Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de rechtsbijstand. Weigering aanvraag toevoeging omdat de kosten van rechtsbijstand niet in verhouding staan tot het belang van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/2546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. M.J.G. Schroeder),

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op 25 februari 2021. Daaraan namen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deel.

Overwegingen

1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Eiser heeft een toevoeging aangevraagd voor het instellen van hoger beroep tegen een strafrechtelijk verstekvonnis, waarbij de kantonrechter aan eiser voor een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2013 een geldboete heeft opgelegd van € 140,- subsidiair twee dagen hechtenis. Daarbij is het verlofstelsel van artikel 410a Wetboek van Strafvordering (Sv) van toepassing. De rechtsbijstand ziet onder meer op het indienen van een schriftuur als bedoeld in artikel 410, eerste en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de kosten van rechtsbijstand niet in verhouding staan tot het belang van de zaak en dat geen sprake is van een zwaarwegend belang om bij uitzondering voor een toevoeging in aanmerking te komen.

4. Eiser stelt dat hij ermee kan leven dat voor een lichte overtreding geen toevoeging wordt verstrekt. Echter in eisers geval heeft de voorzitter van het Gerechtshof op 17 oktober 2019 verlof verleend om de zaak in hoger beroep te behandelen, omdat dat naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. Volgens eiser verstaat de wetgever onder ‘een goede rechtsbedeling’ impliciet dat een hoger beroep alleen dan wordt doorgezet indien stopzetting een schending van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPB) en/of het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou schenden. Eiser stelt dat een zaak waarvoor verlof is verleend om in hoger beroep te worden behandeld geen bagatelzaak is en dat het onredelijk en absurd is een dergelijke zaak in het kader van de Wrb wel te beschouwen als een zaak waarbij de kosten van rechtsbijstand niet in verhouding staan tot het belang van de zaak. Eiser acht dit in strijd met artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, temeer nu het verlofstelsel zelf in strijd met genoemde verdragen is.

Het Gerechtshof heeft op 13 december 2019 de zaak ter zitting behandeld. Het Gerechtshof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de oproeping in eerste aanleg nietig verklaard. Volgens eiser stelt verweerder ook ten onrechte dat zich geen uitzonderingssituatie voordoet omdat de voorzitter van het Gerechtshof verlof heeft verleend om de zaak in hoger beroep te behandelen. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser zelf geacht wordt schriftelijk en mondeling zijn situatie te kunnen toelichten en aan te voeren dat oplegging van de boete niet juist is. Aan dit verweer is het Gerechtshof niet toegekomen. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op eisers beroep op het beleid van verweerder inzake een ‘veelheid van zaken’. Eiser vreest dat hij tegen een Inrichting Stelselmatige Daders (ISD)-maatregel zal aanlopen en ook dat maakt dat zijn belang groter is dan het financiële belang.

5.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het financieel belang van eiser bij de toevoeging voor het instellen van hoger beroep € 140,- bedraagt. Dit is immers de boete waartoe eiser in eerste aanleg is veroordeeld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de kans dat de boete in hoger beroep hoger wordt of dat eiser (mede als gevolg van deze boete en op een later moment) een ISD-maatregel zal worden opgelegd een onzekere toekomstige gebeurtenis is, waarmee verweerder bij de beoordeling van het belang geen rekening hoeft te houden. Het financieel belang is dus lager dan het bedrag van € 500,- genoemd in artikel 4, tweede lid, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), zodat in beginsel geen toevoeging wordt verleend. Daarvan kan ingevolge het zevende lid van dat artikel worden afgeweken indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

5.3.

Voor zover eiser stelt dat, wanneer – zoals in het onderhavige geval – een verlofstelsel geldt en verlof om hoger beroep in te stellen is verleend, artikel 4, tweede lid, van het Brt buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, volgt de rechtbank dit betoog niet. Deze verdragsbepalingen zien op een recht van onvermogenden op kosteloze rechtsbijstand in strafzaken. Uit de bepalingen volgt niet dat eiser een ongeclausuleerd recht op zulke bijstand heeft. Een aanspraak daarop heeft hij immers slechts, ‘indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen’. Daarbij is met name bepalend of betrokkene al dan niet in staat is zichzelf adequaat te verdedigen (zie EHRM, Maxwell t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 28 oktober 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:1028JUD001894991, punt 38). De omstandigheid dat in eisers geval het verlofstelsel geldt en dat aan eiser ook daadwerkelijk verlof is verleend om hoger beroep in te stellen, betekent niet per definitie dat eiser niet in staat is zichzelf adequaat te verdedigen. De voorzitter van het Gerechtshof heeft geoordeeld dat in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld. Dat is een andere toets dan de vraag of betrokkene in staat is zichzelf adequaat te verdedigen.

5.4

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het betoog in de strafzaak leidend tot de conclusie dat de oproeping nietig was, niet zodanig juridisch van aard is dat eiser dit en met name de relevante feiten daartoe, niet zelf naar voren had kunnen brengen. In eisers geval berustte dat betoog op twee gronden. De eerste grond hield in dat eiser op onjuiste wijze is opgeroepen. De tweede grond hield in dat bij de kantonrechter een ander feit, gebaseerd op een andere strafbepaling die een ander belang beschermt, ten laste is gelegd dan in de strafbeschikking. Eiser had de feiten waarop het Gerechtshof de oproeping nietig heeft verklaard zelf kunnen aanvoeren, waarbij het Gerechtshof ook ambtshalve tot de conclusie had kunnen komen dat bij de kantonrechter een ander feit, gebaseerd op een andere strafbepaling met een ander belang, ten laste is gelegd dan in de strafbeschikking. Er is dus geen grond artikel 4, tweede lid, van het Brt in combinatie met het zevende lid van dat artikel, om reden dat verlof is verleend om eisers zaak in hoger beroep te behandelen, buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM. De door eiser in zijn beroepschrift genoemde oordelen van het Comité voor de Rechten van de Mens en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 22 februari 2011 (Lalmahomed/Nederland) zijn voor dit beroep niet relevant, omdat die oordelen en dat arrest de toelaatbaarheid van het verlofstelsel in strafzaken betreffen.

