Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3998

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
09/748011-19(dagv.I) en 09/748004-21(dagv.II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 jaar voor deelname aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham in 2015 en het plegen van het oorlogsmisdrijf aanranding van de persoonlijke waardigheid (artikel 6 Wim juncto gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve). De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in 2015 deelnam aan Ahrar al-Sham. Rondom de slag al-Ghab heeft hij zich laten filmen terwijl hij samen met anderen de lichamen van overleden personen beschimpte, door onder meer liederen te zingen, tegen de lichamen te schoppen en te spugen. De video is vervolgens verspreid via YouTube. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een zodanig vernederende en onterende behandeling op dat gesproken kan worden van aanranding van de persoonlijke waardigheid. De rechtbank komt tot vrijspraak voor een oorlogsmisdrijf met betrekking tot een tweede video, waarop een gevangen genomen militair wordt ondervraagd. Met betrekking tot deze video heeft de rechtbank geoordeeld dat die ondervraging en de verspreiding ervan weliswaar vernederend en onterend is, maar niet zodanig dat sprake is van aanranding van de persoonlijke waardigheid. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot die video evenmin kan worden gekomen tot een veroordeling voor schending van het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat dit gebod geldt in niet-internationaal gewapende conflicten. Verder overwegingen met betrekking tot rechtsmacht en strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/748011-19 (dagvaarding I) en 09/748004-21 (dagvaarding II)

Datum uitspraak: 21 april 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Syrië),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘Vught’ te Vught.

Onderzoeksnaam: 26Clermond

INHOUD

1. VOORAF 4

2. DE TENLASTELEGGING 4

3. RECHTSMACHT 5

3.1 Inleiding 5

3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie 5

3.3 Het standpunt van de verdediging 5

3.4 Het oordeel van de rechtbank 5

3.4.1 Oorlogsmisdrijven 5

3.4.2 Deelname aan een terroristische organisatie 5

4. DE VASTSTELLING VAN DE FEITEN 6

4.1 Inleiding 6

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie 6

4.3 Het standpunt van de verdediging 7

4.4 Het oordeel van de rechtbank 7

4.4.1 Het conflict in Syrië 7

4.4.1.1 De bewijsmiddelen 7

4.4.1.2 Het oordeel en de overwegingen 11

4.4.2 De gedragingen van de verdachte 12

4.4.2.1 De bewijsmiddelen 12

4.4.2.2 Het oordeel en de overwegingen 25

5. PLEGEN VAN OORLOGSMISDRIJVEN 28

5.1 Inleiding 28

5.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie 29

5.3 Het standpunt van de verdediging 30

5.4 De beoordeling 30

5.4.1 Het juridisch kader 30

5.4.1.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht 31

5.4.1.2 De beschermde status van de slachtoffers 32

5.4.1.3 Handelen in strijd met het internationaal humanitair recht 32

5.4.1.4 De nexus 36

5.4.2 Het oordeel van de rechtbank 37

5.4.2.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht 38

5.4.2.2 De beschermde status van de slachtoffers 38

5.4.2.3 Handelen in strijd met het internationaal humanitair recht 39

5.4.2.4 Nexus en kennis van de verdachte 40

5.4.3 De bewezenverklaring 41

6. DEELNAME AAN EEN TERRORISTISCHE ORGANISATIE 42

6.1 Inleiding 42

6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie 42

6.3 Het standpunt van de verdediging 42

6.4 De beoordeling 43

6.4.1 Het juridisch kader 43

6.4.1.1 Het bestaan van een organisatie met een terroristisch oogmerk 43

6.4.1.2 Deelname aan een terroristische organisatie 44

6.4.2 Het oordeel van de rechtbank 44

6.4.2.1 Ahrar al-Sham aan te merken als een terroristische organisatie 44

6.4.2.2 Deelname van de verdachte aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham 45

6.4.3 De bewezenverklaring 46

7. DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE EN DE STRAFOPLEGGING 47

7.1 Inleiding 47

7.2 De vordering van het Openbaar Ministerie 47

7.3 Het standpunt van de verdediging 47

7.4 Het oordeel van de rechtbank 47

8. DE TOEPASSELIJKE WETSARTIKELEN 49

9. DE BESLISSING 50

Bijlage I: De tenlastelegging 52

Dagvaarding I 52

1. 52

2. 52

Dagvaarding II 53

1. 53

2. 55

Bijlage II: Eindnoten 57

1 VOORAF

In het voorjaar van 2011 begon in Syrië een opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad (hierna: Assad). Het regime probeerde de roep om hervormingen in Syrië met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. Al snel mondde het van beide kanten uit in geweldplegingen. In de daaropvolgende jaren bleven geweldplegingen plaatsvinden en deze breidden zich geleidelijk uit. Reeds in de loop van 2012 werd duidelijk dat diverse jihadistische strijdgroepen in toenemende mate betrokken waren bij de opstand. Veel van deze jihadistische strijdgroepen worden gezien als terroristische organisatie.


De verdachte wordt verweten dat hij in Syrië heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie en dat hij meerdere oorlogsmisdrijven heeft gepleegd.

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 januari 2020, 8 april 2020, 18 juni 2020, 28 augustus 2020, 13 november 2020, 20 januari 2021 (alle pro-formabehandelingen), 19 maart 2021 (inhoudelijke behandeling) en 7 april 2021 (sluiting van het onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. J. Stad en mr. S.C.M. Wildemors (hierna gezamenlijk: Openbaar Ministerie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. Y. Özdemir en mr. R. Poyraz (hierna gezamenlijk: de verdediging) naar voren is gebracht.

De rechtbank gaat in dit vonnis allereerst in op de vraag of Nederland rechtsmacht heeft. Daarna wordt overgegaan tot een vaststelling van feiten, waarbij de verwijzing naar bewijsmiddelen geschiedt in voetnoten. Daarbij wordt niet ingegaan op de juridische kwalificatie, anders dan met betrekking tot deelnemingsvormen. In afzonderlijke hoofdstukken zal de rechtbank vervolgens ingaan op de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven en deelname aan een terroristische organisatie. Daarbij zal telkens worden verwezen naar de eerder vastgestelde feitelijkheden. Bij elk hoofdstuk worden de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergegeven. Enige herhaling is hierdoor onvermijdelijk.

In dit vonnis wordt door de rechtbank veelvuldig gebruik gemaakt van citaten en termen in de Engelse taal. Dat houdt verband met de internationale aard van de oorlogsmisdrijven die de verdachte worden verweten. Indien de rechtbank refereert aan verdragen, dan zal dit – indien mogelijk – de Nederlandse vertaling betreffen zoals die is te raadplegen op de wetgevingswebsite van de Nederlandse overheid. In eindnoten wordt verwezen naar literatuur en jurisprudentie.

2 DE TENLASTELEGGING

Tegen de verdachte zijn twee dagvaardingen uitgebracht, te weten onder parketnummer 09/748011-11 (hierna: dagvaarding I) en onder parketnummer 09/748004-21 (hierna: dagvaarding II), waarin is vermeld wat hem wordt ten laste gelegd. De tenlastelegging bij dagvaarding I is ter terechtzitting van 28 augustus 2020 gewijzigd. De tekst van de beide tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 RECHTSMACHT

3.1

Inleiding

De verdachte is een vreemdeling met de Syrische nationaliteit die asiel heeft aangevraagd in Nederland. Voorafgaande aan zijn aanvraag bevond hij zich niet in Nederland. De ten laste gelegde feiten zouden alle zijn begaan in Syrië in de periode van 1 maart 2015 tot en met 1 juli 2017. De verdachte kan in Nederland worden vervolgd voor deze feiten indien en voor zover Nederland rechtsmacht heeft over deze feiten.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland rechtsmacht heeft over de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven op grond van artikel 2, eerste lid, sub a van de Wet internationale misdrijven (hierna: de Wim).

Het Openbaar Ministerie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot rechtsmacht over de ten laste gelegde deelname aan een terroristische organisatie.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland geen rechtsmacht heeft over de ten laste gelegde deelname aan een terroristische organisatie. Hiertoe is aangevoerd dat in de jurisprudentie rechtsmacht wordt aangenomen op grond van artikel 6 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het WvSr) juncto artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit) voor onderdelen A tot en met D van de tenlastelegging en dat wordt getoetst aan artikel 8c van het WvSr voor onderdeel E van de tenlastelegging. Dit is echter in strijd met de bedoeling van de wetgever ter zake de uitbreiding van de rechtsmacht met ingang van 1 juli 2014. Bovendien maakt het Openbaar Ministerie geen enkel onderscheid in een dossier dat betrekking heeft op een verdenking ex artikel 140a van het WvSr.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot rechtsmacht over de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Oorlogsmisdrijven

Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a van de Wim heeft Nederland rechtsmacht over een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf als omschreven in voormelde wet, voor zover de verdachte zich (op het moment van de vervolging) in Nederland bevindt. Ten tijde van zijn aanhouding bevond de verdachte zich in Nederland, zodat er rechtsmacht bestaat over deze feiten.

3.4.2

Deelname aan een terroristische organisatie

In artikel 6, eerste lid, van het WvSr is opgenomen dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht. Met dit artikel geeft Nederland uitvoering aan zijn internationale verplichtingen om extraterritoriale rechtsmacht te vestigen. Het artikel dient te worden gelezen in samenhang met het Besluit. In artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit wordt onder verwijzing naar een reeks commune misdrijven uit het WvSr rechtsmacht op basis van (onder meer) het universaliteitsbeginsel gevestigd voor zover deze misdrijven vallen onder de beschrijving van artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen (hierna: het Verdrag).1 In dat verdragsartikel is opgenomen dat een persoon een strafbaar feit pleegt in de zin van het Verdrag indien een persoon wederrechtelijk en opzettelijk een springstof of ander dodelijk instrument aflevert, plaatst, tot ontlading of ontploffing brengt op, bij of in een openbare plaats, een staats- of regeringsvoorziening, een openbaar vervoerssysteem of een infrastructurele voorziening, met de bedoeling de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken, of met de bedoeling grootschalige vernieling aan te richten van een dergelijke plaats, voorziening of systeem, waarbij de vernieling leidt of waarschijnlijk zal leiden tot grote economische schade. Ook de poging ertoe, het als medeplichtige deelnemen, het organiseren, anderen opdracht geven of op een andere wijze bijdragen valt onder deze bepaling.

Zoals in jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van een vergelijkbare tenlastelegging reeds is overwogen, geven de opgesomde gedragingen in de aanhef van de tenlastelegging en in de onderdelen A tot en met D uitvoer aan het bepaalde in artikel 2 van het Verdrag.2 Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van rechtsmacht over deze gedragingen op grond van artikel 6 van het WvSr juncto artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat deze wetsuitleg in strijd zou zijn met de bedoeling van de wetgever. Sinds de inwerkingtreding van het Besluit heeft de wetgever tot twee maal toe wijzigingen aangebracht in de regeling, maar die wijzigingen zagen niet op artikel 2, eerste lid, onder e. Voormelde jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag heeft er kennelijk niet toe geleid dat de wetgever zich genoopt voelde om het Besluit ook op dat onderdeel te wijzigen. Ook anderszins is niet gebleken dat de wet en het Besluit op onjuiste wijze zijn uitgelegd.

Voor wat betreft de gedragingen die zijn opgesomd in onderdeel E van de tenlastelegging is de rechtbank met de verdediging van oordeel – wederom met verwijzing naar voormelde jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag – dat hierover geen rechtsmacht gevestigd kan worden op grond van artikel 6 van het WvSr juncto artikel 2, eerste lid, onder 3 van het Besluit. Ook op grond van andere bepalingen is dit niet mogelijk, zodat het Openbaar Ministerie voor dat onderdeel niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4 DE VASTSTELLING VAN DE FEITEN

4.1

Inleiding

De rechtbank zal in dit hoofdstuk – voor zover mogelijk – tot een oordeel komen over de feitelijke gebeurtenissen met betrekking tot het conflict in Syrië, de organisatie Ahrar al-Sham, en de ten laste gelegde gedragingen. Zoals hiervoor al aangegeven, zal daarbij niet worden ingegaan op de juridische kwalificatie die hieraan kan worden gegeven. De rechtbank baseert zich voor de vaststellingen op de in de voetnoten opgenomen vindplaats van de stukken die zich in het dossier bevinden.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte in de ten laste gelegde periode lid was van de organisatie Ahrar al-Sham (dagvaarding I, feit 2). Daarnaast is door het Openbaar Ministerie gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte samen met anderen naast overleden personen heeft geposeerd, hen ‘honden’ en ‘karkassen van al-Assad’ heeft genoemd, liederen heeft gezongen, zijn voet op het lichaam van een overledene heeft geplaatst, met zijn voet heeft geschopt tegen de lichamen, zich onderwijl heeft laten filmen en deze film vervolgens heeft verspreid via YouTube (dagvaarding I, feit 1).

Voorts is door het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte samen met anderen gewapend heeft geposeerd bij de ondervraging van een gevangengenomen persoon die herkenbaar in beeld werd gebracht en zijn naam moest noemen, zich hierbij heeft laten filmen en vervolgens de kans heeft aanvaard dat deze film daarna verspreid zou worden via YouTube (dagvaarding II, feit 1 en feit 2).

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte lid is geweest van de organisatie Ahrar al-Sham. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is die te zien is op de twee video’s met betrekking waarvan de verdachte oorlogsmisdrijven worden verweten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat niet bewezen kan worden van welke organisatie de verdachte lid zou zijn. Verder is naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de personen op de video zijn overleden en dat niet kan worden uitgesloten dat de video geënsceneerd is. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de rapportage van het Syrian Centre for Media and Freedom of Expression (hierna: het SCM) alsmede de verklaring van getuige [naam getuige 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, nu de inhoud van deze rapportage en de verklaring van die getuige onbetrouwbaar moeten worden geacht.

4.4

Het oordeel van de rechtbank 3

4.4.1

Het conflict in Syrië

4.4.1.1 De bewijsmiddelen

In het dossier bevinden zich een kennisdocument met de titel ‘Van Opstand naar Jihad’ en een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’. In deze documenten, die zijn opgesteld door [auteur kennisdocumenten] en zijn uitgebracht door de Dienst Landelijke Recherche, wordt ingegaan op het conflict in Syrië, de betrokkenen bij dit conflict en de organisatie Ahrar al-Sham. Beide documenten zijn gebaseerd op openbare bronnen zoals rapportages van mensenrechtenorganisaties, nieuwsberichten en social media. De rechtbank stelt op basis van deze kennisdocumenten en voormelde open bronnen het volgende vast.

In het voorjaar van 2011 begon de opstand in Syrië met protesten om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot een einde. Al kort na het begin van het protest werd het optreden van het regime van president Assad door een groot deel van de wereldgemeenschap scherp veroordeeld. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon stelde in de zomer van 2011 vast dat president Assad alle legitimiteit had verloren. Westerse staten drongen aan op zijn aftreden en vaardigden sancties uit tegen zijn regime.

Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich in reactie op de gewelddadigheden van het regime gewapenderhand te verzetten. Hierbij werden wraakacties uitgevoerd tegen regeringstroepen en werden wijken in grote steden en gebieden op het platteland veroverd. Het Syrische bewind trad hiertegen met nog hardere hand op. Bij luchtaanvallen die werden uitgevoerd door de Syrische luchtmacht, vielen veel burgerslachtoffers. Mensenrechtenschendingen vonden plaats aan de kant van de regeringstroepen en paramilitaire milities, maar ook aan de kant van de gewapende opposities. In 2013 en 2015 zouden door het Syrische regime chemische aanvallen zijn ingezet met een groot aantal slachtoffers tot gevolg. In de laatste maanden van 2013 en de eerste maanden van 2014 leek het Syrische regime aanvallen met zogenoemde ‘barrel bombs’ te hebben uitgevoerd. Ook in de loop van 2014 en in de eerste helft van 2015 kostten luchtaanvallen en aanvallen met ‘barrel bombs’ door het Syrisch regime in diverse delen van Syrië vele levens, met name van burgers.

De gewapende opposities maakten zich onder meer schuldig aan standrechtelijke executies, kidnapping en marteling van gevangengenomen regeringssoldaten, leden van de pro-Assad milities en personen die als informant van het Assad regime werden aangemerkt. Diverse strijdgroepen zouden zich schuldig hebben gemaakt aan het illegaal vasthouden van een groot aantal gedetineerden, aan marteling en executies.

In december 2015 werd het aantal personen dat in Syrië zelf op de vlucht was, geschat op 6,6 miljoen en het aantal personen dat het land was ontvlucht op 4,3 miljoen. Zo’n 13,5 miljoen inwoners hadden humanitaire hulp nodig. Het aantal doden lag in november 2015 rond de 250.000. Diverse malen werd onderhandeld over een vredesplan. In 2015 kwamen diverse partijen in Riyad samen voor vredesoverleg, waarbij een overeenkomst werd getekend. Door de Verenigde Naties werd meermalen een wapenstilstand geëist.4

Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam de invloed van jihadistische groepen steeds meer toe. Islamisme werd de hoofdstroming van de verzetsbeweging. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad, maar tevens de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd.5

Een van die jihadistische groepen betrof Kata’ib Ahrar al-Sham. Deze organisatie werd in november 2011 opgericht uit verschillende brigades die met name in het noorden van Syrië actief waren. Later werd de organisatie omgedoopt tot Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya. De verkorte aanduiding van de naam van de organisatie, die de rechtbank in dit vonnis zal hanteren, is Ahrar al-Sham. Blijkens de eerste audio-boodschap van de organisatie was het doel het omverwerpen van het regime van Assad en het vestigen van een Islamitische Staat. Daarnaast omschreef het de opstand in Syrië als een jihad tegen een Iraans sjiitisch plot om een sjiitische staat te vestigen van Iran, via Irak naar Libanon en Palestina. De leden van de brigades werden omschreven als jihadi-salafisten. De kennis van het maken van bommen zouden zij hebben opgedaan bij ‘broeders, mujahedin uit Irak en Afghanistan’, zo stelde een van de strijders van de organisatie.

Ahrar al-Sham was in 2012 een van de snelst groeiende strijdgroepen in Idlib, maar de aanwezigheid breidde zich uit naar Latakiya, Aleppo en Hama.6

Op 21 december 2012 kondigde Ahrar al-Sham de oprichting van een nieuwe overkoepelende strijdgroep aan, al-Jabhat al-islamiyya al-suriyya, het Syrisch Islamitisch Front (SIF) genaamd. Deze overkoepelende strijdgroep bestond uit elf brigades die met name opereerden in de grote steden en/of het platteland van de provincie Idlib en het platteland van Aleppo en vier brigades die actief waren in Damascus en omgeving. Het doel van het SIF kwam overeen met het individuele doel van Ahrar al-Sham. Ook het SIF hing de salafistische ideologie aan. In 2013 voegde het SIF zich samen met het Syrisch Islamitisch Liberations front (SILF) tot al-Jabhat al-Islimiyya (JI). Ahrar al-Sham bleef deel uitmaken van dit samenwerkingsverband.

