Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4094

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/8935
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv regulier, ontheffing inburgeringsvereiste, 8 EVRM, ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/8935

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] geboren op [1964], van Marokkaanse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.G. Eggen-te Pas)

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 6 januari 2020 tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [echtgenoot]” afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de stiefdochter van eiseres was aanwezig.

Overweginge

  1. Eiseres heeft op 6 januari 2021 een verzoek tot vrijstelling van het griffierecht ingediend. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Uit de stukken is echter gebleken dat eiseres en haar fiscale partner niet voldoen aan de vereisten voor vrijstelling. Het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht is ter zitting afgewezen. Eiseres heeft het verschuldigde griffierecht nadien alsnog voldaan.

  2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

  3. Eiseres woont in Marokko, is 56 jaar oud en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres

heeft een mvv aangevraagd om verblijf in Nederland te verkrijgen bij haar echtgenoot [echtgenoot] (referent).

4. Eiseres heeft op 8 oktober 2019 het basisexamen inburgering in het buitenland (hierna: het

basisexamen) afgelegd. Zij is hierbij voor alle onderdelen van het basisexamen niet geslaagd.

5. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van verweerder om eiseres een mvv te verlenen vanwege het niet voldoen aan de inburgeringsverplichting en de beslissing om eiseres geen ontheffing te verlenen van de inburgeringsverplichting in verband met bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het niet verlenen van de mvv geen strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

Ontheffing van de inburgeringsverplichting

6. Eiseres voert onder verwijzing naar de arresten Chakroun1 en K. en A2 aan dat zij had moeten worden vrijgesteld van de inburgeringsverplichting. Er is volgens eiseres sprake bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de inburgeringsverplichting niet kan worden gehandhaafd, omdat dit vereiste de uitoefening van het recht op gezinshereniging uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Hierbij moet op grond van de aangehaalde arresten rekening gehouden worden met de leeftijd, het opleidingsniveau, de financiële situatie en de gezondheidstoestand van de betrokkenen. Handhaving van de inburgeringsverplichting in het onderhavige geval doet volgens eiseres afbreuk aan het doel en nuttig effect van Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn). Eiseres voert hiertoe aan dat zij analfabete is en door haar leeftijd en medische omstandigheden niet in staat kan worden geacht om het basisexamen met succes af te leggen. Zij heeft een verklaring van een arts overgelegd waaruit blijkt dat zij last heeft van concentratieproblemen en faalangst. Ook stelt eiseres ruimschoots te hebben voldaan aan haar inspanningsverplichting door het volgen van cursussen en het oefenen met familieleden. De medische toestand en hoge leeftijd van referent maken volgens eiseres dat haar komst geen uitstel meer duldt en de tijd die het haar kost om zich nogmaals voor te bereiden op het basisexamen niet kan worden afgewacht. Verder voert eiseres aan dat het gelet op haar beperkte financiële middelen en de reisafstand naar de diplomatieke post niet van haar vereist kan worden nogmaals het basisexamen af te leggen.

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste heeft voldaan en dus in beginsel niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. In geschil is of verweerder eiseres had moeten ontheffen van de inburgeringsplicht op grond van artikel 3.71a Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Meer in het bijzonder of eiseres ter voorbereiding op dat examen zoveel inspanningen heeft verricht, dat het er nu voor gehouden moet worden dat zij desondanks niet zal kunnen slagen voor haar examen en of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met relevante bijzondere individuele omstandigheden, die zijn vermeld in het beleid in hoofdstuk B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder komt hierbij beoordelingsruimte toe.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiseres ingevolge de genoemde regelgeving niet in aanmerking komt voor ontheffing van de inburgeringsverplichting. De rechtbank overweegt dat de door eiseres overgelegde verklaring van een arts niet voldoet aan de vereisten van hoofdstuk B1/4.7 van de Vc , nu deze niet is opgesteld door een door de Nederlandse ambassade aangewezen arts. Verweerder heeft hier dan ook niet de waarde aan hoeven hechten die eiseres daaraan gehecht wenst te zien. Uit het feit dat eiseres analfabete en mogelijk enigszins beperkt is in haar cognitieve vaardigheden volgt verder niet dat bij voorbaat duidelijk is dat eiseres niet in staat zal zijn om (onderdelen van) het basisexamen te behalen of inspanningen te verrichten om het examen met succes af te leggen. De rechtbank acht hierbij van belang dat er in de taal van eiseres op analfabeten gericht studiemateriaal beschikbaar is en dat het examen in losse delen mag worden afgelegd, waardoor eiseres zich niet op alle stof tegelijkertijd hoeft te concentreren. De overgelegde verklaringen over de gevolgde cursussen en de verklaringen van familieleden zijn erg summier en bevatten nauwelijks informatie over de geleverde inspanningen. Een van deel van deze documenten, over een aanvullende cursus gevolgd in de periode juli tot en met oktober 2020 en een tweede op 3 november 2020 afgelegd basisexamen, is pas in beroep overgelegd. Afgezien van het feit verweerder hier in de besluitvorming geen rekening mee heeft kunnen houden en niet is onderbouwd waarom deze documenten niet eerder zijn overgelegd, leidt ook de inhoud van deze documenten niet tot een andere conclusie en acht de rechtbank het niet onredelijk dat eiseres meer dan één poging doet om het basisexamen af te leggen. Uit de resultaten behaald bij het tweede examen blijkt dat er inmiddels een stijgende lijn zit in de resultaten en dat het niet uitgesloten is dat eiseres na verdere inspanningen met succes (onderdelen van) het basisexamen af kan leggen. Verweerder heeft zich hiermee naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres alle inspanningen heeft verricht die van haar mogen worden verwacht om zich voor te bereiden op het basisexamen dan wel dat zij ook na het verrichten van passende inspanningen niet in staat zal zijn om voor (onderdelen van) het basisexamen te slagen. De zorgbehoefte van referent maakt niet dat verweerder tot een ander oordeel diende te komen. Het is begrijpelijk dat referent verzorgd wenst te worden door zijn echtgenote, maar hieruit volgt niet dat de periode die eiseres nodig heeft om zich voor te bereiden op het basisexamen niet kan worden afgewacht. Uit de overgelegde informatie volgt dat de referent op voldoende andere manieren in zijn zorgbehoefte kan voorzien. Over de financiële situatie van eiseres is geen nadere onderbouwing gegeven, zodat de rechtbank die verder niet bij de beoordeling kan betrekken.

