Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
09/767458-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

persbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767458-20, 09/765043-20 (ttz gev.) en 10/202809-18 (tul)

Datum uitspraak: 21 april 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting P.I Krimpen aan den IJssel, te Krimpen aan den IJssel.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 januari 2021 (pro forma) en 7 april 2021 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/767458-20 en 09/765043-20. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 10 augustus 2020 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord of doodslag op [slachtoffer 1] dan wel de voorbereiding daarvan, openlijke geweldpleging, bedreiging en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Verder wordt de verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan twee diefstallen met geweld, namelijk op 28 februari 2020 en op 1 augustus 2020, en zou hij zich in de periode van 3 tot en met 5 januari 2020 op meerdere momenten schuldig hebben gemaakt aan bedreiging.

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 10 augustus 2020 heeft aan het einde van de middag een confrontatie plaatsgevonden op de drukbezochte Pier in Scheveningen tussen twee zogenoemde ‘drillrapgroepen’, genaamd ‘ [drillrapgroep1] ’ uit Amsterdam en ‘ [drillrapgroep2] ’ uit Rotterdam. De verdachte, die deel uitmaakte van de Rotterdamse groep, zou als eerste met geweld de confrontatie zijn aangegaan met [slachtoffer 1] van de Amsterdamse groep, waarop door de Amsterdamse groep met geweld zou zijn gereageerd, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een dodelijk slachtoffer aan de zijde van de Rotterdamse groep, te weten [slachtoffer2] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair en feit 3 onder parketnummer 09/767458-20. Daarnaast heeft zij vrijspraak gevorderd van feit 2 onder parketnummer 09/765043-20.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 en 4 onder parketnummer 09/767458-20 en van de feiten 1 en 3 onder parketnummer 09/765043-20.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 09-765043-20. Voor de overige feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Voor zover van belang worden de verweren van de raadsman bij de beoordeling van de tenlasteleggingen besproken.

3.4

De beoordeling van de tenlasteleggingen

Parketnummer: 09/767458-20 1

De confrontatie

Uit het dossier blijkt dat de aanleiding voor de confrontatie op 10 augustus 2020 op de Pier te Scheveningen een oproep van ‘ [bijnaam1] ’ ( [betrokkene1] van de Rotterdamse groep) was, geplaatst op social media, waarin hij voorstelde elkaar te ontmoeten om de ‘beef’ (de rechtbank begrijpt: ruzie) te ‘regelen’. [bijnaam slachtoffer1] ’ [slachtoffer 1] , van de Amsterdamse groep) reageerde hierop door mee te delen dat hij de volgende dag in ‘Skiffa’ (de rechtbank begrijp: Scheveningen) te vinden zou zijn en dat hij op zijn telefoon zijn locatie aan zou laten staan.2

Op een filmpje op de telefoon van ‘ [bijnaam slachtoffer2] ’ ( [slachtoffer2] ) is te zien dat de verdachte, voor zijn vrienden bekend als ‘Koekoe’3, samen met ‘ [bijnaam1] ’ ( [betrokkene1] ), ‘ [bijnaam3] ’ ( [betrokkene2] ) en ‘ [bijnaam4] ’ ( [betrokkene3.] , hierna: [betrokkene3.] ) in de auto zit onderweg naar Scheveningen. Op het filmpje is ook een vuurwapen zichtbaar dat op de achterbank ligt.4 De verdachte heeft hierover verklaard dat het vuurwapen in een tas is meegenomen naar de Pier.5

Op camerabeelden is te zien hoe de groep die met de auto naar Scheveningen is gekomen, richting de Pier loopt met ieder een schoudertas om en dat de verdachte op dat moment zijn schoudertas niet vasthoudt.6 Vervolgens ontmoet de groep die met de auto is gekomen, de groep uit Rotterdam die met de trein is gekomen en lopen ze gezamenlijk de Pier op; de verdachte loopt daarbij voorop. Eenmaal op de Pier houdt de verdachte constant zijn schoudertas vast met zijn linkerhand en arm en gaat hij met zijn rechterhand in zijn tas op het moment dat hij de Amsterdamse groep voorbij loopt. De verdachte draait zich vervolgens om en loopt in de richting van ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ ( [slachtoffer 1] ) en pakt hem met zijn linkerhand beet en trekt hem in zijn richting, de (Rotterdamse) groep in. Op de beelden is zichtbaar dat kort daarna [slachtoffer 1] met een vuurwapen over de Pier heeft gelopen.7