Ahrar al-Sham bestond in de ten laste gelegde periode uit verschillende brigades. Deze waren op hun beurt weer onderverdeeld in compagnieën.7 De beweging maakte meerdere stadia door onder leiding van meerdere leiders. De organisatie zou de beschikking hebben over onder meer bomauto’s, mijnen, explosieven en andere wapens.8

In 2014 en 2015 beschikte de organisatie over bestuurlijke aanwezigheid in veroverde gebieden in Syrië. Zo werd in 2014 de Islamic Commission for the Liberated Areas opgezet in Idlib, die in 2015 functioneerde onder de High Judicial Council van Jays al-Fateh en zorg droeg voor politiebureaus en rechtbanken in meerdere plaatsen in de provincie. Die rechtbanken behandelden meer dan 5000 zaken, waaronder straf- en civiele zaken. In 2015 werd Call of Guidance opgericht, die zorgde voor onder meer rechterlijke autoriteiten, waaronder religieuze rechtbanken in Idlib. In 2015 werd Hay’at Idarat al-Khidamat opgericht, waarmee werd gezorgd voor de coördinatie van activiteiten van dienstverlenende instanties in noordelijk bezet gebied.9

Ahrar al-Sham voerde bovendien meermalen militaire operaties uit. Daarbij werd samengewerkt met verschillende strijdgroepen (onder meer in het samenwerkingsverband SIF en JI). Enkele van deze groeperingen betreffen Jabhat al-Nusra (in elk geval in de periode van 2012 tot en met 2015), Islamitische Staat in Irak en de Levant (in elk geval in de periode van 2012 tot en met 2013) en Jund al-Aqsa (vanaf 2014). Jabhat al-Nusra wordt internationaal aangemerkt als een terroristische organisatie en staat als zodanig sinds 30 mei 2013 respectievelijk 29 mei 2014 vermeld op de VN Sanctielijst en de EU Sanctielijst. Bij de slag om de al-Ghab vlakte in 2015 waren naast Ahrar al-Sham ook andere strijdgroepen betrokken, waaronder facties van het Vrije Syrische Leger (VSL).10 Meer specifiek betrof dit de ‘First Coastal Division’ en de ‘13th Division’ van het VSL.11

De militaire operaties zagen zowel op het regime van Assad als op de Alawitische en sjiitische burgerbevolking. Zo was Ahrar al-Sham in augustus 2013 betrokken bij een offensief in de provincie Latakia, waarbij meer dan tien Alawitische dorpen werden bezet en 67 ongewapende Alawitische burgers werden gedood. Van deze burgers kon Human Rights Watch vaststellen dat zij ongewapend waren toen zij gedood werden. Op 4 augustus 2013 vielen 190 burgerdoden, allen Alawitisch. In 2015 werden verschillende sjiitische enclaves aangevallen door onder meer Ahrar al-Sham, waarbij 1200 raketten werden afgevuurd en zestig doden vielen.

Bij verschillende militaire operaties werden door de organisatie en/of het samenwerkingsverband waarin werd geopereerd diverse schendingen van mensenrechten en het oorlogsrecht begaan, zoals het opzettelijk doden van Alawitische burgers, het uitvoeren van standrechtelijke executies, ontvoering en gijzeling van burgers, belegering van sjiitische enclaves ter uithongering, marteling, rekrutering van kinderen, bedreiging en censuur.12 Alawieten en Sjiieten werden in verklaringen van Ahrar al-Sham vaak – naar de rechtbank begrijpt – minachtend weggezet als nusairi en rafida. Aan het Assad regime werd vaak gerefereerd als Alawieten.13

Ahrar al-Sham was ook betrokken bij de belegering van de sjiitische enclaves in het noorden van de provincie Aleppo. Nubul en al-Zahra waren sinds begin 2013 door de belegering van basisbehoeften en humanitaire hulp verstoken. In februari 2016 vallen deze plaatsen weer in handen van het Syrische leger.14

In 2015 was het hoofd buitenlandse politieke relaties van Ahrar al-Sham aanwezig bij de onderhandelingen voor vrede in Riyad. Daar ondertekende hij de zogenoemde Riyad-verklaring, waarin werd onderschreven dat de Syrische crisis een politieke oplossing vergt in overeenstemming met internationale verdragen en garanties.15 Dit resulteerde in opschudding binnen de eigen gelederen en een afwijzing van de verklaring door hoge leiders binnen de organisatie in Turkije en Syrië. Zo wees het plaatsvervangend hoofd van de organisatie de Riyad-verklaring af en deelde hij mee dat een politieke oplossing niet tot de mogelijkheden behoorde en dat het nu aankomt op ‘the sound of the bullet – jihad on the path of God’.16 In de zomer van 2016 waren er binnen Ahrar al-Sham twee ideologische stromingen, een gematigde stroming onder leiding van onder meer Abu Azzam al-Ansari en Abu Ezzeddine, en een stroming die de militaire banden met Jabhat al-Nusra aanhaalde.17

4.4.1.2 Het oordeel en de overwegingen

De rechtbank komt op basis van voormelde stukken tot het volgende oordeel met betrekking tot het conflict in Syrië, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging.


Vanaf het najaar van 2011 zijn gewapende oppositiegroeperingen zich gaan verzetten tegen het regime van Assad. Sommige van deze groeperingen waren jihadistisch-salafistisch en hadden (mede) tot doel het vestigen van een streng islamitische staat. Er waren veelvuldiggrootschalige militaire operaties tussen de betrokken partijen, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie. Het aantal dodelijke slachtoffers stond eind 2015 op meer dan 250.000 personen en 4,3 miljoen personen waren Syrië en Irak ontvlucht. Een zeer aanzienlijk aantal personen had humanitaire hulp nodig en diverse steden en dorpen in Syrië en Irak waren vernield. Ook werd er onderhandeld over een vredesplan en was de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betrokken.

Ahrar al-Sham is een van de verzetsgroepen en bestaat sinds november 2011. De organisatie bestaat uit verschillende brigades, die op hun beurt weer onderverdeeld zijn in compagnieën. De organisatie heeft één leider. De organisatie is jihadistisch-salafistisch en het doel van deze organisatie is het omverwerpen van het regime van Assad en het vestigen van een Islamitische Staat. Ahrar al-Sham was in 2012 actief in Idlib, Latakiya, Aleppo en Hama. Vanaf 2012 opereerde Ahrar al-Sham in diverse samenwerkingsverbanden en overkoepelende strijdgroepen, waarmee werd geopereerd in de grote steden en/of het platteland van de provincie Idlib, het platteland van Aleppo en Damascus en het latere Al-Jabhat al-Islimiyya. In 2014 en 2015 beschikte de organisatie over bestuurlijke aanwezigheid in veroverde gebieden in Syrië.

In 2015 ondertekende de leider van Ahrar al-Sham de Riyad-verklaring voor vrede, hetgeen resulteerde in opschudding binnen de eigen gelederen en een afwijzing van de verklaring door hoge leiders binnen de organisatie in Turkije en Syrië. In 2016 ontstond een subgroep binnen de organisatie en liepen diverse brigades over naar een andere organisatie, waarna Ahrar al-Sham uiteindelijk de controle verloor over meerdere plaatsen in de provincie Idlib.

Ahrar al-Sham sprak minachtend over religieuze minderheden, de Alawieten en de Sjiieten en aan het regime van Assad werd vaak gerefereerd als Alawieten.

De organisatie had de beschikking over onder meer bomauto’s, mijnen, explosieven en andere wapens. Ahrar al-Sham voerde meermalen militaire operaties uit, waarbij werd samengewerkt met verschillende strijdgroepen. Meerdere van deze organisaties zijn jihadistisch-salafistisch en bovendien aangemerkt als terroristische organisatie. Zo staat Jabhat al-Nusra als zodanig vermeld op de VN Sanctielijst en de EU Sanctielijst.

Bij verschillende militaire operaties werden door de organisatie en/of het samenwerkingsverband waarin werd geopereerd diverse schendingen van mensenrechten en het oorlogsrecht begaan, zoals het opzettelijk doden van Alawitische burgers, het uitvoeren van standrechtelijke executies, ontvoering en gijzeling van burgers, belegering van sjiitische enclaves ter uithongering, marteling, rekrutering van kinderen, bedreiging en censuur. Dat gebeurde zowel vóór 2015 als gedurende 2015.

4.4.2

De gedragingen van de verdachte

4.4.2.1 De bewijsmiddelen

De start van het onderzoek tegen de verdachte naar aanleiding van ontvangen stukken uit Duitsland

Het onderzoek tegen de verdachte is aangevangen in Duitsland, waar de verdachte op 11 november 2015 het land binnenkwam met het aanvragen van asiel als doel.18 De Duitse politie heeft geverbaliseerd dat in 2016 getuige [naam getuige 2] contact met hen opnam. [naam getuige 2] verklaarde dat hij samen met de verdachte in een asielzoekerscentrum in [plaatsnaam] (de rechtbank begrijpt: in Duitsland) heeft verbleven, dat hij door de verdachte kennis heeft genomen van een YouTube-video en dat de verdachte het volgende telefoonnummer gebruikt: [telefoonnummer]. De verdenking is gerezen dat de verdachte in Syrië betrokken is geweest bij gevechtshandelingen.19 Tegen de verdachte is vervolgens in Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart nadat op 7 oktober 2019 de Nederlandse politie informatie ontving dat de verdachte door Duitsland was gesignaleerd en dat hij zich op dat moment in een Nederlands asielzoekerscentrum bevond.20

Nederlands onderzoek aan de YouTube video (video 1)

De Nederlandse politie heeft de video (hierna: video 1) op 9 oktober 2019 veiliggesteld van de website YouTube en heeft vastgesteld dat die op 26 april 2015 is geplaatst door een gebruiker met de naam ‘[naam YouTube gebruiker 1]’. De titel van de video is ‘Ahrar Al-Sham - Liwa Al-Adiyat - slag om de Al-Ghab vlakte (Sahl Al-Ghab). Liwa al Adiyat is volgens het Institute for the Study of War een brigade die actief is in Hama en Latakia. De video betreft een compilatie van verschillende aan elkaar gemonteerde beelden, waarop het volgende is te zien. In de eerste seconde is een schermvullend logo te zien, dat verder in kleiner formaat in de rechterbovenhoek te zien is. Dit is het logo van Ahrar al-Sham met daaronder de toevoeging ‘Liwa al Adiyat’. Vanaf minuut 2:01 bestaat het beeld uit groene en zwarte tinten en zijn acht of meer gewapende mannen in beeld.21 Deze mannen vieren de overwinning op de op de grond liggende overleden personen.

Tussen minuut 2:00 en 2:13 wordt door een man gezegd:

‘Allah is groter en glorie is voor Allah. Dit is spijtig in het dorp Al-Ziyarah. Deze zijn de karkassen van al-Assad. Wij vroegen hun de vrede maar ze wilden niet.

Dit is het einde van de Al-Shabiha. De honden. Allah is groter en de glorie is voor Allah.’

In minuut 3:08 drukt een met een machinegeweer gewapend persoon met zijn voet op een van de stoffelijke overschotten. Deze persoon is al vanaf minuut 2:01 prominent in beeld en spreekt regelmatig in de richting van de camera. Hij draagt een tactisch vest waarmee extra munitie meegedragen kan worden. Tussen minuut 2:05 en 2:08 is te zien dat deze persoon een schoppende beweging maakt richting een op de grond liggend stoffelijk overschot.

Tussen minuut 2:17 en 2:24 wordt door voormelde persoon gezegd:

‘(zingt enthousiaste liederen) wij hebben de glorie “Ziyarah” en hebben wij de Gargar [opmerking tolk: dit is de plaats Qarqur in dialect gesproken] en Frecha [opmerking tolk: dit is de plaats Frikeh in dialect gesproken] omsingeld.’

Tussen minuut 2:25 en 2:32 wordt door deze persoon gezegd:

‘Allah is groter en glorie is voor Allah. Hier liggen de lichamen van doden van al-Assad in dorp “Ziyarah”. Allah is groter en glorie is voor Allah. Hier liggen de Al-shabiha.’

Tussen minuut 2:32 en 2:39 wordt gezegd door deze persoon:

‘Dit is het einde van de honden. Wij zijn de leeuwen van onze heer Mohammed.’

Tussen minuut 2:57 en 3:27 wordt door deze persoon gezegd:

‘In de naam van God de barmhartige, de genadeloze. Allah is groter en de glorie voor Allah. Hier liggen de lichamen van doden van al-Assad in dorp “Ziyarah”. Allah is groter en de glorie voor Allah. (verwijzend naar zijn kameraden). Zij zijn helden. De helden van “Ziyarah”[niet hoorbaar]. Hier zijn de lichamen van de Al-shabiha (drukt met zijn voet op een lichaam op de grond ligt). Allah is groter en de glorie voor Allah.’

Tussen minuut 03:27 en 3:50 wordt door deze persoon gezegd, terwijl hij zich tot de camera richt en wijst naar een op de grond liggend lichaam:

‘In de naam van God de barmhartige, de genadeloze. Allah is groter en de glorie voor Allah. Hier zijn de shabiha van al-Assad. Ze [shabiha] werden gearresteerd tijdens hun terugkeer uit het dorp Al-Qatwiya [fonetisch] vlakbij plaats Al-Mashik [fonetisch, niet-hoorbaar] en werden gearresteerd en gedood. Zij zijn zeven…zeven karkassen. Allah is groter en de glorie voor Allah. Allah is groter en de glorie voor Allah. Deze is één van de honden.’

Tussen minuut 4:02 en 4:31 wordt door deze persoon (onder meer) gezegd:

‘(…schoppend met zijn been) en deze is één van de Honden [zijn naam] [naam 1].’
Hierop vraagt een onbekende stem:

‘Is hij Alawiet?’

Waarna wordt geantwoord:

‘Ja drie alawieten.’ 22

Tussen 03.18 en 03.20 is te zien dat spugende bewegingen worden gemaakt naar een van de lichamen op de grond.23

De verdenking ziet erop dat de verdachte op de videobeelden is te zien.

De slag om Sahl al-Ghab

De politie heeft onderzoek verricht naar de slag om Sahl al-Ghab in combinatie met de plaats Ziyara, waarnaar in de video wordt verwezen. Daaruit is gebleken dat op 22 april 2015 Ahrar al-Sham en andere strijdgroepen een slag om de bevrijding van Sahl al-Ghab hebben aangekondigd. Het doel van de slag zou onder andere de troepen van Assad in de plaatsen al-Qahira en Ziyara zijn. Op 25 april 2015 hebben Ahrar al-Sham en enkele andere strijdgroepen vijf dorpen en enkele checkpoints in het noordelijk deel van de al-Ghab vlakte veroverd ten zuiden van de stad Jisr al-Sughr. Op 25 en 26 april 2015 zijn via Twitter berichten verspreid waaruit blijkt dat ‘de [functie] van Liwa’al-‘Aadiyat in de beweging Ahrar al-Sham’ [naam B], gewond is geraakt bij de slag om Sahl al-Ghab. Uit een video van de televisiezender al-Jazeera die is geüpload op 27 april 2015, blijkt dat de plaats al-Ziyara, gelegen in het betreffende gebied, is veroverd op het regime.24

Uit het in het dossier opgenomen rapport van het SCM blijkt met betrekking tot de slag om Sahl al-Ghab onder meer dat alle troepen en brigades die onder Ahrar al-Sham in het al-Ghab gebied vielen, zoals de al-Adiyat brigade, deelnamen aan de slag om Sahl al-Ghab. Die troepen en brigades hebben de controleposten van de regeringstroepen in (onder meer) al-Ziyarah met artillerie bestookt en onder controle gekregen.25

Gezichtsvergelijkend onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar video 1

Er is een vergelijkend onderzoek verricht naar het gezicht van een persoon die te zien is in video 1 en het gezicht van de verdachte, waarvan foto’s zijn gemaakt door het NFI. Wat betreft de video gaat het om de persoon die in of omstreeks minuut 3:08 met het been een beweging maakt in de richting van het lichaam van een overleden persoon dat op de grond ligt. Het NFI heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek waarschijnlijker (ordegrote bewijskracht 10-100) zijn als de persoon in de video dezelfde is als de persoon op de foto’s dan wanneer het iemand anders is met vergelijkbare algemene gezichtskenmerken.26

De verklaring van getuige [naam getuige 2]

De getuige [naam getuige 2] is op 3 februari 2021 door de Nederlandse rechter-commissaris als getuige gehoord. [Naam getuige 2] heeft verklaard dat hij de verdachte in november 2015 als een van zijn kamergenoten in het asielzoekerscentrum in Duitsland heeft leren kennen. Verder heeft [naam getuige 2] verklaard dat de verdachte hem in januari 2016 met een Turks telefoonnummer, via WhatsApp, een YouTube-link naar een video heeft gestuurd. Op die video zag [naam getuige 2] dat er op mensen werd getrapt en gespuugd.27

Internetonderzoek naar (familie van) de verdachte

De politie heeft op het internet een onderzoek van open bronnen verricht naar de verdachte en zijn familie. Tijdens dat onderzoek werden video’s aangetroffen die betrekking hadden op de dood van [naam C] (een neef van de verdachte), [naam D] (een broer van de verdachte) en [naam E] ([naam F], een broer van de verdachte). Met betrekking tot [naam E] bleek dat hij [functie] van Ahrar al-Sham en dat hij de martelaarsdood stierf, net als zijn neef [naam C] die [functie] van Ahrar al Sham werd genoemd. Zij kwamen om bij een bombardement op de leiding van Ahrar al-Sham op 9 september 2014 in Idlib. De verdachte heeft ook verklaard dat twee van zijn broers, [naam D] en [naam E], tijdens een bombardement zijn overleden. Verder bleek dat [naam G], [functie] van Ahrar al-Sham, eveneens bij voornoemd bombardement was overleden.28

Een zoektocht op Twitter op de zoektermen ‘[naam G] [naam F][naam C]’ heeft geleid naar een tweet van 26 september 2015 die was gepost door het Twitter-account [naam Twitter-account 1]. De tweet bestond uit een foto met daarop drie grafstenen en de tekst: ‘[naam G] [naam F]. [naam E] [naam C] Moge Allah jullie genadig zijn en jullie in Zijn wijde paradijzen opnemen’. De tekst op de grafstenen verwees bij alle drie naar een martelaarsdood op 9 september 2014. De namen van deze drie personen komen overeen met de tweet en met de namen van respectievelijk de neef, broer en neef van de verdachte.

Op het Twitter-account [naam Twitter-account 1] is een profielfoto geplaatst van [naam E], de broer van de verdachte. Ook zijn op dit account meermalen foto’s gepost of geretweet van [naam E]. In een tweet van 11 januari 2016 was dezelfde foto als de profielfoto van Twitter-account [naam Twitter-account 1] gepost, die [naam F] zijn ‘dierbare broer’ noemt.

Het account [naam Twitter-account 1] schreef of deelde verschillende tweets over Ahrar Al Sham of brigades ervan. Op 26 september 2015 deelde het account de volgende tweet van het Twitter-account ‘[naam Twitter-account 2]’: ‘Groeten van al-Qassam brigades aan Harkat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’. Een andere tweet luidde: ‘Ahrar al-Sham bataljons, [naam F], Moge Allah hem en de martelaren accepteren’.

Op 10 oktober 2015 plaatste het account [naam Twitter-account 1] een tweet met een foto van [naam D] , de andere in 2011 overleden broer van de verdachte. Het daarbij geplaatste bericht luidde: ‘De martelaar [naam D], datum martelaarsdood 6-10-2011’. De man op de foto werd door [naam Twitter-account 1] ‘dierbare’ genoemd.29

Via het Facebook-profiel met de naam [naam Facebook-account 1], een alternatieve spelling van de naam [naam H], de naam van een andere broer van de verdachte, is de politie gestuit op twee foto’s van de verdachte in camouflagekleding. Op één van die foto’s was een reactie achtergelaten door een profiel met de naam [naam Facebook-account 2]. Op dat profiel was een aantal foto’s te zien van gewapende personen, waaronder een foto van een persoon die de verbalisant herkende als de verdachte, gekleed in camouflagekleding. In het bijschrift wordt gesteld ‘De broeders en ik, [naam I], [naam J], en [naam K] moge Allah hem genezen’.

