Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3971

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
NL21.3653
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AA - Nigeria, problemen met de Ogboni, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.3653


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: K. Nuninga).


Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verder heeft verweerder aan eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dan wel uitstel van vertrek verleend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.3654, plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend op 31 december 2019 en deze is niet in behandeling genomen nu Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Omdat eiser niet binnen de termijnen is overgedragen aan Italië, is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft opnieuw een asielaanvraag ingediend en die heeft geleid tot de onderhavige procedure.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. nationaliteit, identiteit en herkomst;

  2. problemen met de occulte genootschap [genootschap]

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het eerste relevante element geloofwaardig is. Het tweede relevante element heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet volledige en inconsistente verklaringen heeft afgelegd over het lidmaatschap van de vader van eiser bij de [genootschap] , de opvolging van zijn vader bij dit genootschap en de bedreigingen door de leden van het genootschap.

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de problemen met de [genootschap] door eiser niet aannemelijk zijn gemaakt. Verweerder had nader onderzoek had moeten doen naar de werkwijze en activiteiten van de [genootschap] door bijvoorbeeld het raadplegen van landeninformatie of het laten opstellen van een ambtsbericht. Eiser beroept zich ter ondersteuning van zijn relaas op een brief met twaalf bijlagen van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 6 maart 2021 over de [genootschap] . Ook heeft eiser verwezen naar een uitspraak van 5 maart 2021 van de rechtbank Amsterdam, waaruit kortgezegd volgt dat verweerder onderzoek had moeten doen naar de bescherming die de Nigeriaanse autoriteiten daadwerkelijk kunnen bieden ten aanzien van de Nigeriaanse groepering Black Axe1. Eiser voert aan dat verweerder uitstel van vertrek had moeten verlenen omdat de terugkeer van eiser naar Nigeria, gezien de COVID-19 pandemie, in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De rechtbank overweegt het volgende.

5. Tussen de partijen is het bestaan van de occulte genootschap [genootschap] niet in geschil. Evenmin is in geschil dat het voorkomt dat jongeren van wie de vader lid was van de [genootschap] kunnen worden benaderd om hun vader op te volgen en, als zij dit weigeren, hierdoor diverse problemen kunnen ervaren van de leden van dit genootschap. Dit volgt zowel uit de door verweerder in het bestreden besluit aangehaalde openbare bronnen als uit de door eiser overgelegde brief van VWN. Echter, met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk zich ook in zo’n situatie bevond en hierdoor problemen heeft ondervonden met de [genootschap] . De verklaringen van eiser over het overlijden van zijn vader en het contact met de [genootschap] zijn niet consistent en tegenstrijdig. Zo verklaart hij eerst dat hij er na het overlijden van zijn vader achter kwam dat zijn vader lid was van deze occulte groep, omdat de leden dit aan eiser vertelden tijdens het condoleance bezoek en aangaven dat eiser was voorgedragen als zijn opvolger (zie pagina 11 nader gehoor). Vervolgens verklaart eiser dat hij zijn vriend Kinsley heeft verteld dat een paar dagen na het overlijden van zijn vader een aantal mensen naar zijn huis waren gekomen en daar een voorwerp hadden weggehaald. Kinsley zou toen gezegd hebben dat het mensen van de [genootschap] zijn die zulke voorwerpen gebruiken (zie pagina 13 nader gehoor). Eiser geeft aan dat hij voor dit gesprek met Kinsley niet wist dat het om de [genootschap] groep ging. Vervolgens verklaart eiser dat het eerste moment waarop hij in aanraking kwam met leden van de occulte groep was toen zij na het overlijden van zijn vader naar zijn huis kwamen. Daar hadden ze eiser gecondoleerd. Een aantal dagen later zijn zij naar zijn huis teruggekeerd en hebben toen een voorwerp opgehaald uit het huis (zie pagina 13 nader gehoor).

Daarnaast is van belang dat eiser enkel heeft verklaard dat er een kleine pot uit huis is gehaald, maar kan hij verder niet toelichten waarom hieruit voortvloeit dat dit door leden van de [genootschap] is gebeurd. Ook is opmerkelijk dat eiser niet heeft gevraagd naar de rol van zijn vader bij dit genootschap, waarom hij zijn vader zou moeten opvolgen en welke rol hij zelf binnen het genootschap zou moeten vervullen. Eiser kan weinig verklaren over wie de leden van de [genootschap] precies zijn en heeft daar ook geen navraag naar gedaan. Evenmin heeft hij zich verdiept in hun activiteiten. De enkele stelling dat hij niet wilde toetreden en dus het nut er niet van inzag om hiernaar te vragen of onderzoek naar te doen is niet afdoende.

De gestelde bedreigingen door leden van de [genootschap] zijn evenmin aannemelijk gemaakt, nu de verklaringen van eiser ook op dit punt niet volledig en wisselend zijn. Zo verklaart eiser in eerste instantie dat hij door leden van de [genootschap] is geslagen, maar stelt hij na doorvragen dat dit niet door de leden is gebeurd maar door de man van zijn tante. Ook kan hij geen namen noemen van de leden die hem zouden hebben bedreigd.

De stelling dat de [genootschap] soms thuis of in de winkel een symbool achterlieten als eiser niet aanwezig was, is eerst in de zienswijze naar voren gebracht. Niet valt in te zien waarom eiser hier tijdens het nader gehoor niets over heeft verklaard, terwijl hij hiertoe wel voldoende in de gelegenheid is gesteld. Tot slot heeft verweerder terecht meegewogen dat eiser na het begin van de gestelde problemen in juni 2015 nog geruime tijd, te weten tot aan zijn vertrek in maart 2016, zonder noemenswaardige problemen in Nigeria heeft verbleven.

Verweerder heeft zich gelet hierop niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde problemen met de [genootschap] ongeloofwaardig zijn. Hieruit volgt dat verweerder geen aanleiding hoefde te zien om een onderzoek te starten naar de praktijken van de [genootschap] en de bescherming van de Nigeriaanse autoriteiten hiertegen en kan het beroep op de aangehaalde uitspraak van rechtbank Amsterdam niet slagen.

6. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat de kans op een corona-besmetting reëel is en in Nigeria nog geen sprake is van vaccinaties is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft terecht geen uitstel van vertrek verleend nu eiser niet (met medische stukken) heeft onderbouwd dat het gelet op zijn individuele gezondheidstoestand niet verantwoord voor hem is om te reizen.

7. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

8. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid vanmr. D.M. Biermann, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2021:886, 5 maart 2021.