Tapgesprekken

Naar aanleiding van het incident op de Pier heeft de politie de telefoon getapt van de vriendin van ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’, [getuige1] (hierna ook: [getuige1] ). In het opgenomen gesprek tussen [getuige1] en een vrouw die zij ‘tante’ noemt, vertelde [getuige1] over het incident dat zij een kerel zag lopen alsof hij een ‘schietding’ vasthad. Volgens [getuige1] greep die kerel vervolgens ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ en begon hem te slaan. Zij antwoordde bevestigend op de vraag van tante of zij daarna het ‘schietding’ zag.8

In een ander getapt telefoongesprek tussen [betrokkene3] en een onbekend gebleven persoon wordt de confrontatie op de Pier besproken. [betrokkene3] vertelde dat ‘Koekoe’ heeft gezegd dat de Glock vastliep, nadat hij de trekker twee keer had overgehaald. Gevraagd naar de echtheid van het vuurwapen, vertelde [betrokkene3] dat het om een echt vuurwapen ging. Ook wordt in dit gesprek over de ‘hitter’ gesproken: die hitter moet je raken en die hitter deed zijn handschoen aan.9

Getuigen en beelden

Getuige [getuige2] heeft verklaard dat hij wist dat er ‘iets was’ tussen de Amsterdamse groep en de Rotterdamse groep. Hij wist dat ‘ [bijnaam1] ’ ruzie had met ‘Amsterdam’. In de auto onderweg naar Scheveningen heeft hij een vuurwapen zien liggen. Het wapen is meegegaan naar de Pier. Toen ze de Pier op liepen, zei hij tegen ‘ [bijnaam1] ’: 'zijn dit ze, waarop ‘ [bijnaam1] ’ zei: ‘ja’. Iemand van de Rotterdamse groep maakte een beweging naar de tas. Er werd geduwd en getrokken. Hij zag een mes bij de jongens die op hem af kwamen rennen (de rechtbank begrijpt: de Amsterdamse groep). Hij had verwacht dat er iets ergs zou gebeuren, maar niet met ‘ [bijnaam slachtoffer2] ’.10

Getuige [getuige6] heeft verklaard dat hij van tevoren wist dat er ruzie zou komen. Eenmaal aangekomen op de pier, zag hij dat er werd geslagen en getrokken en dat er een mes was bij iemand van de Amsterdamse groep.11

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij er in de tram naar Scheveningen achter kwam dat de ‘beef’ serieus was, doordat hij een paar ‘snapjes’ (de rechtbank begrijpt: berichten op Snapchat) van ‘ [bijnaam1] ’ zag. Op de pier zat [getuige 3] met ‘ [bijnaam slachtoffer1] en een paar anderen op de bankjes bij de kabelbaan. Eerst leek het erop dat ze (de rechtbank begrijpt: de Rotterdamse groep) niet meer zouden komen. Toen zag ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ op Snapchat dat ‘ [bijnaam1] ’ in de buurt was. [getuige 3] zei tegen ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ dat ze niet op een goede plek zaten om zich te verdedigen. Toen zag [getuige 3] dat ‘ [bijnaam1] ’ en een dikke donkere jongen met een roze shirt (de rechtbank begrijpt: de verdachte) dreigend op hen af kwamen lopen. De verdachte zat dreigend met zijn hand in zijn tas. [getuige 3] zag vervolgens dat de verdachte ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ naar de grond trok en in de groep gooide. De groep begon ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ vervolgens te slaan en te schoppen.12

Getuige [getuige1] is naar aanleiding van het hiervoor aangehaalde telefoongesprek met haar ‘tante’ opnieuw als getuige gehoord en heeft verklaard dat de jongen een pistool uit zijn tas probeerde te halen, maar hij dit nog niet helemaal uit zijn tas had gehaald. Vervolgens begon iedereen ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ te slaan.13

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid getuige [getuige1]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen van [getuige1] niet betrouwbaar zijn, omdat zij blijkens de bewijsmiddelen informatie voor de politie heeft achtergehouden en zij - anders dan zij heeft verklaard - op de hoogte was van de ‘beef’.