Tevens werden op dit profiel twee andere foto’s aangetroffen waarop de verbalisant de verdachte herkende. Bij de eerste foto staat het bijschrift ‘[naam J] en [naam I] moge Allah jullie beschermen’. Bij de tweede foto staat het bijschrift ‘De leukste neef moge Allah jou beschermen’. Op de tweede foto heeft een profiel met de naam ‘[naam Facebook-account 3]’ gereageerd, op welk profiel eveneens foto’s werden aangetroffen waarop de verbalisant de verdachte herkende. Bij een derde foto op dit profiel staat het bijschrift ‘De dierbare #[naam I]. Ik zweer op Allah dat ik je erg mis’.

Op het profiel dat op een van deze foto’s reageerde, is wederom een foto aangetroffen waarop de verbalisant de verdachte herkende, gekleed in camouflagekleding met andere personen.30

Na een zoekslag op Facebook op de naam ‘martelaar [naam K]’ stuitte de politie op een Facebook-profiel met daarop een foto met daarop [naam K], met het bijschrift ‘Mijn broer de martelaar [naam K]’. Eveneens was op dit profiel een video te vinden waarop verschillende foto’s als een soort slideshow voorbij komen, welke video op 22 mei 2017 is geplaatst. Op vrijwel alle foto’s wordt [naam K] herkend. Op een van de foto’s met daarop twee mannen worden [naam K] (die een wapen bij zich draagt) en de verdachte herkend (figuur 4, p. 569). In de video is ook een foto te zien van een vlag met daarop het logo van Ahrar Al-Sham (figuur 5, p. 570).

De verbalisant zag in enkele video’s telkens een (selectie van) dezelfde mannen in beeld. Op een foto zag hij een man die een geweer op zijn buik bij zich draagt, welke persoon hij herkent als de verdachte (figuur 9, p. 574).31

De verdachte heeft zichzelf ter terechtzitting herkend als de hiervoor genoemde figuur 4.32 De rechtbank neemt op deze foto waar dat de persoon met het wapen en de verdachte gekleed zijn in camouflagekleding.

De verdachte heeft zichzelf ook herkend als de hiervoor genoemde figuur 9.33

De rechtbank neemt op deze foto waar dat vier mannen zijn afgebeeld, die allen camouflagekleding dragen en een wapen bij zich dragen.

Onderzoek naar connectie tussen het Turkse telefoonnummer [telefoonnummer], het Twitter-account [naam Twitter-account 3] en het Facebook-profiel ‘[naam Facebook-account 4]’

Door de politie is onderzoek verricht naar het telefoonnummer dat volgens de getuige [naam getuige 2] gebruikt wordt door de verdachte en een Twitter- en Facebook-profiel.

Door Twitter zijn de gebruikersgegevens verstrekt van het profiel dat is gekoppeld aan het hiervoor al genoemde Twitter-account [naam Twitter-account 1]. Hierin staat dat bij het aanmaken van dit account op 20 mei 2015 het telefoonnummer [telefoonnummer] aan dit account werd gekoppeld.

Na te zijn gevraagd om de gebruikersgegevens te verstrekken van accounts die zijn gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer], verstrekte Facebook de gebruikersgegevens van één Facebook-profiel. Dit Facebook-profiel is aangemaakt op 8 juni 2016 en heeft als profielnaam ‘[naam Facebook-account 4]’.34

De inhoud van het Twitter-account [naam Twitter-account 1] is onderzocht. Naast hetgeen hiervoor als is weergegeven, bleek dat door het account meerdere foto’s zijn gedeeld van de leiders van Ahrar al-Sham en in een begeleidende tweet bij een foto personen ‘Onze dierbare beweging en haar nieuwe leiders’ werden genoemd. Verder heeft het account tweets gepost waarin een documentaire over de leiders van Ahrar al-Sham werd genoemd. Daarbij werd onder meer de naam Abu Yahya al-Hamwi, de persoon die volgens Reuters in september 2015 werd gekozen als leider van Ahrar al-Sham, genoemd. Ook heeft het account meermalen gevraagd om het tonen van voornoemde documentaire.

Op 6 januari 2016 heeft het account een tweet gepost met een foto met daarbij de tekst:

‘[naam L]

De geduldige en beschaafde moedjahid voor wie de slagvelden getuigen.

Moge Allah jou beschermen, succes schenken, en jouw pad verlichten.

#Liwa al-Adiyat’

In voornoemde tekst wordt de hashtag ‘Liwa al-Adiyat’ genoemd, te weten het bataljon van Ahrar al-Sham dat tevens voorkomt in de titel van video 1.

Na een zoekslag op internet op ‘[naam L]’ en ‘Liwa al-Adiyat’ is de politie gestuit op een Twitter-account met de naam ‘[naam Twitter-account 4]’, met in de Twitter-bio de aanduiding ‘de commandant van Liwa al-Adiyat’. Op die pagina stond een achtergrondfoto waarop de middelste persoon werd herkend als [naam E], de broer van de verdachte.

Op 23 mei 2015 heeft het account twee tweets gepost waarin ‘Jaysh al-Fatah’ wordt genoemd, wat een losse alliantie van gewapende rebellengroepen in Syrië zou zijn. Volgens een Amerikaanse denktank bestaat Jaysh al-Fatah uit een aantal groeperingen, waaronder Ahrar al-Sham en Jabhat al-Nusra. Het account refereert in positieve bewoordingen aan Jaysh al-Fatah.35

Onderzoek naar het Instagram-account ‘[naam Instagram-account 1’ en herkenning van de verdachte op foto’s op dat account en op andere Facebook-profielen

De politie is tijdens het onderzoek gestuit op het Twitter-account ‘[naam Twitter-account 6]’. Op 21 februari 2016 was daarop een screenshot geplaatst van een foto die door het Instagram-account ‘[naam Instagram-account 1] op Instagram was geplaatst (figuur 1, p. 578). De verbalisant herkende daarop de verdachte. Op dat Instagram-account was dezelfde foto te zien. Op de profielfoto van het Instagram-account stonden twee mannen (figuur 3, p. 579). De man rechts op de foto herkende de verbalisant als [naam E], de overleden broer van de verdachte, ook wel bekend onder de bijnaam ‘[naam F]. De man links op de foto herkende de verbalisant als Zahran Alloush, de voormalig leider van Jaysh al-Islam, die zou zijn omgekomen bij een luchtaanval toen Alloush een vergadering had met leden van Ahrar al-Sham. Volgens een Amerikaanse denktank is Jaysh al-lslam (Leger van de Islam) een Syrische oppositiegroep die als doel heeft het afzetten van het Assad-regime.

Op het Instagram-account waren onder meer foto’s te zien die volgens de politie een relatie hebben met Ahrar al-Sham:

Op een foto (figuur 5, p. 580), die op 8 maart 2016 op het Instagram-account is geplaatst, herkende de verbalisant de verdachte. Dit is dezelfde foto die was geplaatst op het Facebook-profiel ‘[naam Facebook-account 3]’, met het bijschrift ‘De dierbare #[naam I]. Ik zweer op Allah dat ik je erg mis’. Onder de op Instagram geplaatste foto reageerde ene ‘‘[naam Instagram-account 3]’.

Op een foto (figuur 6, p. 581), die op 7 maart 2016 op het Instagram-account is geplaatst, herkende de verbalisant de man links op de foto als de verdachte.

Op een foto (figuur 7, p. 582), die op 20 februari 2016 op het Instagram-account is geplaatst, herkende de verbalisant de man op de foto als de verdachte.

Op 11 februari 2016 was een foto (figuur 8, p. 583) op het Instagram-account geplaatst waarop een man in camouflagekleding is te zien. De verbalisant herkende deze man als de man die hij ook op andere foto’s in dit onderzoek heeft gezien (figuur 9, p. 584), onder meer op een foto waarop hij staat afgebeeld met [naam E]. Deze foto’s trof hij op Twitter aan en in tweets werd de man ‘[naam S]’ genoemd. Na een zoekslag op Twitter op laatstgenoemde naam, trof de verbalisant een tweet met een foto (figuur 10) aan, waarop die [naam S] staat afgebeeld met een wapen en wordt omringd door overledenen die bebloed op de grond liggen. Bij de foto staat de tekst:

‘#Ahrar_al-Sham racen naar de hemel

Want vandaag reist [naam S], met Gods wil, naar de hemel

[naam F].. uw kameraden houden zich aan de belofte’.

In de tweet wordt gerefereerd aan Ahrar al-Sham en [naam F].

Op het Instagram-account is op 6 januari 2016 een foto geplaatst (figuur 16, p. 588) van een jongen die een vlag met het logo van Ahrar al-Sham vasthoudt.

Vastgesteld werd dat de Instagram-accounts ‘[naam Instagram-account 1]’ en ‘[naam Instagram-account 2]’ elkaar over en weer volgen op Instagram. Op het account ‘[naam Instagram-account 2]’ was op 27 augustus 2015 een foto geplaatst met vier personen bij een motorfiets. Daarop heeft de verbalisant de verdachte herkend (als de derde man van links). De persoon helemaal links op de foto heeft de verbalisant herkend als een persoon die hij in het onderzoek (figuur 3, p. 561) op een andere foto had gezien (zie figuur 19, derde man van rechts, p. 590). Zoals uit eerder onderzoek blijkt, staat deze persoon een aantal keer met de verdachte op de foto en wordt hij ‘[naam J]’ genoemd. Deze persoon is bovendien te zien op de profielfoto van het Instagram-account ‘[naam Instagram-account 2]’ (figuur 20, p. 591). Op die profielfoto is hij afgebeeld met achter hem een vlag van Ahrar al-Sham. Het logo op de vlag werd gebruikt van eind 2012 tot begin 2016 (figuur 21, p. 591).

Na een zoekslag op Facebook op de naam ‘[naam I]’ trof de verbalisant op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 6]’ een foto van een man met een kind, welke foto op 27 december 2015 op dat profiel was geplaatst (figuur 22, p. 592). Het bericht bij de foto luidt: ‘[naam I] met [naam N], de zoon van martelaar [naam O], moge Allah hem accepteren’. De verbalisant heeft de man op de foto herkend als de verdachte.

Uit de database van het Violations Documentation Center in Syria bleek dat [naam O] op 17 augustus 2013 is omgekomen in een beschieting. Zijn bijnaam was [naam T], hij was lid van de Abdullah Ibn al-Mubarak Brigade van Ahrar al-Sham en [functie] van dat bataljon.

Op het Facebook-profiel was nog een andere foto geplaatst (figuur 25, p. 595). Daarop heeft de verbalisant de verdachte (derde van links), [naam K] en [naam J] herkend (rechtbank: dit is dezelfde foto als de hiervoor genoemde figuur 9 op p. 574, waarop de verdachte zichzelf heeft herkend).

Op het Facebook-profiel was op 26 juni 2016 een afbeelding geplaatst van een vlag met het logo van Ahrar al-Sham (figuur 26, p. 595).

Na het zoeken op de naam [naam I] op Facebook, trof de verbalisant een post van 17 april 2020 waarin het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 5]’ de naam [naam I] noemt. Op de profielfoto (figuur 27, p. 596) van dat profiel heeft de verbalisant [naam J] herkend. Op dit Facebook-profiel was op 15 april 2020 een foto geplaatst met personen met bivakmutsen in camouflagekleding (figuur 28, p. 597). Zij droegen een vlag met het logo van Ahrar al-Sham. Tevens zijn op dit Facebook-profiel meerdere foto’s te vinden van gevechtsvoertuigen, tanks en personen in camouflagepakken die in de laadbak van pick-ups zitten. Op één van de foto’s was een vlag aan een vlaggenmast te zien met daarop het logo van Ahrar al-Sham.36

De verdachte heeft zichzelf ter terechtzitting herkend op de hiervoor genoemde foto (figuur 6, p. 581), die op 7 maart 2016 op het Instagram-account [naam Instagram-account 1] was geplaatst.37

Door de politie zijn foto’s van de verdachte vergeleken met foto’s die zijn aangetroffen op Instagram en Facebook. Daarbij is gekeken naar drie uiterlijke kenmerken die de verbalisant bij de verdachte heeft gezien38:

  • -

    een wratachtige moedervlek onder de rechter neusvleugel;

  • -

    een egale moedervlek aan de rechterkant van het voorhoofd;

  • -

    een kruin of litteken in de haargrens.

Bij het onderzoek zijn de volgende foto’s van de verdachte betrokken:

  • -

    een foto van de verdachte uit de strafrechtketendatabank (hierna: SKDB) van 22 oktober 2019 (figuur 1 / referentiefoto 1, p. 2);

  • -

    een foto van de verdachte afkomstig uit Duitsland uit het ‘Bewijs van inschrijving als asielzoeker’, die is gemaakt in december 2015 (figuur 3 / referentiefoto 2, p. 4).

Op figuur 2 (p. 3) (rechtbank: een bewerking van figuur 1) zijn de wratachtige moedervlek onder de rechter neusvleugel (in rood) en de moedervlek op de rechterkant van het voorhoofd (in blauw) weergegeven. De wratachtige moedervlek ligt, vergeleken met de moedervlek op het voorhoofd, iets meer naar het midden van het gezicht. Als een lijn wordt getrokken tussen beide moedervlekken, loopt deze lijn enigszins schuin naar het midden van het gezicht.

Op figuur 4 (p. 5) (rechtbank: een bewerking van referentiefoto 2) is de kruin/het litteken oranje gemarkeerd. Tijdens het verhoor van 28 en 29 oktober 2020 zag de verbalisant bij de verdachte hetzelfde Y-vormige litteken dat op referentiefoto 2 is te zien.

Op het Instagram-account [naam Instagram-account 1 was een foto geplaatst op 7 maart 2016 (figuur 5, p. 7) (rechtbank: dit is dezelfde foto als de hiervoor genoemde foto die op 7 maart 2016 op het Instagram-account ‘[naam Instagram-account 1]’ was geplaatst (figuur 6, p. 581), op welke foto de verdachte zichzelf ter terechtzitting heeft herkend). Daarop zag de verbalisant een man met dezelfde uiterlijke kenmerken als de verdachte, maar in spiegelbeeld vanwege het selfie-camerastandpunt. Op figuur 6 (p. 8) (rechtbank: een bewerking van figuur 5) is te zien dat de man onder zijn rechter neusvleugel een wratachtige moedervlek heeft (in rood) en dat de man op de rechterkant van zijn voorhoofd een moedervlek heeft (in blauw). Als een lijn wordt getrokken tussen beide moedervlekken, loopt deze lijn enigszins schuin naar het midden van het gezicht. Ook heeft de man bij zijn haargrens een kruin of litteken (in oranje).

Zowel op voornoemde referentiefoto’s 1 en 2 als op figuur 6 (p. 8) komen de drie uiterlijke kenmerken overeen, zowel in vorm als relatieve ligging.

Op hetzelfde Instagram-account stonden nog twee foto’s (figuren 7 en 8, p. 9 en 10) waarop de verbalisant de persoon van figuur 6 (p. 8) herkende. Naast overeenkomsten in uiterlijke kenmerken, droeg de persoon in figuren 7 en 8 (p. 9 en 10) dezelfde hoodie en jas als de persoon van figuur 6 (p. 8).

De naam [naam Instagram-account 1 wordt tevens gebruikt door het Twitter-account ‘[naam Twitter-account 5]’. Aan dit Twitter-account is het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld.

Op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 6]’ is op 23 april 2017 een foto geplaatst waarop vier gewapende mannen in camouflagekleding staan afgebeeld (figuur 13, p. 15) (rechtbank: deze foto is hetzelfde als de hiervoor genoemde foto, figuur 9 op p. 574). Tijdens zijn verhoor heeft de verdachte bekend dat hij de tweede man van rechts is. Deze man heeft een automatisch vuurwapen en draagt camouflagekleding en een ‘ops vest’.39

Op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 5]’ is op 16 december 2020 foto 1 geplaatst. De man op deze foto vertoont volgens de politie dezelfde uiterlijke kenmerken als de verdachte. Die foto is vergeleken met foto’s van de verdachte. Bij die vergelijking is gekeken naar:

  • -

    een moedervlek onder de rechter neusvleugel;

  • -

    een moedervlek op het voorhoofd;

  • -

    een litteken ter hoogte van zijn haargrens.

Foto 1 is vergeleken met de navolgende foto’s van de verdachte:

  • -

    een foto van de verdachte uit de SKDB van 22 oktober 2019;

  • -

    een foto van de verdachte afkomstig uit Duitsland uit het ‘Bewijs van inschrijving als asielzoeker’, die is gemaakt in december 2015.

Geconcludeerd wordt door de politie dat voornoemde drie kenmerken op de foto’s overeenkomen, zowel in vorm als in relatieve ligging.

Op Facebook werden onder deze foto 1 in elf reacties ‘[naam I]’ genoemd. In vrijwel alle reacties onder de foto wordt aan Allah gevraagd om ‘het gevangenschap’ van hem ‘te beëindigen’. De rechtbank constateert dat de verdachte in Nederland was gedetineerd op het moment van plaatsing van deze foto.

Op hetzelfde Facebook-profiel werd op 25 oktober 2020 foto 2 geplaatst. De man links op foto 2 vertoont dezelfde uiterlijke kenmerken als de verdachte. Bij vergelijking van foto 2 met voornoemde twee foto’s van de verdachte, is op foto 2 een wratachtige moedervlek onder de rechter neusvleugel te zien. Ook heeft de man dezelfde baardgroei als de verdachte.

De man rechts op foto 2 is door de politie herkend als [naam P]. [naam P] staat rechts naast de verdachte op de foto van vier gewapende mannen in camouflagekleding, waarop de verdachte zichzelf heeft aangewezen (rechtbank: deze foto was ook geplaatst op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 6]’, zie de hiervoor genoemde figuur 13, p. 15). Op Facebook werden in elf reacties onder deze foto ‘[naam I]’ genoemd. In vrijwel alle reacties onder de foto wordt aan Allah gevraagd om ‘het gevangenschap’ van hem ‘te beëindigen’. Zoals hiervoor al vastgesteld, was de verdachte gedetineerd in Nederland op het moment van plaatsing van deze foto.40

Onderzoek naar de inhoud van het Twitter-account [naam Twitter-account 5]

Er is onderzoek verricht naar de inhoud van het aangetroffen Twitter-account met de naam [naam Twitter-account 5]. Op de achtergrond van het account is een foto te zien, waarop de overleden broer van de verdachte genaamd [naam E] is te zien. Uit de gevorderde gebruikersgegevens is gebleken dat aan het account het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld. Op het account werd als profielfoto een logo gebruikt met de tekst ‘Ahrar al-Sham bataljons’. Dit logo werd ook meermalen getweet door dit account, onder meer ook meerdere keren met een vuurwapen op de achtergrond.

Verder is door het account het volgende bericht getweet, waarin de gebruiker de martelaren van Ahrar al-Sham ‘goedhartigen’ noemt:

‘Aan hen die stierven en na wie een deel van het leven stierf, mogen jullie in het paradijs goed leven

o jullie #goedhartigen.

Martelaren ten gevolge van verraad

Martelaren van Ahrar al-Sham

Jund al-Af'a

Verraadt onze moedjahidien’

Ook is een tweet met een foto van [naam M] aangetroffen. Op een ander Twitter-account was de politie deze foto al tegengekomen. Op die pagina staat in de bio ‘De brigades zullen terugkeren, als God het wil (Ahrar al-Sham brigades)’. Op de achtergrond van deze pagina stond een foto waarin een deel van het Liwa al-Adiyat-logo wordt gebruikt, hetzelfde logo als is te zien in video 1. Na een zoekslag op het internet op de naam [naam M] werd een tweet aangetroffen met een foto van een overleden man die lijkt op [naam M]. In het bijschrift bij die tweet wordt genoemd dat de [functie] van ‘#AhrarAlSham’s#LiwaAlAdiyat’ is omgekomen in Latakia. In tweets refereert [naam Twitter-account 5] in positieve bewoordingen (goedhartige en moedjahidien) aan deze [naam M].

