Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3946

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
8888679 RL EXPL 20-21592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Staat en gedaagde hebben onrechtmatig gehandeld jegens Farmers Defence Force door in de uitzending van Opsporing Verzocht van 13 oktober 2020 te verwijzen naar Farmers Defence Force.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

JvdB/c

Zaak-/rolnummer: 8888679 RL EXPL 20-21592

20 april 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [naam vereniging 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de stichting Stichting Farmers Defence Force,

gevestigd te Assen,
eisers,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

1 de publiekrechtelijke rechtspersoonStaat der Nederlanden,
gevestigd te Den Haag,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [naam vereniging 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagden,

gemachtigde: mr. H.P. van der Woerd.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ”, “de stichting”, “de Staat” en “ [gedaagde] ”. [eiseres] en de stichting zullen tezamen worden aangeduid als “Farmers Defence Force”. De Staat en [gedaagde] zullen tezamen worden aangeduid als “de Staat c.s”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 11 november 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de in het geding gebrachte producties.

1.2

Op 2 april 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [betrokkene 1] is verschenen namens [gedaagde] . Mr. H.P. van der Woerd is verschenen namens de Staat c.s. [betrokkene 2] is verschenen namens Farmers Defence Force, bijgestaan door [gemachtigde] . Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

1.3

Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

Op 22 juli 2020 is in Bilthoven op drie plaatsen brand gesticht.

2.2

Op 13 oktober 2020 heeft naar aanleiding van die brandstichtingen een getuigenoproep plaatsgevonden in de uitzending van het programma Opsporing Verzocht. Voor zover relevant is in die uitzending het volgende gezegd:

(…) De politie is op zoek naar de inzittende van deze auto. Het is iemand, die mogelijk banden heeft met Farmers Defence Force of de actiegroepen ‘ [x] ’ of ‘ [Y] ’ (...)

De politie denkt dus, dat de inzittende met de brandstichtingen te maken kan hebben. Dan zou degene, die hier terug rent, mogelijk banden kunnen hebben met een militante kern van actievoerders uit misschien wel Farmers Defence Force, [Z] dat is inmiddels omgedoopt tot [Y] of dus die actiegroep [x] . (…)

2.3

De uitzending van Opsporing Verzocht is gepubliceerd op de website van [gedaagde] ( [website] ).

2.4

Op 15 oktober 2020 is vervolgens telefonisch contact geweest tussen de persvoorlichter van het arrondissementsparket Midden-Nederland en de woordvoerster van Farmers Defence Force. Tijdens dit gesprek heeft de persvoorlichter – voor zover relevant – als volgt gezegd:

(..) Het is fout gegaan bij Opsporing Verzocht. Dat had niet mogen gebeuren. Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor opsporingsberichtgeving. (…)

Wij hebben ook gezien, dat daar mogelijk politieke gevoeligheden in zaten, of maatschappelijke gevoeligheden of hoe je het maar wil noemen. Lang verhaal kort: er is een hele duidelijke beslissing genomen en die beslissing was, dat we geen links gaan leggen met protesten van Farmers Defence Force, [Z] , of andere bijeenkomsten of protesten, die de volgende dag daar waren. Dat is een hele duidelijke beslissing geweest. Dat is bij Bureau Hengeveld, zeg maar het lokale berichtgevingsprogramma van de Provincie Utrecht van RTV Utrecht, prima gegaan. Wij hebben gewoon eerst het item gebracht met: er is een brand geweest; wij laten hier beelden zien van iemand die er mogelijk mee te maken heeft; kunt u hier iets over melden? Neem contact met ons op. Helemaal geen verwijzing. (…)

Via mijn collega persofficier is de zaak toen naar Opsporing Verzocht gegaan, met precies dezelfde restricties. Waar het mis is gegaan, is in de communicatie tussen de politie en de redactie van Opsporing Verzocht, waardoor toch die verwijzing naar onder andere Farmers Defence Force erin is gekomen. Het is heel simpel: dat had niet gemogen. (...)

Het staat als een paal boven water. Iedereen ziet dat ook. Er is hier iets gebeurd, wat niet had mogen gebeuren en wij willen nu heel graag met jullie in gesprek hoe we dat gaan oplossen. (…)

Wij denken zelf aan een rectificatie, maar dat willen we graag in overleg met jullie doen. Dat jullie daar ook invloed op hebben op wat er dan gerectificeerd wordt, (…)

2.5

Op 15 oktober 2020 is de gewraakte suggestie op de website van [gedaagde] in de link naar de uitzending verwijderd.