De rechtbank stelt vast dat [getuige1] in haar verklaringen informatie heeft achtergehouden voor de politie. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat haar verklaringen daarom niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs en dat deze in het geheel als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven. Wel dient met enige behoedzaamheid met haar verklaringen te worden omgegaan. [getuige1] is immers een getuige aan de zijde van de Amsterdamse groep en de vriendin van ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’. De rechtbank zal om die reden haar verklaringen alleen gebruiken als bewijsmiddel voor zover deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Tapgesprek [betrokkene3.]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tapgesprek niet als bewijs kan worden gebruikt, omdat [betrokkene3.] heeft ontkend dat hij op de tap is te horen en het verhaal dat in het tapgesprek wordt verteld, niet overeenkomt met de feitelijke gebeurtenissen op de pier. Er is immers geen schot gelost en het wapen op de beelden is geen Glock.

De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene3.] deelnemer is aan het tapgesprek en overweegt hiertoe als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisant, die ook het getuigenverhoor van [betrokkene3.] heeft afgenomen, de stem van [betrokkene3.] in het tapgesprek heeft herkend. Daarnaast blijkt dat het gesprek over de confrontatie van 10 augustus 2020 gaat, aangezien de ‘ [drillrapgroep2] ’ (de Rotterdamse groep) worden genoemd, er wordt gezegd dat de ‘hitter’ (de rechtbank begrijpt: schutter) een handschoen aan heeft en dat ‘Koekoe’ zou hebben gezegd dat de Glock vastliep. Tot slot beschrijft de gespreksdeelnemer de confrontatie vanuit zijn eigen ervaring, namelijk wat hij dacht met betrekking tot de ‘hitter’ en dat hij van het slachtoffer hoorde dat hij pijn had. Uit de inhoud van dit gesprek en gelet op de stemherkenning van de verbalisant, concludeert de rechtbank dat [betrokkene3.] deelnam aan dit gesprek.

Het vuurwapen (feit 4)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat het een echt vuurwapen is.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het een echt vuurwapen betreft en overweegt hiertoe als volgt.

In het tapgesprek van [betrokkene3.] wordt benoemd dat het vuurwapen dat de verdachte zou hebben meegenomen, vastliep nadat de verdachte de trekker had overgehaald, hetgeen niet relevant zou zijn bij een nepwapen. Verder zegt [betrokkene3.] in dat gesprek expliciet dat het om een echt wapen ging. Ook wordt gesproken over een ‘hitter’. De rechtbank overweegt dat met deze ‘hitter’ zeer waarschijnlijk [slachtoffer 1] wordt bedoeld, die - zo blijkt uit de beelden - een wapen bij zich had op de Pier en daarmee heeft geschoten. Hieruit volgt dat ook de Amsterdamse groep met wapens naar de Pier was gekomen om de ruzie te beslechten.

[getuige1] heeft verklaard dat zij op de Pier bij de verdachte een ‘schietding’ heeft gezien en heeft [slachtoffer 1] hiervoor gewaarschuwd.

Het vuurwapen in de auto heeft volgens een medewerker van de Forensische Opsporing sterke gelijkenis met een vuurwapen van het merk Sig Sauer, model P229: de beide schroeven op de kolfplaten op de handgreep komen overeen, alsmede de vorm van beide vuurwapens.14

Voorts overweegt de rechtbank dat het gedrag van de verdachte op de Pier met betrekking tot zijn schoudertas een sterke aanwijzing is dat hij een echt (vuur)wapen in zijn tas zou hebben. De rechtbank gaat hieronder verder in op dit gedrag.

De rechtbank is gelet op het voorgaande met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat het een echt vuurwapen moet zijn geweest en dat daarmee het voorhanden hebben van een wapen wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Strafbare voorbereiding (feit 1 subsidiair)

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de drillrapgroepen uit Rotterdam en Amsterdam ruzie met elkaar hadden. ‘ [bijnaam1] ’ heeft de groep uit Amsterdam uitgedaagd om hun ruzie uit te vechten. ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ van de groep Amsterdam heeft de uitnodiging aanvaard en heeft Scheveningen genoemd als de plek waar dat de volgende dag zou kunnen plaatsvinden. Beide groepen zijn vervolgens met meerdere personen naar de Pier in Scheveningen gekomen. Meerdere getuigen hebben verklaard dat ze wisten dat er ruzie was tussen de groepen, dat ‘ [bijnaam1] ’ ruzie had met ‘Amsterdam’ of dat er ‘iets ergs’ zou gaan gebeuren. Dat de verdachte pas beneden bij de Pier te horen kreeg dat er een ‘beef’ was, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk. De verdachte werd bovendien vaker gezien met ‘ [bijnaam1] ’ en is op 10 augustus 2020 samen met ‘ [bijnaam1] ’ en twee anderen, met een vuurwapen in de auto, naar Scheveningen gereden. Ook maakte ‘ [bijnaam1] ’ meerdere ‘snaps’ van zichzelf, om kenbaar te maken dat hij onderweg was naar Scheveningen.