Ook tweette [naam Twitter-account 5] een foto van [naam Q], waarvan het de politie ambtshalve bekend is dat daarmee [naam R] wordt bedoeld, wat de [functie] van Ahrar al-Sham in de ‘Hama sector’ zou zijn. In een artikel wordt gesteld dat hij is gedood door de groepering Jund al-Aqsa, een strijdgroep die voornamelijk actief is in Hama en Idlib. In enkele tweets refereert [naam Twitter-account 5] aan Jund al-Aqsa en probeert hen angst in te boezemen.41

De tweede aangetroffen video op YouTube (video 2)

Op 18 januari 2021 trof de politie op het YouTube-kanaal ‘[naam YouTube kanaal 1]’ – een kanaal waarop verschillende video’s te zien zijn van de slag om de Al-Ghab vlakte – een YouTube-video aan, getiteld: ‘Suqour Al-Jabal Brigade (tolk: Berg Haviken Brigade) arresteert een soldaat van de huurlingen van het regime in de regio van Al-Ghab vlakte’. De video was geüpload op 30 april 2015.

Op de video zijn meerdere personen te zien en horen, waaronder een gearresteerde man (persoon B) en een man met baard die een geweer in zijn hand houdt, die staat naast de gearresteerde man (persoon D). De gearresteerde persoon wordt gevraagd naar zijn naam en nummer. De personen die de gearresteerde man omringen, kijken telkens in de camera. De eigenaar van het YouTube-kanaal voegde in de omschrijving de volgende tekst toe:

‘Suqour Al-Jabal Brigade [tolk: Berg Haviken Brigade] arresteerde een soldaat van de huurlingen van het regime in de regio van Al-Ghab vlakte. Hij zat ondergedoken in één van de huizen van het dorp Zayzun na de strijd om de Al-Ghab vlakte te bevrijden.’

Daarnaast had de eigenaar van het YouTube-kanaal onderaan de video de volgende reactie toegevoegd:

‘#Westelijk_platteland _ van Hama

# Al-Ghab_vlakte

Suqour Al-Jabal Brigade [tolk: Berg Haviken Brigade] arresteert een soldaat van Mashik controlepost. Een huurling van het regime die zich had verstopt in één van de huizen van het dorp Zayzun na de strijd om de Al-Ghab vlakte te bevrijden. Het bleek dat de soldaat afkomstig is uit Al Rai gebied in de provincie van Aleppo.

# [naam YouTube kanaal 1.’

In de video worden door een persoon (de gespreksvoerder die buiten beeld is; persoon A) dezelfde plaatsen als hiervoor genoemd:

‘De revolutionaire brigades in de regio van Al-Ghab vlakte hebben een soldaat van het regime gearresteerd. Hij diende bij de controleposten van het regime in de stad Al Ziyarah. Deze soldaat vluchtte na de veldslagen die plaatsvonden in de regio van Al-Ghab vlakte, specifiek in de stad Al Ziyarah.’

Op de vraag van persoon A waar hij heeft gediend, antwoordde de gearresteerde man: ‘in Mashik’.

De verbalisant heeft geconstateerd dat er wat betreft de genoemde locaties veel overeenkomsten zijn met de plaatsen die worden genoemd in video 1:

  • -

    In beide video’s wordt gerefereerd aan de ‘strijd om de Al-Ghab vlakte te bevrijden’ of ‘de slag om de Al-Ghab vlakte’;

  • -

    In beide video’s wordt gerefereerd aan de plaats Al Ziyarah. In video 2 zou de persoon die is gevangengenomen volgens persoon A zijn gevlucht na de ‘veldslagen die plaatsvonden in de regio van Al-Ghab vlakte, specifiek in de stad Al Ziyarah’. In video 1 lijken de personen die tegen de camera spreken te zeggen dat ze op dat moment in Ziyarah zijn: ‘Hier liggen de lichamen van doden van al-Assad in dorp “Ziyarah”.’;

  • -

    In beide video’s wordt gerefereerd aan het plaatsje Mashik. In video 2 wordt het genoemd door de gevangene als de plaats waar hij diende. In video 1 wordt het genoemd als de plaats waar de zeven gedode personen vlakbij werden gearresteerd: ‘Hier zijn de shabiha van al-Assad. Ze werden gearresteerd tijdens hun terugkeer uit dorp Al-Qatwiya [fonetisch] vlakbij plaats Al-Mashik [fonetisch] en werden gearresteerd en gedood.’.

Video 1 is geüpload op 26 april 2015 en video 2 op 30 april 2015. Uit het moment van uploaden en de overeenkomsten in de genoemde plaatsen in beide video’s concludeert de politie dat ze betrekking hebben op de slag om de Al-Ghab vlakte in april 2015.

In de titel van video 2 wordt ‘Liwa Suqour al Jabal’ wordt genoemd. Volgens het project ‘Militant Leadership Monitor’ van The Jamestown Foundation is dit een prominente Syrische gewapende oppositiegroep die vecht tegen de overheid van al-Assad en zijn medestanders en de Islamitische Staat. Volgens de nieuwsorganisatie Radio Free Europe/Radio Liberty schaart Liwa Suqour al Jabal zichzelf onder de paraplu van het Vrije Syrische Leger. In een video van 23 april 2015 wordt door de commandanten van Ahrar al Sham en Liwa Suqour al Jabal de strijd om de Al-Ghab vlakte aangekondigd.

Na vergelijking van een still uit video 2 en foto’s van de verdachte, heeft de verbalisant persoon D op de video herkend als de verdachte. De verbalisant heeft de verdachte op de ene foto (een foto van de verdachte uit de SKDB van 22 oktober 2019) herkend aan de wratachtige moedervlek onder de rechter neusvleugel en een egale moedervlek op de rechterwang, ter hoogte van zijn neusvleugel. De relatieve ligging van beide moedervlekken komt ook grofweg overeen. Verder heeft de verbalisant na vergelijking van een still uit video 2 en een uitsnede van een foto (figuur 742) de verdachte herkend aan de haardracht en baardgroei, die op de still en de foto overeenkomen (rechtbank: de rechter foto in figuur 7 is een uitsnede van de foto op p. 574 zoals die hiervoor meermalen is genoemd, waarop – zoals eerder genoemd – de verdachte zichzelf heeft herkend).

Ten slotte heeft de verbalisant twee personen op video 1 en video 2 vergeleken die op uiterlijke kenmerken overeenkomen. Beide personen hebben even lang haar dat op een zelfde manier krult. Beide personen hebben een dikke baard van dezelfde lengte met korte stoppels bij de snor.

Beide personen dragen een zogenoemd ‘ops vest’ van een vergelijkbaar type en zij dragen dat op dezelfde manier. De vorm van de vesten komt overeen, beide vesten hebben een V-hals en een brede band bij de schouder. Ter hoogte van de buik is ruimte voor vier magazijnen. Die magazijnen hebben een kenmerkende banaanvorm. Op beide vesten zitten ter hoogte van de borst twee zakken, die kunnen worden afgesloten met een stuk stof. De rechter borstzakken van beide vesten lijken op een identieke manier te zijn gesloten, want het zichtbare deel van het klittenband op beide rechter borstzakken is vrijwel identiek. Ten slotte dragen beide personen een geweer van het type Chinese Kalashnikov AK 56 / AK 56-1.43

Het NFI heeft op 3 maart 2021 een rapport uitgebracht naar aanleiding van de vraag (kort samengevat) of de hiervoor genoemde persoon D die op video 2 naast de gearresteerde man staat, dezelfde persoon is als de persoon waarvan op 12 maart 2020 vergelijkingsopnamen zijn gemaakt door het NFI. Bij het onderzoek heeft het NFI gebruik gemaakt van twee hypothesen:

1. De persoon afgebeeld in de betwiste beelden is de verdachte;

2. De persoon afgebeeld in de betwiste beelden is iemand anders dan de verdachte, maar heeft wel vergelijkbare algemene gezichtskenmerken.

Het NFI heeft geconcludeerd dat er overeenkomsten zijn waar te nemen, wat betreft vorm en positie, in de vorm van de vlekjes op de rechterwang en net onder de neusvleugel, die sterk identificerend zijn. Ook zijn er overeenkomsten waargenomen in de haarlijn, de vorm van de ogen, neus en mond. Die zijn zwak identificerend, maar dragen gezamenlijk wel bij aan een hogere bewijskracht. Geconcludeerd wordt dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht 10.000-1.000.000) zijn als hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is.44

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in 2015 naar Duitsland is gegaan. Hij verbleef daar in een asielzoekerscentrum op een kamer, onder meer samen met [naam getuige 2].

Verder heeft de verdachte verklaard dat zijn gebied in Syrië de al Ghab vlakte is en dat waar hij woonde, zijn gebied, 99% van Ahrar al-Sham en het Vrije Syrische Leger was. De verdachte heeft verklaard dat Liwa al Adiyat een brigade is die werkzaam is in Hama en dat die brigade Ahrar al-Sham ondersteunt.

Ten slotte heeft de verdachte met betrekking tot video 2 verklaard dat Suqour al Jabal onderdeel is van het Vrije Syrische Leger.45

4.4.2.2 Het oordeel en de overwegingen

De rechtbank oordeelt op basis van voormelde bewijsmiddelen het volgende omtrent de rol van de verdachte.

Video’s 1 en 2 zijn gemaakt bij de slag Sahl al-Ghab

De rechtbank is allereerst van oordeel dat video 1 en video 2 zijn gemaakt in de context van de slag om Sahl al-Ghab in Syrië.

De slag om Sahl al-Ghab in Syrië werd op 22 april 2015 door Ahrar al-Sham en andere strijdgroepen aangekondigd. Alle troepen en brigades die onder Ahrar al-Sham in het al-Ghab gebied vielen – waaronder de Liwa al-Adiyat brigade – namen deel aan die slag en die troepen hebben de plaats al-Ziyarah onder controle gekregen.

In de titel van video 1 wordt zowel verwezen naar Ahrar al-Sham en Liwa Al-Adiyat als naar de slag om de vlakte van Al Ghab, Sahl Al-Ghab. In die video is bovendien het logo van Ahrar al-Sham te zien en daarbij wordt ook ‘Liwa al Adiyat’ vermeld. Deze video is op 26 april 2015 op YouTube geplaatst.

In de titel van video 2 is opgenomen dat de Suqour al-Jabal een soldaat arresteert van de huurlingen van het regime in de regio van de Al-Ghab vlakte. Suqour al-Jabal schaart zichzelf onder het Vrije Syrische Leger, wat de verdachte in zijn verhoor bij de politie ook heeft bevestigd. Deze video is op 30 april 2015 op YouTube geplaatst.

In beide video’s wordt tot slot gerefereerd aan de slag om Sahl Al-Ghab en aan de plaatsen al-Ziyarah en Mashik.

De rechtbank gaat er dan ook op basis van de titels, de inhoud van de video’s en het moment van plaatsen op YouTube van die video’s van uit dat die betrekking hebben op de slag om Sahl Al-Ghab in april 2015. De video’s moeten dan ook in de context worden bezien van de door Ahrar al-Sham aangekondigde en daadwerkelijk door Ahrar al-Sham (in een samenwerkingsverband) gevoerde slag om Sahl al-Ghab.

Video 1 laat gewapende personen zien die gezamenlijk de overwinning vieren op overledenen

De rechtbank stelt ten tweede vast dat video 1 meerdere personen laat zien die – al liederen zingend – de overwinning vieren op de op de grond liggende overleden personen. De stelling van de verdediging dat mogelijk sprake is van enscenering, is op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank ziet ook overigens geen enkele aanleiding om er aan te twijfelen dat de op de grond liggende personen daadwerkelijk zijn overleden. De gewapende mannen noemen de overledenen de karkassen van al-Assad, Shabiha van Assad en honden. Ook wordt gezegd dat het gaat om Alawieten. Door meerdere van die gewapende personen wordt tegen de overledenen geschopt, er wordt op een lichaam gespuugd en één persoon plaatst zijn voet op een lichaam van een overledene. Door de gewapende mannen wordt onder meer in de richting van de camera gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de beelden een nauwe en bewuste samenwerking tussen de personen worden afgeleid aangezien zij – naast elkaar staande – gezamenlijk op voormelde wijze de overwinning vieren.

Video 2 laat de personen zien die gezamenlijk een gevangene ondervragen

De rechtbank stelt ten derde vast dat video 2 de ondervraging laat zien van een gevangene. Deze gevangene wordt omringd door meerdere personen en direct naast hem staat een persoon met een wapen. Hij wordt onder meer gevraagd naar zijn naam en wordt herkenbaar in beeld gebracht.

De verdachte heeft op sociale media foto’s en berichten geplaatst die in relatie staan tot Ahrar al-Sham en Liwa al-Adiyat

De verdachte heeft samen met getuige [naam getuige 2] in een asielzoekerscentrum in Duitsland verbleven. Nadat de verdachte daar was vertrokken heeft hij met het nummer [telefoonnummer] een link naar video 1 naar die [naam getuige 2] gestuurd. Dat nummer is gekoppeld aan het Twitter-account [naam Twitter-account 1], het Twitter-account [naam Twitter-account 5] en het Facebook-account [naam Facebook-account 4].

Het Twitter-account [naam Twitter-account 1] heeft als profielfoto de foto van [naam E], de overleden broer van de verdachte. Op dit profiel zijn ook foto’s van die broer geplaatst of geretweet en de gebruiker van dit account noemde [naam F] (de rechtbank begrijpt, zie hiervoor: [naam E]) zijn ‘dierbare broer’. Ook is een foto geplaatst van de andere overleden broer van de verdachte, genaamd [naam D], die ‘dierbare’ wordt genoemd. De tekst bij de foto verwijst naar een martelaarsdood in 2011. Verder worden door de gebruiker van dit account berichten geplaatst over Ahrar al-Sham of brigades ervan, onder meer berichten die positief spreken over Ahrar al-Sham en haar leiders, en worden foto’s geplaatst van die leiders. Ook wordt in een bericht de hashtag #Liwa al-Adiyat gebruikt. Ten slotte heeft de gebruiker van dit Twitter-account op 26 september 2015 een foto geplaatst met daarop drie grafstenen en de tekst: ‘[naam G] [naam F]. [naam E] [naam C] Moge Allah jullie genadig zijn en jullie in Zijn wijde paradijzen opnemen’. Deze tekst verwijst naar de martelaarsdood op 9 september 2014 van twee neven en een broer van de verdachte.

Op het Twitter-account [naam Twitter-account 5] is als achtergrondfoto de overleden broer [naam E] te zien. De profielfoto toont een logo met de tekst ‘Ahrar al-Sham bataljons’. Door dit account werd dit logo meermalen getweet. Verder is op dit account een achtergrondfoto geplaatst waarin een deel van het logo van Liwa al-Adiyat te zien is. Ook is door dit account een bericht geplaatst over [naam M], de [functie] van Ahrar al-Sham’s Liwa al-Adiyat die is omgekomen in Latakia, waarbij over die [naam M] in positieve bewoordingen (goedhartige en moedjahidien) wordt bericht.

Op het Instagramaccount [naam Instagram-account 1] is een foto geplaatst van [naam E], de overleden boer van de verdachte, ook wel bekend onder de bijnaam ‘[naam F]’. Verder zijn op dit account meerdere foto’s in relatie tot Ahrar al-Sham te zien, onder meer foto’s waarop de verdachte is herkend. Op een op 8 maart 2016 geplaatste foto is de verdachte herkend. Deze foto is ook door het Facebook-profiel [naam Facebook-account 3] geplaatst, met het bijschrift ‘De dierbare #[naam I]. Ik zweer op Allah dat ik je erg mis’.

Op het Facebook-profiel van [naam Facebook-account 2] zijn verschillende foto’s aangetroffen, waarop de verdachte is herkend en waarbij in bijschriften wordt verwezen naar de naam [naam I]. Ook is een foto aangetroffen van de verdachte, waarbij de reactie ‘De dierbare #[naam I] (…)’ is geplaatst. Op dat Facebook-profiel is ook een foto geplaatst van een man met een kind, waarbij de man is herkend als de verdachte. Het bericht luidt: ‘[naam I] met [naam N], de zoon van martelaar [naam O], moge Allah hem accepteren’.

Op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 2]’ was een foto geplaatst waarop de verdachte (gekleed in camouflagekleding) is herkend en waarbij in het bijschrift staat vermeld ‘De broeders en ik, [naam I], [naam J], en [naam K] moge Allah hem genezen’.

Op het Facebook-profiel van ‘[naam Facebook-account 3]’ zijn foto’s aangetroffen waarop de verdachte is herkend. Bij één van die foto’s staat het bijschrift ‘De dierbare #[naam I]. Ik zweer op Allah dat ik je erg mis’. Deze foto is ook terug te vinden op het instagram-account [naam Instagram-account 1].

Op het Facebook-profiel van ‘martelaar [naam K]’ is een foto, als onderdeel van een video, te zien van [naam K] (gewapend) en een man die wordt herkend als de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij dit inderdaad is. De verdachte is gekleed in camouflagekleding. In deze video is het logo van Ahrar al-Sham te zien. Op een andere foto is de verdachte herkend. Hij staat gewapend op die foto (figuur 4, p. 569).

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het telefoonnummer [telefoonnummer] en het Twitter-account [naam Twitter-account 1], het Twitter-account [naam Twitter-account 1], het Instagram-account [naam Instagram-account 1] en het Facebook-account [naam Facebook-account 4] bij de verdachte in gebruik waren en dat met [naam I] de verdachte wordt bedoeld. Bij dit alles past naar het oordeel van de rechtbank dat op het Facebook-profiel van [naam Facebook-account 5] in oktober en december 2020 foto’s zijn geplaatst waarop de verdachte is herkend, dat in reacties op die foto’s ‘[naam I]’ is genoemd en dat aan Allah wordt gevraagd om ‘het gevangenschap’ van hem ‘te beëindigen’. Vaststaat dat de verdachte op dat moment in Nederland was gedetineerd. Dit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat met [naam I] de verdachte wordt bedoeld.

Anders dan de verdediging heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van de verklaring van [naam getuige 2], voor zover deze wordt gebezigd voor het bewijs. Immers, de verklaring van [naam getuige 2] dat de verdachte het is geweest die hem via het nummer [telefoonnummer] een link naar video 1 heeft gestuurd wordt ondersteund door ander bewijs, te weten de hiervoor opgenomen bevindingen met betrekking tot de social media-accounts van de verdachte en anderen die leiden naar de verdachte. Daar komt bij dat een telefoonnummer een objectief gegeven is, terwijl de rechtbank geen enkele aanwijzing heeft dat [naam getuige 2] dat nummer anders dan via de verdachte heeft verkregen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte met zijn social media-accounts foto’s en berichten heeft geplaatst die in relatie staan tot zijn overleden broer [naam E], een voormalig [functie] van Ahrar al-Sham die op 9 september 2014 tijdens een bombardement is overleden, en Ahrar al-Sham en Liwa al-Adiyat.

De verdachte is te zien op de video’s 1 en 2

Op video 2 is te zien dat een gevangengenomen soldaat van het regime van Assad wordt ondervraagd. Op grond van de inhoud en conclusies in het NFI-rapport met betrekking tot video 2 alsmede de herkenning door een verbalisant, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte te zien is op video 2, te weten de gewapende persoon die staat direct naast de gevangene (genoemd persoon D).

Op grond van de beschreven overeenkomsten tussen de video’s 1 en 2 wat betreft de daarin genoemde plaatsen, de wapens en het ops vest met een identiek zichtbaar gedeelte van het klittenband op beide rechter borstzakken, de context waarin video 1 is gemaakt en de inhoud en de conclusies van het NFI-rapport met betrekking tot video 1, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte eveneens is te zien op video 1, te weten de gewapende persoon die op die video op minuut 3:08 met zijn voet stapt op een stoffelijk overschot en die tussen minuut 2:17 en 3:50 (zoals beschreven in de feitelijke vaststellingen in paragraaf 4.4.2.1) meermalen het woord voerde.

