Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:4011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/2583
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koptekst: opheffing ongewenstverklaring; weigering toegang aan de grens; Terugkeerrichtlijn niet van toepassing; beroep op arrest Z.Zh en I.O.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2583


uitspraak van 20 april 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] ,eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).


Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.


Bij besluit van 23 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht wegens betalingsonmacht en heeft dit met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser aan de criteria voor betalingsonmacht, zodat hij wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen voor de behandeling van het beroep.

2.1

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.

2.2

Bij besluit van 16 maart 2017 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit besluit is op 21 maart 2017 gepubliceerd in de Staatscourant.

2.3

Eiser heeft op 17 juli 2019 een aanvraag om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingediend.

3. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt het volgende in. Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor opheffing voldoet, zoals neergelegd in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en volgend uit het arrest Filev en Osmani van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 september 2013 (ECLI:EU:C:2013:569) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2538). Volgens verweerder heeft eiser geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij minstens vijf jaar buiten Nederland respectievelijk de Europese Unie heeft verbleven en sinds de ongewenstverklaring geen misdrijven heeft gepleegd en niet aan strafvervolging is onderworpen. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de ongewenstverklaring desondanks zou moeten worden opgeheven is verweerder niet gebleken. Voor tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring ziet verweerder evenmin aanleiding.

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Op grond van de onder 3. genoemde uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10982), is een ongewenstverklaring aan te merken als een inreisverbod voor onbepaalde tijd zodat de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven) van toepassing is. Verweerder had daarom moeten toetsen of het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, maar heeft dit ten onrechte nagelaten en de ongewenstverklaring enkel gebaseerd op eisers strafrechtelijke veroordeling. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op het arrest van het HvJEU van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) en de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 februari 2019.

4.1

Het betoog dat eisers ongewenstverklaring is aan te merken als een inreisverbod volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn geldt dat de werkingssfeer daarvan is beperkt tot vreemdelingen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Aangezien eiser aan de grens is geweigerd, staat dit aan toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn in de weg, zoals volgt uit artikel 109a van de Vw en de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2866).

Eisers stelling dat hij wel in Nederland verbleef volgt de rechtbank niet, nu eiser geen enkel stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. Verder kan uit het enkele feit dat eiser strafrechtelijk is veroordeeld door de rechtbank Noord-Holland niet worden geconcludeerd dat eiser (illegaal) in Nederland was, nu hij immers ook bij verstek kan zijn veroordeeld. Daarbij blijkt uit het dossier dat het besluit tot ongewenstverklaring van eiser is gepubliceerd in de Staatcourant, wat erop duidt dat eiser toen niet (traceerbaar) in Nederland was.

4.2

Eisers beroep op de onder 3. genoemde uitspraak van de Afdeling slaagt niet. Anders dan in eisers zaak, had die zaak betrekking had op een ongewenstverklaring die was opgelegd vóór de uiterste datum voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn, aan een vreemdeling die ten tijde van de ongewenstverklaring in Nederland verbleef. Eisers ongewenstverklaring dateert echter van na de datum waarop de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd en daarbij bevond eiser zich niet in Nederland, wat aan oplegging van een inreisverbod in de weg staat. Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw kan een inreisverbod slechts worden opgelegd aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, waaruit volgt dat de vreemdeling zich op het moment van opleggen in Nederland moet bevinden. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats slaagt evenmin. Verweerder had in die zaak bevestigd dat de ongewenstverklaring van eiser was aan te merken als een inreisverbod. Dat is in deze zaak niet aan der orde.

4.3

Nu eiser niet onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt, slaagt eisers beroep op het arrest Z. Zh. en I.O. en de door eiser in dat kader aangehaalde overige jurisprudentie niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. van der Hell, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021.

De griffier is verhinderd de rechter is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.