De verdachte zat in de auto waar een vuurwapen op de achterbank lag. Het vuurwapen is vervolgens uit de auto meegenomen naar de Pier, aldus de verdachte. Op de camerabeelden is te zien hoe de verdachte samen met zijn groep richting de Pier loopt. Wanneer de verdachte de Pier oploopt, is te zien dat hij voorop loopt en vanaf dat moment zijn linkerhand/arm op zijn schoudertas houdt; dit deed hij onderweg naar de Pier niet. Voorts is op de camerabeelden te zien dat de verdachte de Amsterdamse groep voorbij loopt en met zijn rechterhand in zijn tas gaat en met zijn hand in die tas blijft. Vervolgens loopt de verdachte doelgericht op ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ af en grijpt hij ‘ [bijnaam slachtoffer1] ’ met zijn linkerhand terwijl hij met zijn rechterhand nog in zijn tas zit. [getuige1] heeft gezien dat de verdachte een vuurwapen had en die verklaring wordt door [betrokkene3.] in het hiervoor genoemde tapgesprek ondersteund.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het meenemen van een vuurwapen naar een confrontatie (een ‘beef’) op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] met zich brengt, omdat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg had kunnen intreden, aangezien beide groepen met (vuur)wapens elkaar opzoeken. Dat sprake zou zijn van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en dus voorbedachte rade om [slachtoffer 1] te doden, kan niet bewezen worden.

Uit de hiervoor beschreven omstandigheden, waarbij twee drillrapgroepen via social media afspreken om elkaar te ontmoeten om een ruzie te beslechten en daartoe wapens meebrengen, leidt de rechtbank af dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het vuurwapen op de Pier het doel voor ogen had om het wapen te gebruiken om op [slachtoffer 1] te schieten. De rechtbank is dan ook met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Medeplegen

De verdachte is samen met anderen in verband met een ruzie met een andere drillrapgroep naar Den Haag gereden, met een (zichtbaar) vuurwapen in de auto, en in Scheveningen zijn ze samen naar de Pier gelopen om daar de confrontatie met de groep uit Amsterdam te zoeken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is voor het medeplegen van de voorbereidingshandelingen.

Vrijspraak feit 1, primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 1 primair, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het is onduidelijk wanneer de verdachte heeft geprobeerd te schieten en onbekend of de verdachte het wapen daarbij op [slachtoffer 1] heeft gericht. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een begin van uitvoering.

Openlijk geweld

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte in groepsverband en gewapend richting de Amsterdamse groep op de Pier liep en op zoek ging naar een confrontatie met deze groep. De verdachte heeft vervolgens [slachtoffer 1] vastgepakt en met kracht naar zich toe, de groep in, getrokken. Vervolgens is [slachtoffer 1] ten val gekomen en is hij door meerdere personen geslagen en geschopt.

De verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] naar zich toe heeft getrokken om zich te verdedigen, omdat hij een mes zou hebben gezien, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdachte had immers kunnen weglopen bij het zien van een mes, in plaats van zichzelf in gevaar te brengen door [slachtoffer 1] naar zich toe te trekken. Daarbij is de verdachte zelf met een vuurwapen in zijn tas in de richting van de Amsterdamse groep gelopen en heeft hij als eerste een (gewelds)handeling verricht door die [slachtoffer 1] vast te pakken en naar zich toe te trekken.

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Vrijspraak feit 3

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 3 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat onduidelijk is gebleven of [slachtoffer 1] het vuurwapen van de verdachte heeft gezien en bij hem de redelijke vrees kon ontstaan om zijn leven te verliezen.