De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de – overigens niet nader onderbouwde – stelling van de verdediging dat niet de verdachte maar een familielid van de verdachte op de video’s te zien is.

Dat zou dan immers een familielid moeten zijn die niet alleen heel erg op de verdachte lijkt maar ook nog op precies dezelfde plekken op zijn gezicht/voorhoofd een wratachtige moedervlek en een egale moedervlek heeft en een litteken in de haargrens. Dit acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

De verdachte was in de periode van maart 2015 tot en met 10 november 2015 in Syrië

Uit de vaststelling dat de verdachte op video 1 en video 2 is te zien, welke video’s zijn gemaakt in de context van de slag Al-Ghab, volgt dat de verdachte gedurende die slag aanwezig was in Al-Ziyarah. De verdachte is op 11 november 2015 Duitsland binnen gekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij tot die tijd in Syrië verbleef.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte in de ten laste gelegde periode van maart 2015 tot en met 10 november 2015 in Syrië verbleef in het gebied Al-Ziyarah en Hama.

De verdachte was in de periode van maart 2015 tot en met 10 november 2015 betrokken bij Ahrar al-Sham

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in deze periode betrokken was bij Ahrar al-Sham. Deze vaststelling volgt rechtstreeks uit de voorgaande vaststellingen, in onderling verband en samenhang bezien. Met betrekking tot de omstandigheid dat video 2 blijkens de titel en de bijschriften ziet op het Vrije Syrische Leger, merkt de rechtbank op dat dit – anders dan gesteld door de verdediging – geen contra-indicatie is voor betrokkenheid van de verdachte bij Ahrar al-Sham. Het Vrije Syrische Leger en Ahrar al-Sham werkten immers samen tijdens de slag om Sahl Al-Ghab in een coalitieverband.

5 PLEGEN VAN OORLOGSMISDRIJVEN

5.1

Inleiding

Aan de verdachte is onder dagvaarding I ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 27 april 2015, in of nabij Al-Ziyarah (Syrië) en/of Hama (Syrië), tezamen en vereniging met (een) ander(en), naast een overleden persoon of personen heeft geposeerd, hen ‘honden’ en ‘karkassen van Al-Assad’ heeft genoemd en liederen heeft gezongen, hen heeft tentoongesteld, zijn voet op de lichamen heeft geplaatst en hen heeft geschopt, op de lichamen heeft gespuugd, zich heeft laten filmen terwijl hij dit deed en die video heeft verspreid via sociale media. Deze verdenking komt – kort gezegd – neer op aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, zoals verboden in gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verdragen van Genève van 1949.

Aan de verdachte is onder dagvaarding II onder feit 1 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië) heeft medegepleegd (primair) dan wel medeplichtig is (subsidiair) aan, het gewapend poseren naast een gevangengenomen persoon, terwijl die persoon wordt ondervraagd, zich hierbij heeft laten filmen terwijl de gevangengenomen persoon herkenbaar in beeld werd gebracht en deze film heeft verspreid of laten verspreiden of de kans heeft aanvaard dat deze zou worden verspreid via sociale media. Deze verdenking komt – kort gezegd – neer op het niet menslievend behandelen van een persoon die niet of niet meer aan de vijandelijkheden deelneemt, doordat hij deze persoon niet heeft beschermd tegen de nieuwsgierigheid van het publiek, hetgeen in strijd is met gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, artikel 4 van Aanvullend Protocol II bij de Verdragen van Genève en het internationaal humanitair gewoonterecht.

Onder feit 2 zijn dezelfde feitelijke gedragingen ten laste gelegd, maar dan als medeplegen dan wel medeplichtigheid aan – kort gezegd – aanranding van de persoonlijke waardigheid.

Ter beantwoording van de vraag of tot bewezenverklaring kan worden gekomen van deze feiten dient allereerst te worden vastgesteld of het internationaal humanitair recht van toepassing is, aangezien oorlogsmisdrijven schendingen betreffen van dit recht. Daartoe moet worden bezien of destijds in Syrië sprake was van een gewapend conflict dat, gelet op hetgeen ten laste is gelegd, van niet-internationale aard moet zijn. Vervolgens zal moeten worden beoordeeld of de slachtoffers die op de filmpjes zijn te zien bescherming genoten onder het internationaal recht en of de verdachte kennis had van de feitelijke omstandigheden met betrekking daartoe. Pas daarna kan worden ingegaan op de vraag of de gedragingen van de verdachte – zoals die in hoofdstuk 4 zijn vastgesteld – een schending opleveren van het gebod op menslievende behandeling en/of het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid. Tot slot moet worden vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamde nexus – een verband – tussen de gedragingen van de verdachte en het conflict. Daarbij moet eveneens worden bekeken of de verdachte wist van de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot het bestaan van het conflict. Deze onderdelen zijn ontleend aan de Elements of Crimes van het International Criminal Court (hierna: het ICC).

Bij de beantwoording van deze deelvragen schetst de rechtbank telkens allereerst het juridisch kader dat zij toepast, vervolgens gaat zij in op de feiten en omstandigheden van het geval.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich ten aanzien van alle drie de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven op het standpunt gesteld dat gekomen kan worden tot een bewezenverklaring.

Hiertoe is allereerst aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië.

Met betrekking tot video 1 is aangevoerd dat de personen op deze video overleden zijn en derhalve bescherming genoten onder het internationaal humanitair recht. Met zijn gedragingen heeft de verdachte hen vernederend en onterend behandeld. Gelet op jurisprudentie (onder meer van de rechtbank Den Haag) is dit van zodanige ernst dat sprake is van een aanranding van de persoonlijke waardigheid. Bovendien is sprake van een nexus.

Met betrekking tot video 2 is aangevoerd dat de gevangene op deze video bescherming genoot onder het internationaal humanitair recht omdat hij niet meer deelnam aan de vijandelijkheden. De gedragingen waar de verdachte bij betrokken is, zijn – gelet op de setting – dusdanig van aard dat deze vernederend en onterend zijn en dat is van zodanige aard, dat dit een aanranding oplevert van de persoonlijke waardigheid. Hiertoe is van belang dat de gevangene wordt omringd door gewapende personen die dicht boven op hem staan, met stemverheffing spreken en hem ondervragen. De gevangene oogt onzeker over de situatie en zijn lot.

Bovendien dient het gebod op een menslievende behandeling voor niet-internationale gewapende conflicten op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als voor internationale gewapende conflicten, gelet op i) de geest van het gebod en ii) de vervagende grenzen tussen internationale gewapende conflicten en niet-internationale gewapende conflicten, en iii) het toegenomen belang om personen te beschermen in niet-internationale gewapende conflicten door het oprukkende digitale tijdperk. Dit maakt dat het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid eveneens van toepassing is bij niet-internationale gewapende conflicten.

Ook met betrekking tot video 2 is sprake van een nexus.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet tot bewezenverklaring kan worden gekomen van de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven.

Allereerst is het niet mogelijk om vast te stellen dat sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict, aangezien de verdachte niet heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.

Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat het conflict waar Ahrar al-Sham bij betrokken is voldoende intensief is om van een niet-internationaal gewapend conflict te kunnen spreken. Daarnaast is er onvoldoende bekend over de mate van organisatie van Ahrar al-Sham. Ahrar al-Sham is bovendien vele malen minder georganiseerd dan bijvoorbeeld Islamitische Staat.

Met betrekking tot video 2 is geen sprake van aanranding van de persoonlijke waardigheid, nu rekening moet worden gehouden met de achtergrond van de situatie, in het bijzonder de verschrikkelijke gebeurtenissen over en weer, maar vooral vanuit de kant van de milities en de kant van Assad. Met betrekking tot video 2 kan evenmin worden gesproken van aanranding van de persoonlijke waardigheid nu de gedragingen op de video daartoe onvoldoende zijn.

Er is geen sprake van een nexus nu het onduidelijk is om welke groepering het gaat en de groeperingen die in beeld komen juist eerder aantonen dat er geen direct verband bestaat.

Tot slot heeft de verdediging bepleit dat onder feit 1 op dagvaarding II overtreding van artikel 7 van de Wim ten laste is gelegd, maar dat dat artikel niet van toepassing is omdat het niet gaat om een internationaal gewapend conflict.

5.4

De beoordeling

5.4.1

Het juridisch kader

5.4.1.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht

Het internationaal humanitair recht is van toepassing wanneer sprake is van een gewapend conflict. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen internationale gewapende conflicten en gewapende conflicten ‘not of an international character’.46 Die laatste worden doorgaans niet-internationale gewapende conflicten genoemd. In de zaak Tadić is door het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: het ICTY) een algemeen geaccepteerde definitie gegeven van gewapend conflict:

‘an armed conflict exists whenever there is a resort to armed force between States or protracted armed violence between governmental authorities and organized groups or between such groups within a State.’ 47

De regels voor internationale gewapende conflicten en niet-internationale gewapende conflicten verschillen op onderdelen. Over het algemeen zijn de regels met betrekking tot niet-internationale gewapende conflicten minder gedetailleerd dan de regels met betrekking tot internationale gewapende conflicten.48 Zo wordt bijvoorbeeld gedurende internationale gewapende conflicten de status van combattanten formeel erkend.

Het is mogelijk – en veel voorkomend – dat in een bepaald gebied meerdere conflicten plaatsvinden, waarvan sommige plaatsvinden tussen staten en andere tussen staten en georganiseerde gewapende groepen en tussen georganiseerde gewapende groepen onderling. Voor het vaststellen van het bestaan en de aard van een gewapend conflict gedurende een bepaalde periode is een analyse van de feitelijke situatie vereist, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht.49

Nu de ten laste gelegde verdenking enkel ziet op schending van de regels van het internationaal humanitair recht met betrekking tot een niet-internationaal gewapend conflict, zal de rechtbank niet verder expliciet ingaan op internationaal gewapende conflicten.

Waar bij een internationaal gewapend conflict geen eis is gesteld aan de intensiteit van het gewapende geweld, is dit voor niet-internationaal gewapende conflicten anders. Blijkens de zaak Tadić moet er sprake zijn van ‘protracted armed violence’, en daarnaast moet(en) de betrokken gewapende groep(en) voldoende georganiseerd zijn50. Deze criteria zijn in deze en latere jurisprudentie verder uitgewerkt. De criteria onderscheiden situaties van niet-internationale gewapende conflicten van situaties van bijvoorbeeld interne onrust en rellen.

In de zaak Limaj boog het ICTY zich nog over de vraag of er naast het vereiste van intensiteit en het organisatievereiste wellicht ook een specifiek doel-vereiste is. Het ICTY oordeelde echter:

‘[T]he determination of the existence of an armed conflict is based solely on two criteria: the intensity of the conflict and organisation of the parties, the purpose of the armed forces to engage in acts of violence or also achieve some further objective is, therefore, irrelevant.’ 51

In de zaak Haradinaj werd door het ICTY uiteengezet dat met ‘protracted armed violence’ eerder wordt gedoeld op de intensiteit dan op de duur van het conflict. Ook werden in die zaak de relevante factoren opgesomd waarmee op objectieve wijze de intensiteit van het gewapende geweld kan worden getoetst:

‘These indicative factors include the number, duration and intensity of individual confrontations; the type of weapons and other military equipment used; the number and calibre of munitions fired; the number of persons and type of forces partaking in the fighting; the number of casualties; the extent of material destruction; and the number of civilians fleeing combat zones. The involvement of the UN Security Council may also be a reflection of the intensity of a conflict.’ 52

Deze factoren zijn niet limitatief. Daarnaast zijn ze slechts indicatief en is één enkele factor niet bepalend.53

Met betrekking tot de organisatiegraad van de gewapende groep(en) worden door het ICTY in de zaak Tadić twee factoren genoemd, die in de zaak Haradinaj verder zijn aangevuld:

‘Such indicative factors include the existence of a command structure and disciplinary rules and mechanisms within the group; the existence of a headquarters; the fact that the group controls a certain territory; the ability of the group to gain access to weapons, other military equipment, recruits and military training; its ability to plan, coordinate and carry out military operations, including troop movements and logistics; its ability to define a unified military strategy and use military tactics; and its ability to speak with one voice and negotiate and conclude agreements such as cease-fire or peace accord.’ 54

Ook hier geldt weer dat de factoren indicatief zijn en dat het een niet-limitatieve lijst betreft.55

Een Staat wordt verondersteld strijdkrachten te hebben die voldoen aan het vereiste van organisatie.56

5.4.1.2 De beschermde status van de slachtoffers

Het internationaal humanitair recht heeft tot doel om personen te beschermen die niet of niet meer deelnemen aan vijandelijkheden. In gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève worden zij omschreven als ‘personen die niet rechtsreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak’. Dit kan ook zien op overleden personen.57

5.4.1.3 Handelen in strijd met het internationaal humanitair recht

Het gebod op een menslievende behandeling

De vier Verdragen van Genève bevatten regels die zien op de bescherming van personen die niet of niet meer deelnemen aan vijandelijkheden in een gewapend conflict. De hoeksteen voor deze verdragen wordt gevormd door het beginsel van menslievende behandeling.58 Voor internationale gewapende conflicten is dit beginsel (onder meer) gecodificeerd in de artikelen 12 van het eerste en tweede Verdrag van Genève, artikel 13 van het derde Verdrag van Genève, artikel 27 van het vierde Verdrag van Genève en artikel 75 van Aanvullend Protocol I. Voor niet-internationale gewapende conflicten is het beginsel te vinden in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdagen van Genève en artikel 4 van Aanvullend Protocol II bij de Verdragen van Genève. Het gebod is blijkens de studie van het International Committee of the Red Cross (hierna: het ICRC) naar internationaal humanitair rechtelijk gewoonterecht in ieder geval sinds 2005 ook een regel van gewoonterecht voor zowel internationale als niet-internationale gewapende conflicten.59

In geen van deze bepalingen is echter een definitie te vinden van het begrip ‘menslievende behandeling’. In het meest recente commentaar van het ICRC bij gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève is opgenomen dat de betekenis contextspecifiek is en dat de concrete omstandigheden van elk geval in aanmerking moeten worden genomen, rekening houdend met zowel objectieve als subjectieve elementen, zoals het milieu, de fysieke en mentale toestand van de personen, alsmede hun leeftijd, sociale, culturele, religieuze of politieke achtergrond en ervaringen uit het verleden. Bovendien is er een groeiende erkenning dat vrouwen, mannen, meisjes en jongens op verschillende manieren door gewapende conflicten worden getroffen. Gevoeligheid voor de inherente status, capaciteiten en behoeften van het individu, met inbegrip van de wijze waarop deze verschillen tussen mannen en vrouwen als gevolg van sociale, economische, culturele en politieke structuren in de samenleving, draagt bij tot het begrip van de menslievende behandeling.60

In de hiervoor genoemde bepalingen is – zoals gezegd – een gebod op menslievende behandeling opgenomen. Daarbij worden telkens enkele specifieke verboden en/of geboden opgenomen die volgen uit het gebod op een menslievende behandeling. Uit de bewoordingen van en het commentaar bij de bepalingen volgt dat deze verboden en geboden voorbeelden betreffen van hetgeen voortvloeit uit het gebod op een menslievende behandeling. Het gaat dus niet om een limitatieve opsomming. Hier is voor gekozen omdat een alomvattende definitie van menslievende behandeling een kader zou hebben gecreëerd dat het risico liep te smal en inflexibel te zijn, en als zodanig niet in staat zou zijn om een humane behandeling te garanderen in situaties waarin rekening moet worden gehouden met onvoorziene of bijzondere omstandigheden. Tegelijkertijd had het geven van geen enkele leidraad voor de betekenis van een humane behandeling de partijen in een gewapend conflict te veel speelruimte kunnen geven, wat zou leiden tot interpretaties die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van deze fundamentele regel.61

De voorbeelden in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève betreffen een viertal verboden, waaronder – voor deze zaak van belang – een verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling. De voorbeelden in de andere bepalingen bevatten (gedeeltelijk) andere verboden dan wel geboden. Artikel 13 van het derde Verdrag van Genève en artikel 27 van het vierde Verdrag van Genève bevatten beide als voorbeeld onder meer het – in deze zaak in de tenlastelegging genoemde – gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid van krijgsgevangenen respectievelijk burgers.

Menslievende behandeling: het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid

Noch in de Verdragen van Genève noch in het daarbij behorende tweede Aanvullend Protocol is een definitie te vinden van ‘aanranding van de persoonlijke waardigheid’. Door het ICTY is hier echter wel een invulling aan gegeven, voor het eerst in de zaak Kunarac:

‘the accused intentionally committed or participated in an act or omission which would be generally considered to cause serious humiliation, degrading or otherwise be a serious attack on human dignity’. 62

In de latere zaak Haradinaj werd in plaats van ‘serious humiliation’ gesproken over ‘severe humiliation’.

