Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4089

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
NL21.5575
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voert aan dat ten aanzien van Algerije moet worden geoordeeld dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Inmiddels is het 13 maanden geleden dat er daadwerkelijk een LP is afgegeven en op dit moment valt niet te zeggen hoe en op welke termijn afgifte en/of concrete stappen in die richting kunnen worden verwacht. Verweerder heeft op zitting ook geen inzicht gegeven in hoeveel presentaties er de afgelopen maanden hebben plaatsgevonden, in de termijn waarop de afgifte van LP’s hervat zal (kunnen) worden, noch in de intensiteit van de besprekingen met de Algerijnse autoriteiten die daartoe moeten leiden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat succesvolle besprekingen binnen een redelijke termijn tot uitzetting van eiser kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5575


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).


Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2021 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beiden via beeldverbinding. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat ten aanzien van Algerije moet worden geoordeeld dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 14 april 20211 en de daarin genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 20212 ten aanzien van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Deze uitspraken moeten analoog worden toegepast op de situatie van eiser.

2. Deze beroepsgrond slaagt. De Afdeling heeft op 2 april 2021 in een drietal uitspraken geoordeeld dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Daarbij is betrokken dat er in 2020 geen laissez-passers (LP’s) zijn afgegeven aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit uit te zetten en dat de laatste uitzetting met een LP van een vreemdeling die niet meewerkte aan zijn terugkeer plaatsvond in 2019.Verweerder heeft in die zaken geen concrete aanknopingspunten kunnen geven die de verwachting rechtvaardigen dat vreemdelingen met de Marokkaanse nationaliteit op korte termijn weer met een door de Marokkaanse autoriteiten afgegeven LP kunnen worden uitgezet naar Marokko.

2.1.

Verweerder heeft toegelicht dat de situatie ten aanzien van Algerije anders moet worden gezien. In maart 2020 is er namelijk nog een LP verstrekt door de Algerijnse autoriteiten. Dat daarna geen LP’s zijn verstrekt is geen gevolg van onwil van de zijde van Algerijnse autoriteiten maar eerder een gevolg van de nadien uitgebroken coronapandemie. Dat die situatie nu al 13 maanden duurt betekent niet dat niet langer sprake is van een tijdelijk beletsel. Verder heeft verweerder toegelicht dat de contacten met Algerije in algemene zin beter verlopen dan met Marokko. Nog steeds vinden gesprekken plaats met de Algerijnse autoriteiten hoe de afgifte van LP’s kan worden hervat. Deze gesprekken gaan mede over het opstarten van het houden van presentaties en hoe deze corona-proof kunnen worden uitgevoerd.

3. De rechtbank neemt aan dat de diplomatieke betrekkingen met de Algerijnse autoriteiten goed zijn en dat Algerije ook in beginsel bereid is om onderdanen toe te laten tot het eigen grondgebied en daartoe vervangende reisdocumenten te verstrekken. Dat neemt niet weg dat de afgifte van LP’s na maart 2020 is stilgevallen. De rechtbank gaat ervan uit dat dat niet komt doordat er geen LP-aanvragen meer lopen bij de Algerijnse autoriteiten maar dat dit het gevolg is van beperkende coronamaatregelen. Dit is ook niet door verweerder betwist.

4. Inmiddels is het 13 maanden geleden dat er daadwerkelijk een LP is afgegeven en op dit moment valt niet te zeggen hoe en op welke termijn afgifte en/of concrete stappen in die richting kunnen worden verwacht. Verweerder heeft op zitting ook geen inzicht gegeven in hoeveel presentaties er de afgelopen maanden hebben plaatsgevonden, in de termijn waarop de afgifte van LP’s hervat zal (kunnen) worden, noch in de intensiteit van de besprekingen met de Algerijnse autoriteiten die daartoe moeten leiden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat succesvolle besprekingen binnen een redelijke termijn tot uitzetting van eiser kunnen leiden.

5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is van meet af aan, vanaf
16 maart 2021, onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 april 2021.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 36 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 36 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 3.600,-.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 april 2021;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M. van den Assem, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RBDHA:2021:3701.

2 ECLI:NL:RVS:2021:696, ECLI:NL:RVS:2021:695 en ECLI:NL:RVS:2021:698.