Parketnummer: 09/765043-20 15

Feit 1, diefstal met geweld

Op 28 februari 2020 heeft aangever [aangever1] aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd op diezelfde avond in Den Haag. Hij verklaarde dat hij bij een show aanwezig was en dat hem was gevraagd om backstage te komen. Daar werd hij door een groep jongens aangevallen. Hij is geslagen, op de grond gevallen en beroofd van zijn Louis Vuitton sjaal, muts en tas met daarin geld (een bedrag van € 300,-) en zijn ID-bewijs. [bijnaam5] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene4] ) had zijn sjaal, [verdachte] had zijn tas en een Marokkaanse jongen had zijn muts.16

Getuigen

Getuige [getuige4] heeft verklaard dat het slachtoffer werd geslagen en door de menigte werd tegengehouden, zodat hij geen kant op kon. Hij zag dat [bijnaam5] keihard met zijn telefoon tegen het hoofd van aangever sloeg. Verder benoemde hij [verdachte] als de agressor en zag hij [verdachte] meerdere malen hard tegen het lichaam van aangever schoppen en slaan.17

Getuige [getuige5] heeft verklaard dat hij zag dat aangever in elkaar werd geslagen en dat een van de jongens aangever met zijn telefoon op zijn hoofd heeft geslagen. Verder zag hij dat een van de jongens de spullen van het slachtoffer met kracht wegnam, namelijk zijn Louis Vuitton sjaal, muts en tas.18

De verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in groepsverband geweld heeft gebruikt tegen [aangever1] en dat hij een paar klappen heeft uitgedeeld.19

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid aangever en getuige [getuige5]

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van aangever en getuige [getuige5] betrouwbaar en zal de rechtbank deze verklaringen als bewijsmiddelen gebruiken. De aangever heeft consistent en gedetailleerd verklaard en zijn verklaring vindt steun in de getuigenverklaringen van [getuige4] en [getuige5] en de verklaring van de verdachte zelf. Verder is de verklaring van getuige [getuige5] betrouwbaar, omdat ook zijn verklaring voor zover deze ziet op het geweld richting aangever en het wegnemen van de goederen steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank is dan ook met betrekking tot het onder 1 laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat de rechtbank de diefstal met geweld als één handeling ziet.

Partiële vrijspraak feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat [aangever1] is bedreigd door het tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Bedreiging, feit 3

De rechtbank zal voor feit 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:20

  • -

    Proces-verbaal aangifte, p. 14-15.

  • -

    Proces-verbaal van bevindingen, p. 22.

  • -

    Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gebezigde woorden ‘wanneer ik jou zie ga je kanker klappen krijgen’ bedreigend van aard zijn. De verdachte en aangeefster hadden een conflict over een geldbedrag en/of een telefoonabonnement. De verdachte was hier boos over en wilde zijn geld terug. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat door de woorden van de verdachte bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn dreigement ook zou uitvoeren.

De rechtbank acht met de officier van justitie de woorden ‘ik ga je gewoon kaalscheren’ niet bedreigend.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte, onder parketnummer 09/767458-20, bewezen dat:

1, subsidiair.

hij op 10 augustus 2020 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven opzettelijk een vuurwapen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 10 augustus 2020 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten op de Pier, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] door

- die [slachtoffer 1] vast te pakken en

- die [slachtoffer 1] met kracht naar zich toe te trekken en naar de grond te trekken en ten val te brengen en

- die [slachtoffer 1] te slaan en die [slachtoffer 1] te schoppen;

4.

hij op 10 augustus 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 1 of 2 of een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte, onder parketnummer 09/765043-20, bewezen dat:

1.

hij op 28 februari 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een sjaal (Louis Vuitton) en een muts (Louis Vuitton) en een tas (Louis Vuitton) met inhoud (onder andere geld en een ID bewijs), toebehorende aan [aangever1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [aangever1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het

- met een groep belagen van die [aangever1] , en

- meermalen slaan en stompen tegen het hoofd en het lichaam van die [aangever1] , en

- met een voorwerp slaan op het hoofd van die [aangever1] ;

3.

hij in de periode van 3 januari tot en met 5 januari 2020 te Ridderkerk [naam] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [naam] - via een spraakmemo - dreigend de woorden toe te voegen "Wanneer ik jou zie ga je kanker klappen krijgen".

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie overweegt daarbij dat de reclassering het recidive risico hoog inschat en de verdachte een lang strafblad heeft gelet op zijn jonge leeftijd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen langere gevangenisstraf dient te krijgen dan de duur van het voorarrest, gelet op de bepleite integrale vrijspraak voor parketnummer 09/767458-20, dan wel de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten, te weten voorbereiding van doodslag, openlijke geweldpleging, het voorhanden hebben van een vuurwapen, bedreiging en diefstal met geweld.