Bij de beoordeling spelen subjectieve criteria een rol die zijn gerelateerd aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de relevante aspecten van de culturele achtergrond van het slachtoffer.63 Hierdoor vallen gedragingen die bijvoorbeeld vernederend zijn voor iemand van een bepaalde nationaliteit, cultuur of religie, terwijl ze dat niet noodzakelijkerwijs zijn voor anderen, ook onder de reikwijdte van het begrip aanranding van de persoonlijke waardigheid.64 Het slachtoffer hoeft zich niet persoonlijk bewust te zijn geweest van de gedraging.65

Naast subjectieve criteria die zijn gerelateerd aan de kwetsbaarheid van het slachtoffer dient te worden gekeken naar objectieve criteria die zijn gerelateerd aan de ernst van de gedraging.66 Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de aard van de gedraging, maar ook naar de herhaling of een combinatie van verschillende gedragingen:

‘[T]he seriousness of an act and its consequences may arise either from the nature of the act per se or from the repetition of an act or from a combination of different acts which, taken individually, would not constitute a crime within the meaning of Article 3 of the [ICTY] Statute. The form, severity and duration of the violence, the intensity and duration of the physical or mental suffering, shall serve as a basis for assessing whether crimes were committed.’ 67

In de Elements of Crimes van het ICC is bij de definitie van aanranding van de persoonlijke waardigheid opgenomen dat de vernederende of onterende behandeling of andere schending van zodanige ernst moet zijn dat deze is ‘generally recognized as an outrage upon personal dignity’.68 Het ICRC merkt hierover in het commentaar bij gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen op dat deze definitie de indicatie geeft dat een schending geen ernstige mentale of fysieke pijn vereist, maar dat de gedraging significant moet zijn om te kunnen worden onderscheiden van een belediging. Dit zou ook volgen uit de gewone betekening van de term ‘outrage’. Daarbij wordt wel aangegeven dat in de literatuur ook een afwijkende opvatting te vinden is die inhoudt dat het verbod onder internationaal humanitair recht breder is dan onder internationaal strafrecht.69

Gedragingen die bij internationale tribunalen tot veroordelingen hebben geleid voor aanranding van de persoonlijke waardigheid zijn onder meer publieke gedwongen naaktheid,70 verkrachting en seksueel geweld,71 het gebruik van gevangenen als menselijk schild of om loopgraven te graven,72 ongepaste omstandigheden voor opsluiting, gedwongen worden om onderdanige handelingen te verrichten, gedwongen worden om de behoeften te doen in de eigen kleding en de constante angst om te worden blootgesteld aan fysiek, mentaal of seksueel geweld.73 Voorbeelden van vernederende behandeling op basis van jurisprudentie van mensenrechteninstanties zijn onder meer behandeling of bestraffing van een persoon door deze ten overstaan van anderen op grove wijze te vernederen of deze ertoe aan te zetten om tegen zijn wil of geweten in te handelen,74 vuile kleren laten dragen75 en het afknippen van iemands haar of baard als straf.76

Met betrekking tot aanranding van de persoonlijke waardigheid van overleden personen heeft op nationaal niveau in verschillende Europese landen vervolging plaatsgevonden voor oorlogsmisdrijven. Zo zijn in die zaken veroordelingen gevolgd voor het verminken van overleden personen77 en het poseren met een hoofd van een overleden persoon en het vervolgens delen van foto’s of filmpjes hiervan.78 Door de rechtbank Den Haag is op 23 juli 2019 vonnis gewezen in een zaak waar soortgelijke feiten ten laste waren gelegd.79 Het betrof hier het poseren voor een foto bij overleden personen en het vervolgens verspreiden van deze foto en het verspreiden van twee foto’s van vernederde overleden personen waar de desbetreffende verdachte zelf niet op stond en bij welke totstandkoming hij ook niet betrokken was. Voor de foto waar de desbetreffende verdachte zelf op stond werd hij veroordeeld. Met betrekking tot ander beeldmateriaal oordeelde de rechtbank dat de desbetreffende verdachte met zijn gedraging, te weten het doorsturen van dit beeldmateriaal, weliswaar had bijgedragen aan de verdere vernedering, maar dat die gedraging niet zodanig van aard was dat dit ook een aanranding van de persoonlijke waardigheid oplevert. In hoger beroep volgde een soortgelijke beoordeling.80

Menslievende behandeling: het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid

Volgens het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid moeten gevangenen te allen tijde worden beschermd tegen beledigingen en publieke nieuwsgierigheid, ongeacht of deze tegelijkertijd plaatsvinden. Ook zonder beledigende opmerkingen en acties is blootstelling aan publieke nieuwsgierigheid vernederend en daarom specifiek verboden. ‘Publiek’ is iedereen die niet rechtstreeks betrokken is bij de behandeling van de gevangenen, met inbegrip van andere leden van de gevangenhoudende mogendheid.81

In het commentaar bij artikel 13 van het derde Verdrag van Genève is opgenomen dat het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid ziet op verschillende situaties. Zo ziet het zonder meer op het laten paraderen van gevangenen in het openbaar, maar omvat het ook het verbod op het blootstellen van gevangenen aan vernedering wanneer zij hun kamp of detentiecentrum voor het werk verlaten, naar een andere faciliteit worden overgebracht of worden gerepatrieerd. In moderne conflicten omvat het verbod ook de openbaarmaking van fotografische en videobeelden, opnames van ondervragingen of privégesprekken of persoonlijke correspondentie of andere privégegevens, ongeacht welk openbaar communicatiekanaal wordt gebruikt, met inbegrip van internet. Hoewel dit anders is dan door een vijandige menigte marcheren, kan een dergelijke onthulling nog steeds vernederend zijn en de veiligheid van de families van de gevangenen en van de gevangenen zelf in gevaar brengen zodra zij zijn vrijgelaten.

Als er een dwingend openbaar belang is bij het onthullen van de identiteit van een gevangene (bijvoorbeeld vanwege hun anciënniteit of omdat hij door justitie wordt gezocht) of als het in het vitale belang van de gevangene is om dit te doen (bijvoorbeeld wanneer hij vermist raakt), dan kunnen de materialen bij uitzondering worden vrijgegeven, maar alleen voor zover de waardigheid van de gevangene wordt gerespecteerd. Bovendien mogen beelden van gevangenen in vernederende of onterende situaties niet worden verzonden, gepubliceerd of uitgezonden, tenzij er een dwingende reden van algemeen belang is om dit te doen (bijvoorbeeld om ernstige schendingen van het humanitair recht onder de aandacht van het publiek te brengen) en mogen de beelden de identiteit van de betrokken personen niet onthullen.82

Het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid is niet nadrukkelijk opgenomen in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, noch in artikel 4 van Aanvullend Protocol II, die zien op niet-internationale gewapende conflicten. Uit de tekst van deze bepalingen valt niet op te maken of het gebod valt onder het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid en/of (via het internationaal humanitair gewoonterecht) onder het algemene gebod op een menslievende behandeling.

Voor het bestaan van gewoonterecht is vereist dat sprake is van zowel statenpraktijk als opinio juris. Voor een groot aantal regels van gewoonterecht is de studie naar statenpraktijk en opinio juris reeds verricht in de hiervoor al genoemde studie van het ICRC. Hoewel naar aanleiding van die studie door het ICRC is geconcludeerd dat het gebod op menslievende behandeling een regel van gewoonterecht is, heeft het ICRC zich niet uitgelaten over de vraag of het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid eveneens moet worden geacht te vallen onder het gewoonterecht. Evenmin is (internationale) jurisprudentie beschikbaar waarin een dergelijke conclusie reeds is getrokken.

5.4.1.4 De nexus

Tussen de gedraging en het gewapende conflict moet sprake zijn van een bepaalde relatie, ook wel ‘nexus’ genoemd. Het nexus-vereiste dient om oorlogsmisdaden te onderscheiden van commune misdaden en andere internationale misdrijven zoals genocide en misdrijven tegen de menselijkheid.83 Door de tribunalen is het nodige overwogen over wanneer nu precies voldaan is aan het nexus-vereiste.

Uit de zaak Tadić volgt dat niet is vereist dat de gedragingen plaatsvonden in de loop van de gevechten, noch binnen het gebied waar daadwerkelijk de strijd plaatsvindt, voor zover ‘the crimes were closely related to the hostilities occuring in other parts of the territories controlled by the parties of the conflict’.84 Hier werd in een latere zaak echter aan toegevoegd dat het van wezenlijk belang is dat het bestaan van een geografische of temporele link wordt vastgesteld tussen de ten laste gelegde misdrijven en het gewapende conflict.85

Daarnaast is het niet noodzakelijk dat een misdrijf deel is van ‘a policy or of a practice officially endorsed or tolerated by one of the parties to the conflict, or that the act be in actual furtherance of a policy associated with the conduct of war or in the actual interest of a party to the conflict’.

De Appeals Chamber van het ICTY overwoog vervolgens in 2002 in de zaak Kunarac:

‘What ultimately distinguishes a war crime from a purely domestic offence is that a war crime is shaped by or dependent upon the environment – the armed conflict – in which it is committed. It need not have been planned or supported by some form of policy. The armed conflict need not have been causal to the commission of the crime, but the existence of an armed conflict must, at a minimum, have played a substantial part in the perpetrator’s ability to commit it, his decision to commit it, the manner in which it was committed or the purpose for which it was committed. Hence, if it can be established, as in the present case, that the perpetrator acted in furtherance of or under the guise of the armed conflict, it would be sufficient to conclude that his acts were closely related to the armed conflict.’ 86

In diezelfde zaak zijn door het ICTY indicatieve factoren genoemd die kunnen worden meegewogen in de toets of is voldaan aan het vereiste dat de dader handelde ‘in furtherance or under the guise of the armed conflict’:

‘In determining whether or not the act in question is sufficiently related to the armed conflict, the Trial Chamber may take into account, inter alia, the following factors: the fact that the perpetrator is a combatant; the fact that the victim is a non-combatant; the fact that the victim is a member of the opposing party; the fact that the act may be said to serve the ultimate goal of a military campaign; and the fact that the crime is committed as part of or in the context of the perpetrator’s official duties’ 87

Door het International Criminal Tribunal for Rwanda (hierna: het ICTR) werd door de Trial Chamber in de zaak Akayesu geoordeeld dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor oorlogsmisdrijven is gelimiteerd tot de strijdende partijen en diegenen die in nabije relatie staan tot één van de partijen. De Appeals Chamber herstelde dit echter en overwoog als volgt:

‘This nexus between violations and the armed conflict implies that, in most cases, the perpetrator of the crime will probably have a special relationship with one party to the conflict. However, such a relationship is not a condition precedent to the application of common Article 3 and, hence of Article 4 of the Statute.88

In de zaak Rutaganda zaak werd door de Appeals Chamber van het ICTR ingegaan op de vraag wat nu precies moet worden verstaan onder de door de ICTY in de zaak Kunarac gebruikte bewoordingen ‘under the guise of the armed conflict’. Overwogen werd als volgt:

‘the expression under the guise of the armed conflict’ does not simply mean ‘at the same time of an armed conflict’ and/or ‘in any circumstances created in part by the armed conflict’. For example, if a non-combatant takes advantage of the lessened effectiveness of the police in conditions of disorder created by an armed conflict to murder a neighbor he has hated for years, that would not, without more, constitute a war crime under Article 4 of the Statute.’89

De beoordeling van het bestaan van een nexus is casuïstisch en biedt ruimte om – in dezelfde zaak – tot verschillende uitkomsten te komen.90 De omstandigheid dat –

ondanks de door het ICTY geboden factoren die kunnen helpen bij de beoordeling – de definitie van het nexus-vereiste openstaat voor verschillende interpretaties, draagt hieraan bij. Zo werd in de zaak tegen Joseph M. door de rechtbank Den Haag gekozen voor een restrictieve interpretatie, wat resulteerde in een vrijspraak, en door het gerechtshof in hoger beroep voor een ruimere interpretatie, wat leidde tot een veroordeling.91

5.4.2

Het oordeel van de rechtbank

5.4.2.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vragen of kan worden vastgesteld dat in Syrië in de ten laste gelegde periode sprake was van een gewapend conflict en of daarmee sprake is van toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht. In de jurisprudentie is reeds vastgesteld dat vanaf 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict tussen Syrische regeringstroepen en diverse georganiseerde gewapende groepen. Hiermee is het internationaal humanitair recht van toepassing op het gehele grondgebied van Syrië.92

Onder verwijzing naar deze jurisprudentie stelt de rechtbank andermaal vast dat op basis van de hiervoor in hoofdstuk 4 vastgestelde feitelijkheden dat sprake is van het vereiste van protracted armed violence. Er waren veelvuldig grootschalige militaire operaties tussen de betrokkenen, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie. Het aantal dodelijke slachtoffers stond eind 2015 op meer dan 250.000 personen en 4,3 miljoen personen zijn Syrië en Irak ontvlucht. Een zeer aanzienlijk aantal personen heeft humanitaire hulp nodig en diverse steden en dorpen in Syrië en Irak zijn vernield. Ook werd er onderhandeld over een vredesplan en was de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betrokken. Daarmee is voldaan aan het vereiste van een zekere mate van intensiteit van het conflict. Het geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting om bij de beoordeling van de intensiteit van het conflict enkel te kijken naar de mate van protracted armed violence tussen de regeringstroepen en de groepering waarvan de verdachte lid is geweest.

De rechtbank stelt voorts vast dat Ahrar al-Sham voldoende georganiseerd is om te kunnen worden aangeduid als georganiseerde gewapende groep. De organisatie beschikte in de ten laste gelegde periode over een commandostructuur, had controle over een territorium, had toegang tot wapens, voerde militaire operaties uit, al dan niet in samenwerking met andere groepen, en nam deel aan vredesbesprekingen. De door de verdediging naar voren gebrachte stelling dat Ahrar al-Sham wellicht minder georganiseerd was dan bijvoorbeeld Islamitische Staat, doet niet af aan het oordeel dat Ahrar al-Sham – gelet op het toetsingskader – voldoet aan het criterium.

De rechtbank concludeert dan ook dat vanaf juli 2012 in Syrië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene gewapende groepen, waaronder Ahrar al-Sham.

Nu kan worden vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, kan tevens worden vastgesteld dat het internationaal humanitair recht van toepassing is. Het gaat daarbij in het bijzonder om gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève en verschillende regels van internationaal humanitair gewoonterecht. Aanvullend Protocol II bij de verdragen van Genève is niet van toepassing aangezien Syrië geen partij is bij dit protocol.

5.4.2.2 De beschermde status van de slachtoffers

De rechtbank heeft reeds in hoofdstuk 4 vastgesteld dat de personen op video 1 overleden zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit geënsceneerd is. Dit maakt dat de personen op de video gelet op vorenstaand toetsingskader – ongeacht het antwoord op de vraag of zij gedurende hun leven als tegenstanders werden gezien van Ahrar al-Sham – bescherming genoten onder het internationaal humanitair recht.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte wist dat deze personen niet (meer) deelnamen aan de vijandelijkheden, gelet op het feit dat hij in de video meermalen spreekt over ‘dit is het einde van de honden’, ‘hier liggen de lichamen van doden van al-Assad’, ‘hier zijn de lichamen van de Al-Shabiha’, ‘ze werden (…) gedood’ en ‘zij zijn zeven (…) karkassen’.

De rechtbank heeft ook reeds in hoofdstuk 4 vastgesteld dat de persoon op video 2 een gevangengenomen militair is. Aangezien hij dus niet meer deelnam aan vijandelijkheden genoot hij bescherming onder het internationaal humanitair recht. Aangezien de verdachte een van de gewapende personen is die naast de gevangene staat op de video, moet voor hem duidelijk zijn geweest dat de persoon op video 2 een gevangene was.

5.4.2.3 Handelen in strijd met het internationaal humanitair recht

Uitgangspunt

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de schendingen van mensenrechten en het internationaal humanitair recht die zijn begaan door het regime van Assad van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van de persoonlijke waardigheid, merkt de rechtbank het volgende op. Het internationaal humanitair recht vormt het geheel aan regels dat geldt ten tijde van een gewapend conflict. Het dient ter bescherming van personen die niet of niet meer deelnemen aan vijandelijkheden. Het niet naleven van dit recht door één van de partijen bij het conflict, kan dan ook nimmer een reden zijn voor andere partijen om zich niet langer gebonden te achten aan de regels. De gedragingen van het regime van Assad zijn dan ook niet van belang voor de beoordeling of sprake is van handelen in strijd met het internationaal humanitair recht door de verdachte.

Menslievende behandeling: het verbod op aanranding van de persoonlijke waardigheid

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gedragingen met betrekking tot video 1 een aanranding opleveren van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende of onterende behandeling (dagvaarding I, feit 1).

Op de video zijn diverse overleden personen te zien die worden uitgemaakt voor ‘honden’ en ‘karkassen van al-Assad’ en een van hen wordt bespuugd, . Daarnaast worden er liederen boven hen gezongen, wordt er tegen een van de lichamen geschopt en wordt er een voet op geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee uitgedrukt dat het lichaam van de overledene als trofee moet worden gezien en dat de overwinnaar superieur is ten opzichte van de overledene. Dit kan zonder meer worden gezien als vernederend en onterend. In eerdere jurisprudentie van deze rechtbank is bovendien reeds vastgesteld dat – zeker gelet op de betekenis ervan in de Islamitische cultuur – het plaatsen van een voet op een overleden persoon vernederend en onterend is.93 Al deze gedragingen zijn vervolgens gefilmd en deze film is verspreid via een openbaar YouTube-kanaal waarmee de vernedering en ontering is voortgezet, doordat een groot publiek hier kennis van kon nemen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze vernederende en onterende gedragingen – zeker in onderlinge samenhang bezien – van zodanige aard dat kan worden gesproken van een aanranding van de persoonlijke waardigheid.

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of de gedragingen met betrekking tot video 2 een aanranding opleveren van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende of onterende behandeling (dagvaarding II, feit 2).

Op video 2 is een gevangengenomen militair te zien die wordt ondervraagd, terwijl hij omringd wordt door gewapende personen. De gevangene is gevraagd naar zijn naam, herkomst, militaire nummer, waar en hoe lang hij in het leger heeft gediend, waarom hij niet is gedeserteerd en of het voor hem niet haram is om tegen mede-soennieten te vechten. Hij is hierbij zichtbaar in beeld gebracht. Deze video is vervolgens verspreid via internet, waardoor een groot publiek er kennis van heeft kunnen nemen. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze ondervraging op zichzelf geen vernederende of onterende behandeling op. Weliswaar werd de ondervraagde persoon omringd door gewapende personen, werd met stemverheffing tegen hem gesproken en verkeerde hij in onzekerheid over zijn lot, maar op de videobeelden is niets te zien van fysiek geweld of andere vernederende of onterende handelingen met betrekking tot de gevangene. Het verspreiden van de video met deze ondervraging, waarbij de ondervraagde herkenbaar in beeld is gebracht, is zonder meer vernederend en onterend. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vernedering en ontering echter niet van zodanige aard dat kan worden gesproken van een aanranding van de persoonlijke waardigheid. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde.

Menslievende behandeling: het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid

De rechtbank ziet zich tot slot gesteld voor de vraag of de gedragingen met betrekking tot video 2 een schending opleveren van het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid (dagvaarding II, feit 1).

Zoals de rechtbank reeds in het juridisch kader uiteen heeft gezet blijkt – anders dan gesteld door het Openbaar Ministerie – uit de studie van het ICRC naar internationaal humanitair gewoonterecht niet dat het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid deel uitmaakt van het internationaal humanitair gewoonterecht voor niet-internationale gewapende conflicten. Het Openbaar Ministerie heeft argumenten voor de wenselijkheid van het bestaan van dergelijk gewoonterecht naar voren gebracht. Dat is op zichzelf echter niet voldoende om te kunnen stellen dat het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid ook daadwerkelijk gewoonterecht is. Dit maakt dat de rechtbank – wil zij tot een bewezenverklaring van dit feit komen – zelfstandig dient vast te stellen dat sprake is van opinio juris en statenpraktijk op dit vlak. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om een dergelijke vaststelling te kunnen doen. Uit open bronnen is de rechtbank gebleken dat veel staten weliswaar een gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid kennen, maar hierbij wordt vaak nadrukkelijk gesproken over krijgsgevangenen, een term die duidt op gevangen tegenstanders in internationale gewapende conflicten. In de krijgshandleidingen van slechts negen staten wordt gebruik gemaakt van de algemenere term ‘gevangene’. Dit is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van opinio juris en statenpraktijk dat het gebod op bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid ook in niet-internationale gewapende conflicten valt onder het gebod op menslievende behandeling. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit.

5.4.2.4 Nexus en kennis van de verdachte

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gebeurtenissen in video 1 hebben plaatsgevonden in de context van en worden geassocieerd met het gewapend conflict en of de verdachte wist van de feitelijke omstandigheden die voor de totstandkoming van het gewapend conflict hebben gezorgd.

Video 1 is gemaakt tijdens het offensief ter bevrijding van Sahl Al-Ghab. De overledenen zouden om het leven zijn gekomen tijdens dit offensief. Zij worden Shabiha genoemd, een term die gebruikt wordt voor milities die strijden voor het regime van Assad. De overledenen behoorden derhalve tot de tegenpartij van Ahrar Al-Sham, waartoe de verdachte als strijder behoorde. De aanranding van de persoonlijke waardigheid van de overleden tegenstanders draagt bij aan het etaleren van de overwinning. Hiermee is sprake van een nexus tussen de gedragingen van de verdachte en het conflict in Syrië.

Het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verdachte geen kennis had van de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot het bestaan van een gewapend conflict omdat hij niet te zien zou zijn op de video’s, behoeft niet langer bespreking, nu reeds in paragraaf 4.4 is vastgesteld dat de verdachte wel degelijk te zien is op deze video’s. Uit het dossier volgt dat de verdachte kennis had van de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot het bestaan van het gewapend conflict. Op basis van de video’s kan immers worden vastgesteld dat de verdachte actief betrokken was bij de directe nasleep van de gevechtshandelingen. Zo was hij in video 1 betrokken bij het vieren van de overwinning op tegenstanders die waren gesneuveld bij een veldslag die onderdeel was van het gewapende conflict, en was hij in video 2 betrokken bij de ondervraging van een bij die veldslag gevangengenomen militair van het Syrische leger.

