Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3999

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
C-09-604550-KG ZA 20-1223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom. Kort geding. Herstelvonnis.

zie ook ECLI:NL:RBDHA:2021:3588

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/604550 / KG ZA 20-1223

Herstelvonnis van 19 april 2021

in de zaak van

FLORATION EUROPE B.V.,

te Bovenkarspel,

eiseres,

advocaat mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam,

tegen

COÖPERATIE ROYAL FLORAHOLLAND U.A.,

te Aalsmeer,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.

Partijen zullen hierna Floration en RFH genoemd worden.

1 Het verzoek tot herstel

1.1.

Bij e-mailbericht van 13 april 2021 heeft mr. Duijsens namens RFH de voorzieningenrechter verzocht om herstel van het op 13 april 2021 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de voorzieningenrechter alsnog het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, zoals gevorderd in de schriftelijke pleitnota van RFH.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft Floration in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.

Bij e-mailbericht van 19 april 2021 heeft mr. C. Sijm namens Floration aan de voorzieningenrechter bericht tegen inwilliging van dat verzoek bezwaar te hebben, omdat RFH in haar conclusie van antwoord verzuimd heeft een uitvoerbaar bij voorraadverklaring te vorderen van de proceskosten. Daarmee heeft RFH volgens Floration het recht verspeeld om dat in haar pleitnota alsnog te doen.

2 De beoordeling

2.1.

De voorzieningenrechter heeft de gevorderde uitvoerbaarverklaring in de pleitnota over het hoofd gezien. Wanneer de voorzieningenrechter deze zin in de pleitnota in aanmerking zou hebben genomen, zou de uitvoerbaarverklaring zijn toegewezen omdat deze is gevorderd en Floration daartegen geen verweer heeft gevoerd terwijl zij daartoe tijdens de zitting in de gelegenheid is geweest.

2.2.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de opmerking van Floration dat RFH de uitvoerbaarverklaring al in haar conclusie van antwoord had moeten vorderen. De gevraagde uitvoerbaarverklaring van de proceskostenveroordeling door een gedaagde is geen eis in de zin van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv waarvoor de vereisten van artikel 130 Rv gelden bij verandering of wijziging van die eis. Voor de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt op de voet van artikel 233 Rv dat de rechter die verklaring kan afgeven indien dit wordt gevorderd. Die vordering heeft RFH in de vier werkdagen voor de digitale mondelinge behandeling ingediende schriftelijke pleitnota gedaan. Floration heeft niet bestreden dat de uitvoerbaarverklaring door RFH is gevorderd en dat de andersluidende overweging van de voorzieningenrechter daarover zich leent voor eenvoudig herstel in de zin van artikel 31 Rv.

2.3.

Het voorgaande betekent dat in het vonnis van 13 april 2021 sprake is van een kennelijke fout, welke fout zich voor eenvoudig herstel leent. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen als volgt.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

verbetert het tussen Floration en RFH gewezen en op 13 april 2021 uitgesproken vonnis in die zin dat

waar in r.o. 4.32 staat

“De proceskostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat dat niet is gevorderd.”

wordt gewijzigd in

“De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd.”

in het dictum na 5.2 dient te worden toegevoegd

“5.3 verklaart de kostenveroordeling in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.”

3.2.

bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 19 april 2021 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 13 april 2021,

3.3.

gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 13 april 2021 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 19 april 2021.