2.6

In de uitzending van Opsporing Verzocht van 20 oktober 2020 heeft een rectificatie plaatsgevonden en is op de website van [gedaagde] het volgende bericht geplaatst:

“In de uitzending van 13/10/20 is gezegd dat de vermoedelijke brandstichter mogelijk banden had met een militante kern van een van die actiegroepen die later die dag bij de demonstratie waren. Daarvoor onze oprechte excuses aan Farmers Defence Force, [Y] en [x] . Er is geen bewijs voor zo’n verband tussen de branden en deze protestgroepen, en ook geen enkele concrete aanwijzing voor een link tussen degene op de beelden en die groepen. Die link had niet gelegd moeten worden. Ook had niet gesuggereerd mogen worden dat Farmers Defence Force een militante kern heeft. De protesten en demonstraties die dag zijn ook vreedzaam verlopen.”

3 Vordering, grondslag en verweer

3.1

Farmers Defence Force vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I te verstaan, dat Farmers Defence Force haar onderhavige vorderingen tot immateriële schadevergoeding jegens de Staat en [gedaagde] in verband met de competentiegrens van de kantonrechter en om proceseconomische redenen maximeert op € 25.000,00 per eisende partij, met inbegrip van de op de dag der dagvaarding verschenen wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;

II te verklaren, dat de Staat en [gedaagde] jegens Farmers Defence Force onrechtmatig hebben gehandeld, namelijk in strijd met artikel 17 IVBPR, artikel 8 EVRM, artikel 7 Handvest Grondrechten EU, artikel 10 Gw en artikel 1.3 Aanwijzing opsporingsberichtgeving, althans hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door met de gewraakte uitlatingen de eer en goede naam van Farmers Defence Force aan te tasten, terwijl een (deugdelijke) feitelijke onderbouwing ontbreekt;

III de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd;

IV de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de stichting te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd;

V de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en gebruikelijke nakosten, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd.

3.2

Farmers Defence Force legt aan deze vordering het volgende – samengevat – ten grondslag. Met de uitlatingen in de uitzending van 13 oktober 2020 van het programma Opsporing Verzocht heeft de Staat c.s. onrechtmatig gehandeld jegens Farmers Defence Force. Farmers Defence Force stelt in dit verband dat de Staat c.s. met de uitlatingen in die uitzending openlijk heeft gesuggereerd dat Farmers Defence Force (i) mogelijk betrokken is bij (ernstig) strafbaar gedrag, te weten meervoudige brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en (ii) ‘militante’ activiteiten ontplooid. Een deugdelijke onderbouwing voor dit handelen ontbreekt. De Staat c.s. heeft gehandeld in strijd met artikel 17 IVBPR, artikel 8 EVRM, artikel 7 Handvest Grondrechten EU, artikel 10 Grondwet en artikel 1.3 Aanwijzing Opsporingsberichtgeving, althans hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Farmers Defence Force vordert in dit kader dat voor recht wordt verklaard dat de Staat c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Door het onrechtmatig handelen, stelt Farmers Defence Force dat zowel [eiseres] als de stichting immateriële schade hebben geleden. De immateriële schade begroten [eiseres] en de stichting beiden op een bedrag van € 25.000,-. Verder maken [eiseres] en de stichting aanspraak op de wettelijk rente over het bedrag van € 25.000,- vanaf 13 oktober 2020 en op buitengerechtelijke incassokosten, die door haar worden begroot op een bedrag van € 1.025,- per eisende partij. Om haar moverende redenen heeft Farmers Defence Force haar vordering beperkt tot een bedrag van € 50.000,-. Dit bedrag vordert Farmers Defence Force in deze procedure van de Staat c.s.

3.3

De Staat c.s. heeft verweer gevoerd, waarop hierna – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4 Beoordeling

Onrechtmatig handelen

4.1

De eerste vraag die in deze procedure beantwoord dient te worden, is of de Staat c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Farmers Defence Force. Over die vraag oordeelt de kantonrechter als volgt.