Op 10 augustus 2020 is de verdachte samen met zijn groep, aan het einde van een zonnige middag, de drukbezochte Pier in Den Haag opgelopen en is daar de confrontatie aangegaan met een rivaliserende drillrapgroep. Deze confrontatie ging gepaard met veel geweld, waarbij de verdachte een vuurwapen bij zich droeg in zijn schoudertas en de rivaliserende groep eveneens was bewapend met messen en een vuurwapen. De confrontatie is fataal afgelopen voor een van de leden van de groep aan de zijde van de verdachte. Veel bezoekers, onder wie kinderen, zijn getuige geweest van het geweld op de Pier. Dergelijke strafbare feiten zijn, met name als die gepleegd worden op klaarlichte dag op een dergelijke drukbezochte plaats, zeer schokkend en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat de verdachte met zijn groep juist op de drukke Pier een gewelddadige confrontatie is aangegaan met een rivaliserende groep, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan en zal als strafverzwarende omstandigheid meewegen in de strafoplegging.

Dat de verdachte geweld niet schuwt, was ook op 28 februari 2020 zichtbaar, toen de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Hij heeft aangever overvallen door hem backstage te laten komen en vervolgens met een groep te belagen. Dure merkkleding en een tas zijn toen van aangever afgepakt. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lange tijd angstgevoelens kunnen ondervinden, zoals ook in toelichting op de vordering van de benadeelde is te lezen.

Strafblad

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van de verdachte d.d. 9 maart 2021. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat dat de verdachte eerder voor zowel vermogens- als geweldsdelicten is veroordeeld.

Persoon van de verdachte

Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat hij ‘opnieuw wil beginnen’ nadat hij vrijkomt en wil meewerken met de reclassering. Verder is de verdachte in detentie bezig met het behalen van certificaten en met trainingen. De verdachte wil na zijn detentie het liefst buiten Rotterdam, begeleid, gaan wonen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte d.d. 29 oktober 2020 en 1 januari 2021, waaruit volgt dat sprake is van een zorgelijk patroon van geweldsdelicten, psychische problematiek, zwakbegaafdheid en een hoog recidiverisico bij de verdachte. Hij komt beïnvloedbaar en impulsief op de reclassering over. De reclassering adviseert de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Mocht de rechtbank een deels voorwaardelijke straf opleggen, dan adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en het meewerken aan middelencontrole.

Strafmodaliteit en strafmaat

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet in dat de verdachte begeleiding, zoals de reclassering adviseert, nodig heeft en gaat ervan uit dat dergelijke hulp tijdens de detentie en bij een voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte wordt aangeboden.

7 De vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

[aangever1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.160,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.560,- aan materiële schade en € 1.600,- aan immateriële schade. Daarnaast vordert [aangever1] vergoeding van proceskosten van € 900,39.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 3.260,- kan worden toegewezen, dat de immateriële schade kan worden vastgesteld op € 500,- en tot dat bedrag kan worden toegewezen, en dat de gevorderde proceskostenvergoeding van € 900,39 kan worden toegewezen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering gelet op de bepleite vrijspraak voor het betreffende feit, dan wel dat de vordering gematigd dient te worden. Voorts zijn meerdere posten van de gevorderde materiële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en stelt de benadeelde partij in zijn aangifte dat € 300,- uit zijn jaszak is gestolen, terwijl hij nu € 1.100,- vraagt. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot € 500,-.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder dagvaarding 09/765043-20, feit 1, bewezenverklaarde.

Materiële schade

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de volgende schadeposten toewijzen:

- ‘ Beeldscherm Iphone 11 Pro’ - € 200,-

- ‘ Louis Vouitton tas’ - € 1.560,-

- ‘ Louis Vuitton sjaal en muts’ - € 500,-

De rechtbank gaat uit van het geldbedrag zoals bij de aangifte is aangegeven, ten aanzien van de volgende post:

- ‘ Geldbedrag in jaszak’ - € 300,-

Dat komt neer op een bedrag van € 2.560,- aan materiële schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partij voor de overige materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 februari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Advocaatkosten

Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief kanton’ op € 622,- (gebaseerd op 2 punten in een zaak met een geldswaarde tot € 10.000,-) Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn ze daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.060,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 februari 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever1] .

