Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4050

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
NL21.2860
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten veroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.2860


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 22 oktober 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn opvolgende aanvraag van 30 november 2018.

In de uitspraak van 19 december 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (NL19.25293), is het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om uiterlijk op 13 februari 2020 een beslissing te nemen.

Eiser heeft vervolgens, nadat verweerder heeft nagelaten gevolg te geven aan deze uitspraak, op 25 februari 2021 een tweede beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag.

Bij besluit van 9 april 2021 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.

Eiser heeft vervolgens het beroep ingetrokken en heeft daarbij verzocht verweerder te

veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Op verzoek van de rechtbank om een reactie hierop, heeft verweerder meegedeeld bereid te

zijn de proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die

wet.

3. Verweerder is aan eiser tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Aan eiser is ter zake van het beroep door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend, bestaande uit het indienen van een beroepschrift.

4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding

verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het

beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit

proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per

punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank acht het gewicht van deze zaak

licht omdat het geding uitsluitend ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Biermann, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.