9. Het bovenstaande brengt met zich mee dat handhaving van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de rechtbank gezinshereniging niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

10. Eiseres voert aan dat de weigering om een mvv te verlenen in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op familie- en gezinsleven. De lange verblijfsduur van referent in Nederland vormt een subjectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. De medische toestand van referent vormt volgens eiseres een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Referent is zoals blijkt uit een verklaring van zijn cardioloog niet goed meer in staat om naar Marokko te reizen. Ook heeft verweerder de hoge leeftijd en het feit dat de komst van eiseres een lastenverlichting in de zorgkosten van referent voor de Nederlandse Staat met zich meebrengt niet kenbaar in zijn belangenafweging betrokken, waardoor sprake is van een ondeugdelijk gemotiveerd besluit.

11. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)3 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)4 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.5

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder erkent dat tussen eiseres en referent sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de belangenafweging in redelijkheid in het nadeel van eiseres kunnen laten uitvallen en alle gestelde omstandigheden hierbij betrokken. Hierbij heeft verweerder met name gewicht mogen toekennen aan het feit dat niet is gebleken dat eiseres en referent niet alsnog binnen een redelijke termijn aan de Nederlandse regelgeving kunnen voldoen. Verweerder heeft de leeftijd en de medische omstandigheden van referent expliciet in de belangenafweging meegewogen, maar overwogen dat niet is aangetoond dat referent de benodigde zorg niet in Marokko kan verkrijgen. Verweerder heeft verder bij zijn belangafweging betrokken dat er geen sprake is van objectieve en subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Verweerder heeft in dit kader opgemerkt dat referent ook de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij hierdoor bekend zal zijn met de taal en cultuur. Dat de referent volgens een brief van de cardioloog van 15 juni 2020 fysiek niet goed in staat is om naar Marokko te reizen heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om te concluderen dat het uitoefenen van gezinsleven in Marokko onmogelijk is. Niet is gebleken dat wanneer de nodige voorzieningen voor een dergelijke reis worden getroffen die reis vanuit medisch oogpunt niet mogelijk of onverantwoord is. Bij de belangenafweging heeft verweerder in het nadeel van eiseres mogen betrekken dat de aanvraag een eerste toelating betreft en dat eiseres en referent nooit hebben samengewoond. Dat referent de wens heeft, ook gelet op zijn leeftijd, om samen met eiseres het gezinsleven uit te oefenen in Nederland is heel begrijpelijk maar betekent niet dat de Nederlandse overheid verplicht is om die keuze te volgen. De beroepsgrond faalt.

Schending hoorplicht

13. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte van horen heeft afgezien. De rechtbank overweegt dat met toepassing van artikel 7:3 van de Awb - onder meer - van het horen kan worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Deze situatie doet zich hier voor. Op basis van het door eiseres ingediende bezwaarschrift kon verweerder in redelijkheid concluderen dat op voorhand duidelijk was dat zij nog altijd niet aan de voorwaarden voldeed van de gevraagde mvv. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond mogen verklaren. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

Conclusie

14. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Hof van Justitie, 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117

2 Hof van Justitie, 9 juli 2015, ECLI:EU:2015:453

3 Zie bijvoorbeeld het arrest van 31 januari 2006, nr. 50435/99.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.