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter d.d. 11 december 2018 voorwaardelijk opgelegde werkstraf, te weten: een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam, d.d. 11 december 2018, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 46, 47, 57, 141, 285, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/767458-20 onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding met parketnummer 09/765043-20 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/767458-20 onder 1 subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding met parketnummer 09/765043-20 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding met parketnummer 09/767458-20:

ten aanzien van feit 1, subsidiair:

medeplegen van voorbereiding van doodslag;

ten aanzien van feit 2:

openlijke geweldpleging;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of III;

dagvaarding met parketnummer 09/765043-20:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met zware mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever1] toe tot een bedrag van € 3.060,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 februari 2020 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 622,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.060,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 februari 2020 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank te Rotterdam, d.d. 11 december 2018, gewezen onder parketnummer 10/202809-18, te weten:

een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort, rechter,

mr. A.M. Gruschke, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.A. Goldstoff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging met parketnummer 09/767458-20

1.

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven met een of meer anderen (met wie die [slachtoffer 1] ruzie had) naar 's-Gravenhage is gegaan en/of die [slachtoffer 1] heeft opgezocht op De Pier en/of een vuurwapen heeft meegenomen en/of die [slachtoffer 1] heeft genaderd en beetgepakt en/of zijn vuurwapen uit zijn tas heeft gepakt en/of het wapen heeft proberen af te vuren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het misdrijf om opzettelijk en en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk een vuurwapen (merk Sig Sauer type P229), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te s-Gravenhage openlijk, te weten op de

Pier, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te

weten [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen door

- die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht naar zich toe te trekken en/of naar de grond te trekken en/of ten val te brengen en/of

- die [slachtoffer 1] te slaan en/of (in de richting van) die [slachtoffer 1] te schoppen;

3.

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, mee te

voeren en/of uit zijn tas te halen en/of aan die [slachtoffer 1] te tonen;

4.

hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie II, onder 1 of 2 of een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool (merk Sig Sauer model P229) voorhanden heeft gehad.

Tekst tenlastelegging met parketnummer 09/765043-20

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een sjaal (Louis Vuitton) en/of een muts (Louis Vuitton) en/of een tas (Louis Vuitton) met inhoud (onder andere geld en/of een ID bewijs), in elk geval enig goed, geheel of ten toebehorende aan [aangever1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met een groep) belagen van die [aangever1] , en/of

- ( meermalen) slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangever1] , en/of

- ( dreigend) aan die [aangever1] tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of

- met dat vuurwapen/voorwerp slaan (op het hoofd) van die [aangever1] ;

2.

hij op of omstreeks 01 augustus 2020 te Rotterdam op of aan de openbare weg, de Arcenstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) ring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde1] , in geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, en/of met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [benadeelde1] heeft gedwongen tot de afgifte

van een (gouden) ring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen/voorhouden van een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, aan die [benadeelde1] , en/of

- toevoegen aan die [benadeelde1] van de woorden: "Schiet op ander snij ik je vinger af", althans woorden gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 3 januari tot en met 5 januari 2020 te Ridderkerk, in elk geval in Nederland, [benadeelde2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die die [benadeelde2] - via een spraakmemo - dreigend de

woorden toe te voegen "Wanneer ik jou zie ga je kanker klappen krijgen" en/of "ik ga je gewoon kaal scheren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DHRAB20005, onderzoek: ‘Echo20’, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 723).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 121-123.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 8 (betreft nagezonden proces-verbaal met nummer 501).

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 159-160 en verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021.

5 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021.

6 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021 en de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 7 april 2021 van de camerabeelden ‘Compilatie – Echo20 (…)’, minuut 3:30 tot en met minuut 3:40.

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021 en de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 7 april 2021 van de camerabeelden ‘Compilatie – Echo20 (…)’, minuut 4:10 tot en met minuut 5:27.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 335.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 347.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 625-627.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 667.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 687.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 564-565.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 359.

15 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020059300, Onderzoek: Project24, van de politie regionale eenheid Rotterdam, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 75).

16 Proces-verbaal aangifte, p. 7-9.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 35-36.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 30-32.

19 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 april 2021.

20 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2020004863, van de politie eenheid Rotterdam, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 32).