Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3959

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
NL21.3225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gestelde Eritrese nationaliteit ongeloofwaardig bevonden. Beroep ogg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.3225

V-nummer: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] eiser

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).


Procesverloop
Met het besluit van 26 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Tigrynya is B. Hapte Essaias verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn [geboortedatum] .

2.1

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in november 2015 Eritrea heeft verlaten, omdat hij niet in militaire dienst wil. Er was aanleiding om te vertrekken omdat in augustus en september 2015 razzia´s hebben plaatsgevonden, waarbij militairen een aantal keer hebben geprobeerd om eiser op te pakken. Doordat eiser op het land van zijn ouders werkte, kon hij ontsnappen. Eiser wil niet in militaire dienst, omdat deze oneindig is. Als de militaire dienstplicht wel een eindtijd had, dan had hij de dienstplicht wel willen vervullen. Eiser vreest bij terugkeer naar Eritrea gevangen te worden genomen, omdat hij het land op illegale wijze heeft verlaten. Eiser is voor zijn vlucht in 2015 in Eritrea getrouwd. Zijn vrouw verblijft [land]

2.2

Eiser heeft na zijn vlucht uit Eritrea drie maanden in een vluchtelingenkamp in Ethiopië, één jaar in Libië en één jaar in Sudan verbleven. Eiser is daarna naar Nederland gekomen. Een eerdere asielaanvraag van eiser is op [datum 1] door verweerder buiten behandeling gesteld omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Voor eisers overdracht aan Italië is hij met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft op

[datum 1] wederom asiel gevraagd.

3. Verweerder heeft de als relevante aangemerkte elementen, namelijk de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, de militaire dienstplicht en de illegale uitreis, ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd waaruit zijn nationaliteit en herkomst blijkt. Uit openbare bronnen blijkt dat Eritreeërs niet kunnen functioneren als zij niet over identificerende documenten beschikken. De door eiser overgelegde huwelijksakte en doopcertificaat zijn door Bureau Documenten niet te beoordelen op echtheid vanwege een gebrek aan vergelijkingsmateriaal. Ook de foto’s en de videobeelden van het huwelijk van eiser dragen niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn nationaliteit en herkomst. Daarnaast werpt verweerder eiser tegen dat hij over beperkte en basale kennis over de militaire dienst in Eritrea beschikt. Verweerder acht dus niet aannemelijk dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft.

4. Eiser voert aan dat verweerder de verklaringen en documenten die betrekking hebben op zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig en ontoereikend heeft geacht. Naast de kerkelijke doop- en huwelijksakte heeft eiser nog andere onofficiële bewijzen overgelegd, namelijk foto’s en een video van zijn huwelijk, een brief van zijn zus die in Nederland een verblijfsvergunning heeft, een kopie van een identiteitsbewijs van de broer van eiser die een verblijfsvergunning in Zweden heeft en twee kopieën van de identiteitsbewijzen van eisers ouders. Deze onofficiële documenten ondersteunen eisers Eritrese nationaliteit en identiteit.

Oordeel rechtbank

5.1

De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken en om een begin van bewijs daarvoor te leveren. Hierin is eiser niet geslaagd. Niet is geschil is dat eiser geen officiële identificerende documenten heeft overgelegd. In de door eiser overgelegde kerkelijke doopakte en huwelijksakte heeft verweerder aanleiding gezien Bureau Documenten een onderzoek te laten verrichten naar eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 22 oktober 2019 blijkt echter dat gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal geen waardeoordeel over de documenten kan worden gegeven. Afgezien van de beoordeling van het Bureau Documenten van de doopakte en de huwelijksakte, acht de rechtbank deze documenten niet toereikend voor het aannemelijk achten van de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, ook niet in samenhang met eisers eigen verklaringen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers eigen verklaringen niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van de door hem gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Uit openbare bronnen1 blijkt namelijk dat Eritreeërs vanaf achttien jaar verplicht zijn om een identiteitsbewijs te hebben en dat zij ook niet kunnen functioneren als zij niet over identificerende documenten, zoals een identificatiekaart, een residence card of een schoolpas beschikken. Eiser betoogt dat in de wet niet is vastgelegd dat ingezetenen boven de 18 jaar een identiteitskaart moeten hebben en dat uit hetzelfde ambtsbericht blijkt dat het in theorie mogelijk is dat dat mensen zich staande houden zonder documenten, bijvoorbeeld voor het ontduiken van de dienstplicht. Uit de gehoren2 is echter gebleken dat eiser naar school ging tot en met zijn negentiende jaar en dus bij de autoriteiten geregistreerd stond als schoolgaand. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiser vanwege het ontwijken van zijn dienstplicht ervoor heeft gekozen om zonder identificerende documenten uit het zicht van de autoriteiten te blijven. Eiser heeft immers verklaard dat zijn vader navraag heeft gedaan bij de autoriteiten voor een identiteitskaart voor hem. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.3

Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in [datum 2] eiser was toen negentien jaar) met school is gestopt om zijn ouders te helpen met werken op het land. Eiser beschikte dus over een schoolpas waarmee hij zich kon identificeren. Verweerder heeft ongeloofwaardig mogen vinden dat eiser deze schoolpas uit woede heeft verscheurd omdat hij niet was overgegaan. Eiser wist verder over de militaire dienstplicht in Eritrea geen enkele vraag inhoudelijk te beantwoorden. Van eiser mocht worden verwacht dat hij hierover in elk geval enige informatie kon verschaffen, temeer omdat de dienstplicht in de Eritrese samenleving een grote rol speelt en eiser stelt te vrezen voor de razzia’s van de militaire politie. Eisers verklaring voor zijn gebrek aan kennis, namelijk dat geen jongens uit zijn dorp in militaire dienst zijn gegaan en hij daarom weinig kennis had van de dienstplicht heeft verweerder als onvoldoende mogen aanmerken. Hetzelfde geldt voor eisers verklaringen over het bezit en gebruik van officiële (identificerende) documenten in Eritrea zoals de residence card. Ook daar is door eiser onvoldoende informatie over verschaft. Zo wist eiser pas na doorvragen van de gehoormedewerker3 te melden waarvoor een residence card in Eritrea wordt gebruikt, namelijk het verkrijgen van voedselbonnen. Uit openbare bronnen4 blijkt dat de meeste Eritrese burgers in het bezit zijn van een residence card, die wordt afgegeven vanaf vijftien jaar en dat deze kaart ook nodig is om een identiteitskaart aan te vragen. Dat eiser stelt dat zijn ouders wel over een residence card beschikten en eiser niet, heeft verweerder ongeloofwaardig mogen vinden. Door hier in het bestreden besluit op te wijzen, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser, ondanks het ook verstrekken van enige juiste informatie, onvoldoende gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over zijn woonomgeving in Eritrea.

6. Verweerder heeft, anders dan eiser betoogt, geen aanleiding hoeven zien om eiser tegemoet te komen in zijn bewijsnood door een taalanalyse aan te bieden. Eiser spreekt weliswaar Tigrinya, maar verweerder heeft daarover opgemerkt dat eiser daarmee niet zijn Eritrese nationaliteit kan onderbouwen, omdat die taal ook in de buurlanden van Eritrea wordt gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank biedt een taalanalyse in dit geval onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het resultaat ervan een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de herkomst en nationaliteit van eiser. Anders dan eiser betoogt is het allerminst zeker dat een voor eiser positieve uitkomst van de taalanalyse zal leiden tot een andersluidend besluit. Daar komt bij dat eiser sinds zijn aankomst in Nederland in 2018 ruim de gelegenheid heeft gehad om met een nadere onderbouwing van zijn identiteit te komen. Het overleggen van een verklaring van de zus van eiser en een identiteitsbewijs van zijn broer is daartoe onvoldoende.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Niekel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Algemeen Ambtsbericht inzake Eritrea van november 2020, pagina 17, onder 2.2.1.

2 Verslag nader gehoor, pagina 4.

3 Verslag nader gehoor, pagina 3 en 4.

4 Algemeen ambtsbericht Eritrea van februari 2017, pagina 24 en het Algemeen ambtsbericht Eritrea van juni 2018, pagina 23.