5.5.

Verweerder mocht op grond van artikel 4, tweede lid, van het Brt een toevoeging weigeren. Hiervan kon verweerder afwijken indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser zulke zwaarwegende belangen of zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover eiser ook in dit kader heeft betoogd dat dit belang reeds gegeven is, doordat verlof is verleend voor behandeling van het hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling, volgt de rechtbank dit niet. Ook hiervoor geldt dat het belang van een goede rechtsbedeling niet zonder meer samenvalt met een doorslaggevend belang in de zin van deze bepaling.

5.6.

Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het feit dat eiser te maken heeft met een veelheid van strafzaken zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zijn gelegen die rechtvaardigen dat toch een toevoeging wordt verleend. Eiser heeft niet toegelicht welke werkzaamheden de rechtshulpverlener zal verrichten om tot een oplossing te komen om eisers leven weer op de rails te krijgen, zoals het bedoelde beleid vereist. Evenmin is gebleken dat een maatschappelijk traject van eiser om zijn leven weer op de rails te krijgen zou worden onderbroken. Het beroep op het beleid betreffende een ‘veelheid van zaken’ slaagt daarom niet. Ook het eerdergenoemde risico op toekomstige oplegging van een ISD-maatregel, maakt niet dat sprake is van belangen als vereist. Zoals eerder overwogen betreft dit een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarbij komt dat de mate van waarschijnlijkheid hiervan, niet is onderbouwd.

5.7.

Het beroep is ongegrond.

5.8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

IVBPR

Artikel 14, derde lid, aanhef en onder d

Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:

( d) in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt.

EVRM

Artikel 6, derde lid, aanhef en onder c

Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

Relevante nationale wet- en regelgeving

De regels voor het al dan niet in aanmerking komen voor een toevoeging zijn neergelegd in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt). Daarnaast heeft de raad hiervoor beleid vastgesteld, neergelegd in werkinstructies.

De relevante bepalingen uit de Wrb en het Brt luiden:

Artikel 1 van de Wrb

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

rechtsbijstand: rechtskundige bijstand aan een rechtzoekende ter zake van een rechtsbelang dat hem rechtstreeks en individueel aangaat, voor zover in deze wet en de daarop berustende bepalingen geregeld;

[…]"

Artikel 12 van de Wrb

"2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

b. de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak;

[…]"

Artikel 4 van het Brt

"2. Rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies wordt, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 500,-.

[…]

7. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid kan rechtsbijstand of een toevoeging worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht."

S010 overtreding, dienend voor sector kanton

Veelheid van zaken

Is sprake van een veelheid van boetes/vorderingen tot gijzeling of van een katvanger met een veelheid van openstaande overtredingen die afzonderlijk niet aan de criteria voldoen, dan toets je aan het beleid: 'veelheid van zaken'.

Veelheid van zaken

Beleid

Algemeen

Op meerdere plaatsen in de werkinstructies is sprake van zaken waarvoor je niet toevoegt, omdat er geen sprake is van juridische en/of feitelijke complexiteit. Veelal is in deze zaken per afzonderlijke procedure het financieel belang lager dan € 500.

Zwaarwegend belang: regeling der zaken

De rechtzoekende kan echter, bij een veelheid van dit soort zaken wel een reëel probleem hebben. Het weer op de rails krijgen van het leven van rechtzoekende is dan een zwaarwegend belang dat de afgifte van één toevoeging voor ‘regeling der zaken’ rechtvaardigt.

De advocaat moet altijd duidelijk motiveren waarom een toevoeging gerechtvaardigd is:

- wat het zwaarwegende belang is van rechtzoekende

- waarom rechtzoekende niet in staat is om te betalen;

- om wat voor zaken het gaat én hoeveel;

- welke werkzaamheden hij gaat verrichten om tot een oplossing te komen.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij:

Vorderingen tot gijzeling in Wet Mulderzaken (B011).

Voorbeeld gijzeling: niet toevoegen

Rechtzoekende heeft een bepaalde periode in het verleden onverzekerd rondgereden en heeft daarvoor meerdere boetes gekregen, boetebedrag € 2.000. Rechtzoekende kan niet betalen, gijzeling dreigt. De toevoeging wijs je af, omdat niet voldaan is aan het criterium 'op de rails zetten'.

Voorbeeld gijzeling: toevoegen

Rechtzoekende krijgt elke maand meerdere boetes. Rechtzoekende kan niet betalen, gijzeling dreigt. Om nog meer boetes in de toekomst te voorkomen en het leven van rechtzoekende op de rails te zetten, is rechtsbijstand noodzakelijk. Je verstrekt daarvoor één toevoeging.

Als sprake is van een katvanger die een veelheid aan overtredingen open heeft staan die (gaan) dienen bij de kantonrechter, dan kun je hiervoor, naast een eventuele B011 toevoeging, één S010 toevoeging verstrekken.