Sparen [nr. 2] ;

- privérekening [nr. 3] ;

- direct Sparen [nr. 4] ;

- privérekening [nr. 5] ;

- bankrekening [nr. 6] ;

2. de Kinderbonus Sparen rekening ( [rekeningnummer 1] en de Jongerengroeirekening ( [rekeningnummer 2] ) zullen partijen opheffen, waarbij zij de saldi bij helfte zullen delen;

3. de inboedel wordt tegen een waarde van € 3.000,- aan de man toegedeeld, onder de verplichting voor de man om de helft van die waarde (en dus € 1.500,-) aan de vrouw te betalen;

de vrouw zal – voor zover dit nog niet is gebeurd – nog ontvangen: de externe harde schijf waarop alle foto’s van partijen staan en haar persoonlijke goederen;

4. de Fiat Panda (kenteken [kenteken 1] ) wordt – zonder nadere verrekening van de waarde – toegedeeld aan de vrouw;

5. de Audi A6 (kenteken [kenteken 2] ) wordt – zonder nadere verrekening van de waarde – toegedeeld aan de man;

6. partijen zullen voor de afwikkeling van de [bedrijfsnaam] een accountant inschakelen van Van der [naam 3] Accountants en adviseurs te [plaatsnaam] die partijen zal adviseren over de afwikkeling van de vof en eventuele vorderingen die de man en de vrouw als (ex-)medevennoten over en weer op elkaar hebben;

7. partijen zijn in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig voor de op de peildatum openstaande creditcard schuld bij ABN AMRO;

8. partijen zijn in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig voor de op het moment van het feitelijk uit elkaar gaan openstaande schuld (Privélimiet Plus bij ABN AMRO; [nr. 7] ) van € 21.415,37;

*

bepaalt dat de man voor de teruggave van Eneco over het jaar 2019 nog een bedrag van in totaal € 343,12 aan de vrouw moet betalen;

*

bepaalt dat de man voor de teruggave Belastingdienst over het jaar 2017 nog een bedrag van in totaal € 1.148,- aan de vrouw moet betalen;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.Th.W. van Ravenstein, rechter, tevens kinderrechter, in samenwerking met mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van

1 april 2021.