5.4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 27 april 2015, in of nabij Al-Ziyarah (Syrië), althans in Syrië,

tezamen en in vereniging met anderen,

in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië,

in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949,

personen die toen niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden

deelnamen, te weten personen die buiten gevecht zijn gesteld door enig andere oorzaak,

in hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand en (in het bijzonder) vernederend

en/of onterend heeft behandeld,

doordat hij, verdachte en zijn mededaders, terwijl voornoemde overleden

personen op de grond lagen,

 naast voornoemde overleden personen heeft gestaan en/of geposeerd en

 voornoemde (overleden) personen ‘honden’ en ‘karkassen van al-Assad’ heeft genoemd en liederen heeft gezongen en

 voornoemde overleden personen heeft tentoongesteld en

 zijn voet op het lichaam van voornoemde overleden personen heeft geplaatst en

 met zijn voet tegen het lichaam heeft geschopt van voornoemde overleden personen en

 op het lichaam van voornoemde overleden personen heeft gespuugd en

 zich heeft laten filmen met één of meer voornoemde overleden personen gedurende de bovenstaande handelingen en

 deze video vervolgens heeft geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee aldus, heeft verspreid en openbaar heeft gemaakt.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in hoofdstuk 9 genoemde strafbare feit op.

6 DEELNAME AAN EEN TERRORISTISCHE ORGANISATIE

6.1

Inleiding

Aan de verdachte is bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 1 juli 2017 in Syrië heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Ahrar al-Sham. Aan de strafbaarstelling in artikel 140a van het WvSr van deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen terroristische misdrijven te plegen.

Om tot bewezenverklaring te komen van dit feit dient de rechtbank vast te stellen dat Ahrar al-Sham in de ten laste gelegde periode een organisatie was met een terroristisch oogmerk en dat de in hoofdstuk 4 vastgestelde feitelijkheden kunnen worden gezien als deelname aan die organisatie in de zin van artikel 140a van het WvSr. Tot slot moet komen vast te staan dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

6.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde deelname aan een terroristische organisatie. Voor wat betreft de organisatie en het terroristisch oogmerk wordt verwezen naar jurisprudentie van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag, die eerder oordeelden dat Ahrar al-Sham een organisatie is met een terroristisch oogmerk. De verdachte heeft als lid van Ahrar al-Sham deel uitgemaakt van het samenwerkingsverband en handelingen verricht die strekken tot de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie, dan wel die handelingen ondersteund. Uit zijn handelingen met betrekking tot video 1 en video 2 blijkt dat de verdachte heeft geweten van het oogmerk van de organisatie om terroristische misdrijven te plegen. Hij neemt er immers zelf aan deel.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde deelname aan een terroristische organisatie. Hiertoe is aangevoerd dat Ahrar al-Sham in de ten laste gelegde periode niet kan worden gedefinieerd als een terroristische organisatie, althans hoogstens van 1 maart 2015 tot en met 31 december 2015. Bij de beoordeling dient namelijk gekeken te worden naar de context en de omstandigheid dat het regime van Assad veel wandaden heeft begaan. Er kan niet worden gesteld dat Ahrar al-Sham een terroristisch oogmerk heeft. Vanaf 2013 heeft de organisatie een ontwikkeling doorgemaakt waarbij steeds meer afstand is genomen van het Islamitisch gedachtegoed en in plaats daarvan is een nationalistisch gedachtegoed ontwikkeld. De groep, die de verklaring van Riyad heeft ondertekend, heeft meermalen in verklaringen te kennen gegeven geen haat te hebben tegen Sjiieten, Alawieten of christenen. Ahrar al-Sham staat ook niet op de Europese terrorismelijst noch op de nationale terrorismelijst. De overwegingen van de Nederlandse wetgever om de organisatie niet op de nationale terrorismelijst te plaatsen moeten zwaarder wegen dan de recente (niet onherroepelijke) jurisprudentie van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag.

6.4

De beoordeling

6.4.1

Het juridisch kader

6.4.1.1 Het bestaan van een organisatie met een terroristisch oogmerk

Met een organisatie in de zin van artikel 140a van het WvSr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Naarmate samenwerking inniger en duurzamer is, zal eerder aan het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere structuur zijn voldaan. Een dergelijk samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men gaandeweg ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Zo’n samenwerkingsverband is niet afhankelijk van regels, uitdrukkelijke afspraken of hiërarchische verhoudingen, maar kan heel wel duurzaam zijn en aan het werken aan een gemeenschappelijk doel een bepaalde structuur ontlenen. Indien sprake is van een lossere vorm van samenwerking – geen vaste deelnemers aan het samenwerkingsverband, de deelnemers kennen elkaar maar ten dele – dan zal met name het vereiste van het samenwerkingsverband kunnen meebrengen dat ook de onderlinge verhouding tussen de deelnemers of enkele daarvan aan het samenwerkingsverband enige structuur geeft. Het feit dat twee personen van een groep gedurende ongeveer dezelfde tijd in een gestructureerd verband hebben samengewerkt, wordt voldoende geacht om ook de overige personen van die groep te beschouwen als behorend tot de organisatie, zonder dat van hen een dergelijke structuur in de samenwerking wordt vastgesteld.

Voor een bewezenverklaring van artikel 140a van het WvSr is daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk heeft om terroristische misdrijven te plegen. Dat oogmerk is in artikel 83a van het WvSr omschreven als het oogmerk om de bevolking of deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene wat men zich als direct gewild voorstelt. De criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben. Wel is er een dubbel oogmerk: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Het naaste doel moet dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven.

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

De terroristische misdrijven waarop het oogmerk moet zijn gericht zijn genoemd in artikel 83 van het WvSr.

6.4.1.2 Deelname aan een terroristische organisatie

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een terroristische organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of bedoelde ondersteuning kan worden gesproken. Slechts sympathiseren met een organisatie in onvoldoende. Voorbeelden van deelnemingshandelingen zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijke steun aan de organisatie of het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Het is niet noodzakelijk dat een verdachte binnen de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid).

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete terroristische misdrijven is niet vereist.

6.4.2

Het oordeel van de rechtbank

6.4.2.1 Ahrar al-Sham aan te merken als een terroristische organisatie

Ter beantwoording van de vraag of Ahrar al-Sham een terroristische organisatie is als bedoeld in artikel 140a van het WvSr overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de in hoofdstuk 4 vastgestelde feiten is Ahrar al-Sham al in 2011 opgericht en bestaat de organisatie uit verschillende brigades die soms in samenstelling wijzigen en opereren in het noorden van Syrië, in Hama, Latakiya en Aleppo. De organisatie kent verschillende leiders met één leider aan het hoofd. Het gemeenschappelijk doel is het omverwerpen van het regime van Assad en het vestigen van een Islamitische Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een samenwerkingsverband met de nodige duurzaamheid en structuur.

Zoals hiervoor in hoofdstuk 4 aangegeven, was het doel van Ahrar al-Sham is het omverwerpen van het regime van Assad en het vestigen van een Islamitische staat. De rechtbank is echter van oordeel dat de strijd die Ahrar al-Sham tegen het regime voert niet louter is ingegeven door politieke overwegingen. Dit blijkt immers uit de boodschap die het leiderschap van Ahrar al-Sham uitdraagt en de militaire acties die Ahrar al-Sham (mede) uitvoert. Over religieuze minderheden wordt minachtend gesproken door Ahrar al-Sham, zo worden Alawieten en Sjiieten in verklaringen van Ahrar al-Sham vaak nusairi en rafida genoemd. De organisatie is betrokken geweest bij het doden van Alawitische burgers en de belegering van sjiitische enclaves. Aan het Assad-regime wordt vaak gerefereerd als Alawieten. Hieruit blijkt dat de strijd tegen het Assad-regime niet uitsluitend is gelegen in politieke afwegingen, maar ook een religieuze strijd is. Ahrar al-Sham tracht – blijkens de in hoofdstuk 4 weergegeven feitelijkheden – al deze doelen te verwezenlijken door middel van meerdere van de in artikel 83a van het WvSr genoemde terroristische misdrijven, waaronder moord, doodslag en het plegen van aanslagen, ten dele gericht tegen de burgerbevolking.

Sinds najaar 2015 lijkt binnen Ahrar al-Sham sprake van een gematigde stroming en van verdeeld leiderschap. Dit blijkt uit de ondertekening van de Riyad-verklaring door het hoofd buitenlandse politieke relaties van Ahrar al-Sham op 10 december 2015, waarin wordt onderschreven dat de Syrische crisis een politieke oplossing vergt in overeenstemming met internationale verdragen en garanties. De militaire acties van Ahrar al-Sham, in 2015 en daarna, wijzen echter allerminst op het nastreven van een dergelijke politieke oplossing. Ook zijn er binnen Ahrar al-Sham hooggeplaatste personen die een gematigde stroming en de Riyad-verklaring afwijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank had de organisatie Ahrar al-Sham,in 2015 een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het WvSr. Ahrar al-Sham kan dan ook gezien worden als een terroristische organisatie. Anders dan door de verdediging is betoogd, levert vervolging van (vermeende) leden van Ahrar al-Sham naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het lex certa beginsel, omdat het onder internationaal en nationaal recht glashelder is dat het doden van iemand vanwege zijn of haar ras, achtergrond en/of religie een strafbare handeling is.

De omstandigheid dat Ahrar al-Sham niet is opgenomen op de Europese sanctielijst terrorisme en/of de nationale sanctielijst terrorisme leidt niet tot een ander oordeel. Bij brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 mei 2019 heeft de minister van Buitenlandse Zaken94 uiteen gezet dat de politiek en de rechter vanuit verschillende kaders kijken naar de vraag of een organisatie terroristisch is. Zo is bijvoorbeeld voor plaatsing op de nationale sanctielijst terrorisme van belang of de organisatie een gevaar vormt voor de nationale (rechtbank: de Nederlandse) veiligheid. Dat criterium leidt ertoe dat Ahrar al-Sham niet op deze lijst kan worden geplaatst, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat deze organisatie in of vanuit Nederland (een poging tot) terroristische activiteiten ontplooit of betrokken is bij het faciliteren daarvan, dan wel een reële gewelddadige internationale agenda heeft. Het al dan niet geplaatst zijn op een sanctielijst terrorisme staat dus los van de vraag die door de rechtbank wordt beantwoord.

6.4.2.2 Deelname van de verdachte aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham

De rechtbank heeft reeds in hoofdstuk 4 overwogen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode betrokken was bij Ahrar al-Sham. Zij ziet zich nu voor de vraag gesteld of deze betrokkenheid kan worden gekwalificeerd als opzettelijke deelname aan een terroristische organisatie.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Blijkens video 1 was de verdachte actief betrokken bij de directe nasleep van de (mede) door Ahrar al-Sham gevoerde slag om Sahl Al-Ghab. Op video 1 is te zien dat hij met anderen, gewapend met een machinegeweer, de overwinning viert op bij die slag omgekomen tegenstanders, onder meer door zijn voet op het lichaam van een overleden persoon te plaatsen. Dit duidt erop dat de verdachte actief heeft meegestreden met Ahrar al-Sham in de slag om Sahl Al-Ghab. Uit de context van deze video, zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.2, leidt de rechtbank af dat de verdachte dit heeft gedaan als lid van een brigade behorend tot Ahrar al-Sham. Het actief meestrijden met Ahrar al-Sham alsmede de gedragingen die op deze video’s zijn waar te nemen, houden rechtstreeks verband met de verwezenlijking van het oogmerk van Ahrar al-Sham, zoals dat hiervoor is weergegeven. De slag bij Sahl Al-Ghab werd immers gevoerd tegen het regime van Assad, dat Ahrar al-Sham wil overwerpen. Aldus heeft de verdachte deelgenomen aan de terroristische organisatie Ahrar al-Sham.

Uit de handelingen van de verdachte volgt ook het opzet van de verdachte. Dat het opzet van de verdachte en de brigade waar de verdachte deel van uitmaakte niet (uitsluitend) zag op het omverwerpen van het regime, maar ook op sektarisch geweld tegen minderheden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit video 1, waar de verdachte in beeld is en mede het woord voert en een van de betrokkenen vraagt of de overledenen een Alawiet is, waarop een ander, kennelijk een lid van de brigade, antwoordt: ‘Ja drie Alawieten’.

Concluderend acht de rechtbank op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2015 tot en met 10 november 2015 heeft deelgenomen aan Ahrar al-Sham, welke organisatie het oogmerk had op het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde terroristische misdrijven. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde periode van 10 november 2015 tot en met 1 juli 2017, aangezien daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is.

Eveneens acht de rechtbank bewezen dat de verdachte dat tezamen en in vereniging met anderen heeft gedaan. De verdachte is samen met anderen te zien op video 1, waaruit blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking, zoals reeds is overwogen in hoofdstuk 4.

6.4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 10 november 2015 in of nabij Al-Ziyarah (Syrië) en Hama (Syrië), althans elders in Syrië tezamen en in vereniging met anderen,

heeft deelgenomen aan organisatie Ahrar Al-Sham,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten

  1. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 76a van het Wetboek van Strafrecht,) en/of

  2. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

  3. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289jo 83 van het Wetboek van Strafrecht,) en/of

  4. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 76a en/of 289a en/of 96 lid 2).

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in hoofdstuk 9 genoemde strafbare feit op.

7 DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE EN DE STRAFOPLEGGING

7.1

Inleiding

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De rechtbank heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een oorlogsmisdrijf en aan deelname aan een terroristische organisatie. Op grond van artikel 5 van de Wim kan voor het oorlogsmisdrijf ten hoogste worden opgelegd een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren of een geldboete van de zesde categorie. Voor deelname aan een terroristische organisatie kan op grond van artikel 140a van het WvSr ten hoogste een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

De op te leggen straf dient in overeenstemming te zijn met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en te zijn gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

7.2

De vordering van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voor de ten laste gelegde deelname aan een terroristische organisatie acht het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend, en voor de ten laste gelegde oorlogsmisdrijven een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien en voor zover de rechtbank tot een veroordeling komt, volstaan moet worden met een aanzienlijk lagere straf dan geëist door het Openbaar Ministerie. Door het Openbaar Ministerie wordt onvoldoende rekening gehouden met de context en de gedragingen van het regime van Assad waar de bevolking zich tegen verzet. Dit alles maakt dat de eis van het Openbaar Ministerie exorbitant hoog is, aldus de verdediging.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De strijd in Syrië

Bij de start van de Arabische lente in Syrië is door het regime van president Assad op uiterst gewelddadige wijze getracht om protesten de kop in te drukken. Dit leidde tot gewapend verzet door verschillende oppositiegroeperingen. Gedurende het gewapend conflict dat ontstond, werden van de kant van het regime van Assad veelvuldig mensenrechten en het oorlogsrecht geschonden. Internationaal is dit het regime op veel kritiek komen te staan. Het heeft er ook voor gezorgd dat er bij velen een zekere mate van begrip is voor het (gewapende) verzet tegen het regime. Dat begrip wordt echter zonder meer begrensd wanneer dit verzet uitmondt in aanjagen van vrees bij de burgerbevolking en het plegen van oorlogsmisdrijven.

Ahrar al-Sham is een van de groeperingen die zich naast de strijd tegen het regime richt op het aanjagen van vrees bij de Alawitische bevolking. De aanvallen die tegen Alawitische burgers worden uitgevoerd door deze groepering zijn verwerpelijk en zijn zowel onder terrorismewetgeving als onder het internationaal humanitair recht verboden. Ook de wijze waarop – zoals in de onderhavige zaak – wordt omgegaan met verslagen tegenstanders kan niet worden getolereerd. Het gegeven dat het regime van Assad ook vele verwijten kan worden gemaakt, kan nooit een vrijbrief zijn voor oppositiegroeperingen om zich te richten op het aanjagen van vrees bij de burgerbevolking en oorlogsmisdrijven te begaan. Juist omdat in een oorlog niet valt te voorkomen dat er slachtoffers vallen, is het des te belangrijker om burgers en personen die niet (meer) deelnemen aan gewelddadigheden te beschermen.

Handelen van de verdachte

De verdachte heeft actief meegevochten als lid van Ahrar al-Sham. Hiermee heeft hij bijgedragen aan het oogmerk van de organisatie. De verdachte heeft daarnaast een oorlogsmisdrijf gepleegd door samen met anderen overleden tegenstanders te bespugen, tegen hen te schoppen, de voet op hen te plaatsen, hen uit te schelden en strijdliederen boven hen te zingen. Dit alles hebben de verdachte en zijn mededaders laten filmen en deze video is vervolgens geplaatst op YouTube. De verdachte heeft op deze video een leidende rol.

Uitgangspunten

Door het Openbaar Ministerie is met betrekking tot de strafoplegging van het oorlogsmisdrijf verwezen naar eerdere jurisprudentie van deze rechtbank. In die zaak is voor het poseren naast een overleden persoon en het vervolgens verspreiden van deze foto een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden als uitgangspunt gehanteerd.95 Daarbij is meegewogen dat die overledene zeer herkenbaar in beeld was gebracht en de nabestaanden van die persoon daardoor op internet geconfronteerd kunnen worden met de mensonterende behandeling van hun dierbare. In de onderhavige zaak komt de rechtbank echter tot een lagere straf ten aanzien van dit feit, aangezien de overledenen op de video niet of nauwelijks herkenbaar zijn. Omdat de eerbiediging van het internationaal humanitair recht echter van groot belang is, acht de rechtbank desondanks – uit een oogpunt van normbevestiging – oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur aangewezen. De rechtbank zal een gevangenisstraf van twee jaren als uitgangspunt nemen voor het oorlogsmisdrijf.

Voor de deelname aan een terroristische organisatie wordt in jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren als uitgangspunt genomen.96 In de onderhavige zaak komt de rechtbank tot een lager uitgangspunt. Voormelde jurisprudentie ziet op gevallen waarin de desbetreffende verdachte vanuit Nederland was uitgereisd om in een ander land deel te nemen aan een terroristische organisatie. In deze zaak is daarvan geen sprake. Anders dan het Openbaar Ministerie, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de verdachte geen uitreiziger is, maar een geboren en getogen Syriër die reeds woonde in het betreffende gebied in Syrië toen daar gevechten uitbraken, tot een lager uitgangspunt voor de strafoplegging moet leiden. Daar komt bij dat Ahrar al-Sham weliswaar een terroristische organisatie is, maar de schaal waarop deze organisatie misdaden begaat minder groot is dan van een aantal andere groeperingen zoals Islamitische Staat. De organisatie is daarnaast niet internationaal gericht, wat ook de reden is dat deze niet is opgenomen op de nationale terrorismelijst. Dit alles maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren als uitgangspunt zal nemen.


De persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft geen strafblad in Nederland, zodat er geen sprake is van strafverhogende recidive. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot afwijking van de hiervoor genoemde uitgangspunten, in strafverhogende noch in strafverminderende zin.

De op te leggen straf

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal hiervan worden afgetrokken.

8 DE TOEPASSELIJKE WETSARTIKELEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 57 en 140a van het Wetboek van Strafrecht;

- 6 van de Wet internationale misrijven.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 DE BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot het bij dagvaarding I met parketnummer 09/748011-19 onder onderdeel E van feit 2 ten laste gelegde;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II met parketnummer 09/748004-21 onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/748011-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4.3 en 6.4.3 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

medeplegen van schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, bestaande uit aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door enig andere oorzaak, begaan in een niet-internationaal gewapend conflict;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

medeplegen van deelname aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. J. Biljard, M.R. Ekkart en F. Kok, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2021.

Bijlage I: De tenlastelegging

Dagvaarding I

1.

hij op één of meer tijdstip (‘pen,) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 27 april 2015, in of nabij Al-Ziyarah (‘Syrië,) en/of Hama (Syrië,), althans (elders) in Syrië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië,

in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van

12 augustus 1949,

één of meer persoon/personen die (toen) niet (meer,) rechtstreeks aan de vijandelijkheden

deelnam(en), te weten één of meer burger(s) en/of personeel van strijdkrachten die de wapens

had(den) neergelegd en/of één of meer persoon/personen die buiten gevecht is/zijn gesteld door

ziekte en/of verwonding en/of gevangenschap en/of enig andere oorzaak,

in zijn/hun persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) vernederend

en/of onterend heeft behandeld,

doordat hij, verdachte en/of zijn mededader(s,), terwijl voornoemde (‘overleden)

persoon/personen op de grond lagen,

 naast voornoemde (overleden) persoon/personen heeft gestaan en/of geposeerd en/of

 voornoemde (overleden) persoon/personen ‘honden’ en/of ‘karkassen van al-Assad’ heeft genoemd en/of liederen heeft gezongen, en/of

 voornoemde (overleden) persoon/personen heeft tentoongesteld en/of

 zijn voet op het lichaam van voornoemde (‘overleden) persoon/personen heeft geplaatst en/of

 met zijn voet tegen het lichaam heeft geschopt van voornoemde (‘overleden) persoon/personen en/of

 op het/de lichaam/lichamen van voornoemde (‘overleden,) persoon/personen heeft/hebben gespuugd en/of

 zich heeft/hebben laten filmen met één of meer voornoemde (overleden) persoon/personen gedurende de bovenstaande handeling(en) en/of

 deze video vervolgens heeft geplaatst op social media, te weten You Tube, en daarmee (‘aldus,) heeft verspreid en/of openbaar heeft gemaakt;

2.

hij op een of meer tijdstip (pen,) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met juli 2017, in of nabij Al-Ziyarah (Syrië) en/of Hama (Syrië), althans (elders) in Syrië

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie zoals Ahrar Al-Sham, althans een aan voornoemde organisatie gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) Organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten

  1. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 76a van het Wetboek van Strafrecht,) en/of

  2. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

  3. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289jo 83 van het Wetboek van Strafrecht,) en/of

  4. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 76a en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of

  5. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie,)

Dagvaarding II

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

de wetten en gebruiken van de oorlog heeft geschonden, terwijl

- dat feit een wandaad begaan tegen de persoonlijke waardigheid inhield, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

- dat feit het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden inhield;

hierin bestaande dat hij, verdachte en/of één of meer mededader(s), toen en daar in strijd met

- het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

- het bepaalde in artikel 4 van Aanvullend Protocol II van 8 juni 1977 en/of

- het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

- ( in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke gebod op menslievende behandeling en/of

- ( in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke gebod op bescherming tegen de nieuwsgierigheid van het publiek,

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Syrië,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

- onmenslievend heeft behandeld en/of

- niet heeft beschermd tegen de nieuwsgierigheid van het publiek,

doordat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s),

 ( (gewapend) hebben geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt) en/of

 ( zich hebben laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

 ( deze film vervolgens hebben geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans hebben aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) hebben verspreid en/of openbaar gemaakt.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

één of meer ander(en), tezamen en in vereniging, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

de wetten en de gebruiken van de oorlog hebben geschonden, terwijl

- dat feit een wandaad begaan tegen de persoonlijke waardigheid inhield, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

- dat feit het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden inhield;

hierin bestaande dat zij toen en daar in strijd met

- het bepaalde in het “gemeenschappelijk” artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

- het bepaalde in artikel 4 van Aanvullend Protocol II van 8 juni 1977 en/of

- het internationaal humanitair gewoonterecht en/of

- ( in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke gebod op menslievende behandeling en/of

- ( in het bijzonder) het internationaalgewoonterechtelijke gebod op bescherming tegen de nieuwsgierigheid van het publiek,

in verband met een (niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Syrië,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of andere oorzaak,

- onmenslievend hebben behandeld en/of

- niet hebben beschermd tegen de nieuwsgierigheid van het publiek,

doordat zij,

- ( gewapend) hebben geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt) en/of

- zich hebben laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

- deze film vervolgens hebben geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans hebben aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) hebben verspreid en/of openbaar gemaakt,

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) misdrijf verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, doordat hij toen en daar opzettelijk

- ( gewapend) heeft geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hem en/of anderen ondervraagd wordt) en/of

- zich heeft laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hem en/of anderen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

- deze film vervolgens heeft geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans heeft aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) heeft verspreid en/of openbaar gemaakt.

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte en/of verwonding en/of gevangenschap en/of enig andere oorzaak,

in zijn persoonlijke waardigheid heeft aangerand (en/of) (in het bijzonder) vernederend en/of

onterend heeft behandeld, doordat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s),

- ( gewapend) hebben geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt) en/of

- zich hebben laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

- deze film vervolgens hebben geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans hebben aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) hebben verspreid en/of openbaar gemaakt.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

één of meer ander(en), tezamen en in vereniging, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, in strijd met het bepaalde in gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949,

een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een burger en/of personeel van strijdkrachten die de wapens had neergelegd en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte en/of verwonding en/of gevangenschap en/of enig andere oorzaak,

in zijn persoonlijke waardigheid hebben aangerand (en/of) (in het bijzonder) vernederend en/of onterend hebben behandeld, doordat zij,

- ( gewapend) hebben geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt) en/of

- zich hebben laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

- deze film vervolgens hebben geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans hebben aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) hebben verspreid en/of openbaar gemaakt,

bij en/of tot het plegen van welke (vorenomschreven) misdrijf hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 april 2015, in of nabij Zayzun (Syrië) en/of Al-Ziyarah (Syrië), althans (elders) in Syrië,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft doordat hij toen en daar opzettelijk

- ( gewapend) heeft geposeerd naast voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hem en/of anderen ondervraagd wordt) en/of

- zich heeft laten filmen met voornoemde (gevangengenomen) persoon, (terwijl diegene door hem en/of anderen ondervraagd wordt en/of herkenbaar in beeld wordt gebracht) en/of

- deze film vervolgens heeft geplaatst en/of laten plaatsen en/of de kans heeft aanvaard dat deze film vervolgens zou worden geplaatst op social media, te weten YouTube, en daarmee (aldus) heeft verspreid en/of openbaar gemaakt.

Bijlage II: Eindnoten

1 Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen, New York 12 december 1997, Trb. 1998, 84 (Nederlandse vertaling Trb. 1999, 16).

2 Gerechtshof Den Haag 12 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3573.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar pagina’s, betreft dit de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer LEFRA19006, van de Landelijke Recherche, Team Internationale Misdrijven, gedateerd 2 juni 2020, met bijlagen, tenzij anders vermeld.

4 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Van Opstand naar Jihad’ van 18 januari 2018, afzonderlijke in het dossier gevoegd, hoofdstuk 2.

5 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Van Opstand naar Jihad’ van 18 januari 2018, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk 2.

6 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’ van 15 november 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk I t/m II.

7 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Van Opstand naar Jihad’ van 18 januari 2018, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk 4.7.

8 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Van Opstand naar Jihad’ van 18 januari 2018, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk 4.7.

9 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’ van 15 november 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk IV.

10 Geschrift (open bron), te weten een ‘Syria Situation Report: April 20-28 2015’ van het Institute for the Study of War, opgemaakt door Christopher Kozak, geraadpleegd op 7 april 2021 op http://www.iswresearch.org/2015/04/syria-situation-report-april-20-28-2015.html

11 Geschrift (open bron), te weten een artikel getiteld ‘Second Idlib Stronghold Falls to Jabhat al-Nusra and Rebel Forces’ van het Institute for the Study of War, opgemaakt door Jennifer Cafarella, geraadpleegd op 7 april 2021 op http://www.iswresearch.org/2015/04/second-idlib-stronghold-falls-to-jabhat.html

12 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’ van 15 november 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk VI en VII; geschrift (open bron), te weten G. Steinberg, ‘Ahrar al-Sham: the “Syrian Taliban”’, mei 2016, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.ssoar.info/ssoar/bitstream/handle/document/46961/ssoar-2016-steinberg-Ahrar_al-Sham_-_the_Syrian.pdf?sequence=1&isAllowed=y&lnkname=ssoar-2016-steinberg-Ahrar_al-Sham_-_the_Syrian.pdf, p. 2; geschrift (open bron), te weten Human Rights Watch “You Can Still See Their Blood”, Executions, Indiscriminate Shootings, and Hostage Taking by Opposition Forces in Latakia Countryside, d.d. oktober 2013, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.hrw.org/sites/default/files/reports/syria1013_ForUpload.pdf, p. 98-101; geschrift (open bron), te weten UN Security Council S/2015/813, d.d. 22.10.2015, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/s_2015_813.pdf, p. 2.

13 Geschrift (open bron), te weten G. Steinberg, ‘Ahrar al-Sham: the “Syrian Taliban”’, mei 2016, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.ssoar.info/ssoar/bitstream/handle/document/46961/ssoar-2016-steinberg-Ahrar_al-Sham_-_the_Syrian.pdf?sequence=1&isAllowed=y&lnkname=ssoar-2016-steinberg-Ahrar_al-Sham_-_the_Syrian.pdf, p. 2.

14 Geschrift , te weten een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’ van 15 november 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk VI; geschrift (open bron), te weten UN Security Council S/2014/31, van 27 januari 2014, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9%7D/s_2014_31.pdf, p. 13-14; geschrift (open bron), te weten het nieuwsbericht ‘Aid convoy enters Nubl and al-Zahraa towns after breaking the siege’ van het Syrian Observatory for Human Rights, van11 februari 2016, geraadpleegd op 7 april 2021 op https://www.syriahr.com/en/?p=44052.

15 Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Harakat Ahrar al-Sham al-Islamiyya’ van 15 november 2020, afzonderlijk in het dossier gevoegd, hoofdstuk II.

16 Geschrift (open bron), te weten Ali El Yassir, ‘The Ahrar al-Sham Movement: Syria’s Local Salafists, van 23 augustus 2018, op 1 april 2021 geraadpleegd via https://www.wilsoncenter.org/article/the-ahrar-al-sham-movement-syrias-local-salafists-0.

17 Geschrift, te weten Charles Lister, ‘Profiling Jabhat al-Nusra’, van 24 juli 2016, op 7 april 2021 geraadpleegd via https://www.brooking.edu/wp-content/uploads/2016/07/iwr_20160728_profiling_nusra.pdf, p. 27.

18 Geschrift, te weten een Beslissing betreffende signalering weigering van toegang, verkregen van de Duitse autoriteiten, p. 102-103.

19 Geschrift, te weten een Voortzetting van het verhoor van getuige [naam getuige 2] van 21 januari 2016, verkregen van de Duitse autoriteiten, p. 108-110.

20 Proces-verbaal van verdenking van 17 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00002, p. 258-262.

21 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00013, p. 240-245 en proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00020, p. 263-265.

22 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00013, p. 240-245 en proces-verbaal van verdenking van 17 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00002, p. 258-262.

23 Eigen waarneming van de rechtbank op video 1

24 Proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00020, p. 263-265.

25 Geschrift, te weten een rapport van het Syrian Center for Media and Freedom of Expression met de titel ‘Onderzoek naar mogelijke misdaden gepleegd door een lid van Harakat Ahrar al Sham in de periode 22-04-2015 tot 26-04-2015’, p. 527.

26 Geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 april 2020 betreffende Vergelijking gezichtsbeelden naar aanleiding van het plegen van wandaden tegen de persoonlijke waardigheid, p. 653-661.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] bij de rechter-commissaris van 3 februari 2021, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00055, p. 441-462.

29 Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2019, proces-verbaalnummer LERFA19006-00055, p. 441-462.

30 Proces-verbaal van bevindingen 19 maart 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00094, p. 558-565.

31 Proces-verbaal van bevindingen van 29 april 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00103, p. 566-576.

32 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2021.

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam verdachte], proces-verbaalnummer LERFA19006-0130, afzonderlijk in het dossier gevoegd, p. 61.

34 Proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-65, p. 468-469; proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00113, p. 470-471.

35 Proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00117, p. 604-612.

36 Proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00112, p. 577-600.

37 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2021.

38 Wanneer in de hierna volgende alinea’s een figuurnummer wordt genoemd, wordt verwezen naar een paginanummer van het aanvullend proces-verbaal d.d. 12 november 2020, p. 1 tot en met 16).

39 Proces-verbaal van bevindingen van 12 november 2020, proces-verbaalnummer LERFA19006-00131, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

40 Proces-verbaal van bevindingen van 1 maart 2021, proces-verbaalnummer LERFA19006-00146, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

41 Proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2020, proces-verbaalnummer LERFA190067-118, p. 620-629.

42 Proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2021, proces-verbaalnummer LERFA19006-00137, afzonderlijk in het dossier gevoegd, p. 7.

43 Proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2021, proces-verbaalnummer LERFA19006-00137, afzonderlijk in het dossier gevoegd; proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2021, proces-verbaalnummer LERFA19006-00144, afzonderlijk in het dossier gevoegd; proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2021, proces-verbaalnummer LERFA19006-00149, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

44 Geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 3 maart 2021 betreffende Vergelijking gezichtsbeelden, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam verdachte], proces-verbaalnummer LERFA19006-0130, afzonderlijk in het dossier gevoegd.

46 Zie gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève.

47 ICTY, Prosecutor v. Tadić a/k/a “Dule”, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70.

48 D. Akande, ‘Classification of Armed Conflicts: Relevant Legal Concepts’, in E. Wilmshurst (ed), International Law and the Classification of Conflicts, Oxford: Oxford University Press, 2012, p. 34.

49 Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 12.

50 ICTY, Prosecutor v. Tadić a/k/a “Dule”, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70.

51 ICTY, Prosecutor v. Limaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-03-66-T, 30 november 2005, paragraaf 170.

52 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 49.

53 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 49; S. Vite, ‘Typology of Armed Conflicts in International Humanitarian Law: Legal Concepts and Actual Situations’, International Review of the Red Cross, volume 91 (873), p. 76.

54 ICTY, Prosecutor v. Haradinaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 60.

55 S. Vite, ‘Typology of Armed Conflicts in International Humanitarian Law: Legal Concepts and Actual Situations’, International Review of the Red Cross, volume 91 (873), p. 76.

56 S. Vite, ‘Typology of Armed Conflicts in International Humanitarian Law: Legal Concepts and Actual Situations’, International Review of the Red Cross, volume 91 (873), p. 77; L. Cameron e.a., ‘Article 3: Conflicts not of an international character’, ICRC, Commentary on the First Geneva Convention, 2016, paragraaf 429; ICTY, Prosecutor v. Haradinaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 60.

57 ICC Elements of Crimes, 2011, Article 8(2)(c)(ii), voetnoot 49 + aanvullen andere bepalingen)

58 Pictet (ed.), Commentary on the Fourth Geneva Convention, ICRC, 1958, p. 204.

59 Rule 87 van de ICRC studie naar international humanitair gewoonterecht.

60 ICRC, Article 3: Conflicts not of an international character, in ‘Commentary on the Third Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2020, paragraaf 587.

61 ICRC, Article 3: Conflicts not of an international character, in ‘Commentary on the Third Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2020, paragraaf 588.

62 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Trial Chamber Judgement, IT-96-23-T en IT-96-23/1-T, 22 februari 2001, paragraaf 514 en Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 161 en 163.

63 ICC, Article 8(2)(c)(ii), in: Elements of Crimes, 2011, voetnoot 49.

64 ICRC, ‘Article 3: Conflicts not of an international character’, in: Commentary on the First Geneva Convention, 2016, paragraaf 669.

65 ICC, Article 8(2)(c)(ii), in: Elements of Crimes, 2011, voetnoot 49.

66 ICTY, Prosecutor v. Aleksovski, Trial Chamber Judgement, IT-95014/1-T, 25 juni 1999, paragraaf 56 en Prosecutor v. Kunarac, Trial Chamber Judgement, IT-96-23-T en IT-96-23/1-T, 22 februari 2001, paragraaf 504 en Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 162 en 163.

67 ICTY, Prosecutor v. Aleksovski, Trial Chamber Judgment, IT-95-14/1-T , 25 juni 1999, paragraaf 57.

68 ICC, Article 8(2)(c)(ii), in: Elements of Crimes, 2011.

69 ICRC, ‘Article 3: Conflicts not of an international character’, in: Commentary on the Third Geneva Convention, 2020, paragraaf 704.

70 ICTY, Kunarac Trial Chamber Judgement, IT-96-23-T en IT-96-23/1-T, 22 februari 2001, paraaf 766–774.

71 ICTY, Prosecutor v. Furundžija, Trial Chamber Judgment, IT-95-17/1-T, 10 december 1998, paragraaf 270–275; ICTR, Prosecutor v. Ndindiliyimana, Trial Chamber Judgment, ICTR-00-56-T17 mei 2011, paragraaf 2158.

72 ICTY, Prosecutor v. Aleksovski, Trial Chamber Judgment, IT-95-14/1-T , 25 juni 1999, paragraaf 229.

73 ICTY, Prosecutor v. Kvočka, Trial Chamber Judgment, IT-98-30/I-T, 2 november 2001, paragraaf 173.

74 European Commission of Human Rig, hts, Greek case, Report, 1969, paragraaf 186.

75 European Court of Human Rights, Hurtado v. Switzerland, Judgment, 1994, paragraaf 12.

76 European Court of Human Rights, Yankov v. Bulgaria, Judgment, 2003, paragraaf 114 and 121.

77 Zie: European Network of contact points in respect of persons responsible for genocide, crimes against humanity and war crimes, Prosecuting war crimes of outrage upon personal dignity based on evidence from open sources – Legal framework and recent developments in the Member State of the European Union, februari 2018, waarin wordt verwezen naar onder meer Higher Regional Court of Frankfurt am Main, 8 november 2016.

78 European Network of contact points in respect of persons responsible for genocide, crimes against humanity and war crimes, Prosecuting war crimes of outrage upon personal dignity based on evidence from open sources – Legal framework and recent developments in the Member State of the European Union, februari 2018, waarin wordt verwezen naar onder meer District Court of Pirkanhaa (Finland), Judgement, 18 maart 2016, R 16/1304; District Court of Kanta-Häma (Finland), Judgement, 22 maart 2016, R 16/214; Higher Regional Court Frankfurt am main (Germany), Judgement, 12 juli 2016, case reference 5-3 StE 2/16 - 4 - 1/16;

79 Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430.

80 Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103.

81 ICRC, Article 13: Humane treatment of prisoners, in ‘Commentary on the Third Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2020, paragraaf 1622-1629.

82 ICRC, Article 13: Humane treatment of prisoners, in ‘Commentary on the Third Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2020, paragraaf 1622-1629.

83 H. van der Wilt, ‘War Crimes and the Requirement of a Nexus with an Armed Conflict’, Journal of International Criminal Justice, vol. 10 (5), p. 1116.

84 ICTY, Prosecutor v. Tadić a/k/a “Dule”, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70.

85 ICTY, Prosecutor v. Stakić, Appeal Chamber Judgement, IT-97-24-A, 22 maart 2006, paragraaf 342.

86 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 57 en 58.

87 ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 59.

88 ICTR, Prosecutor v. Akayesu, Appeals Chamber Judgement, ICTR 96-4-A, 1 juni 2001, paragraaf 444.

89 ICTR, Prosecutor v. Rutaganda, Appeals Chamber Judgement, ICTR-96-3-1, 26 mei 2003, paragraaf 570.

90 H. van der Wilt, War Crimes and the Requirement of a Nexus with an Armed Conflict, Journal of International Criminal Justice, vol. 10 (5), p. 1124.

91 Rechtbank ’s-Gravenhage van 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:BI2444; gerechtshof ’s-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686.

92 Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430, Gerechtshof Den Haag; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103.

93 Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430.

94 Kamerstukken II 2018/19, 32 623, nr. 258.

95 Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430.

96 Gerechtshof Den Haag, 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879 [.]