4.2

Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is een partij – i.c. de Staat c.s. – jegens een andere partij – i.c. Farmers Defence Force – schadeplichtig indien die partij (1) schade lijdt (2) als gevolg van een door die ander (3) gepleegde onrechtmatige daad, welke daad de partij (4) kan worden toegerekend. Het tweede lid van voormeld wetsartikel bepaalt daarbij dat als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat na de uitzending van 13 oktober 2020 van Opsporing Verzocht telefonisch contact is geweest tussen een woordvoerster van Farmers Defence Force en de persvoorlichter van het arrondissementsparket Midden-Nederland en dat de persvoorlichter onder meer heeft gezegd: “Het is fout gegaan bij Opsporing Verzocht. Dat had niet mogen gebeuren.” Daarnaast is niet in geschil dat de persvoorlichter tegen Farmers Defence Force heeft gezegd dat een hele duidelijke beslissing is genomen om in de uitzending – naar de kantonrechter begrijpt vanwege mogelijk politieke of maatschappelijke gevoeligheden – geen links te leggen met protesten van Farmers Defence Force, [Z] of andere bijeenkomsten of protesten en dat dit door een miscommunicatie toch is gebeurd. Hierdoor is een verwijzing naar onder andere Farmers Defence Force gemaakt en is tijdens het telefoongesprek nadrukkelijk opgemerkt dat dit niet had mogen gebeuren. De Staat c.s. heeft ter zitting in verband met het voorgaande ook erkend dat strikt genomen niet juist is gehandeld.

4.4

De kantonrechter leidt hieruit af dat het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de uitzending van Opsporing Verzocht een afweging heeft gemaakt en dat aan de hand daarvan is besloten in die uitzending niet te verwijzen naar Farmers Defence Force of enig andere protestgroep. Door in de betreffende uitzending vervolgens alsnog te verwijzen naar onder andere Farmers Defence Force heeft de Staat c.s. naar het oordeel van de kantonrechter gehandeld in strijd met de door haar gehanteerde zorgvuldigheidsnorm. Nu die zorgvuldigheidsnorm is overschreden, heeft de Staat c.s. gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat de Staat c.s. na de uitzending direct contact heeft opgenomen met Farmers Defence Force om te bezien hoe de situatie zo snel mogelijk kon worden opgelost en er daarna een rectificatie heeft plaatsgevonden op de website van [gedaagde] en in de uitzending van Opsporing Verzocht van 20 oktober 2020 – zoals door de Staat c.s. is aangevoerd – doet daaraan niet af. De uitlatingen waren op dat moment immers al gedaan, waardoor Farmers Defence Force op enig moment in haar eer en goede naam aangetast is geweest. Ook het verweer dat de uitlatingen niet met veel stelligheid zijn geuit en met veel voorzichtigheid, context en voorbehouden zijn gedaan, kan de Staat c.s. niet baten nu dit onverlet laat dat de verwijzing (in strijd met de door de Staat c.s. gehanteerde zorgvuldigheidsnorm) wél is gemaakt.

4.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat c.s. jegens Farmers Defence Force onrechtmatig heeft gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen op de hierna in het dictum vermelde wijze.

Schadevergoeding

4.6

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of Farmers Defence Force recht heeft op schadevergoeding. Farmers Defence Force stelt dat zowel [eiseres] als de stichting immateriële schade hebben geleden. Artikel 6:106 sub b BW bepaalt in dit verband dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.7

Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen voldoende komen vast te staan dat Farmers Defence Force in haar eer en goede naam is geschaad, doordat de Staat c.s. in strijd met de door haar gehanteerde zorgvuldigheidsnorm in de uitzending van Opsporing Verzocht heeft verwezen naar Farmers Defence Force. Aan Farmers Defence Force komt daarom een immateriële schadevergoeding toe. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding acht de kantonrechter het volgende van belang.

4.8

Farmers Defence Force stelt dat zowel [eiseres] als de stichting € 25.000,- aan immateriële schade hebben geleden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Farmers Defence Force onvoldoende onderbouwd dat door zowel [eiseres] als de stichting schade is geleden. De kantonrechter acht daarbij relevant dat voor de buitenwereld – en dus ook voor de kijkers van Opsporing Verzocht – niet (voldoende) kenbaar is dat een onderscheid bestaat tussen [eiseres] en de Stichting Farmers Defence Force en wat de verhouding is tussen beiden. De kantonrechter zal de Staat c.s. daarom veroordelen om een schadevergoeding aan Farmers Defence Force, dus aan [eiseres] en de stichting gezamenlijk, te betalen.

4.9

Ter onderbouwing van de door haar gestelde schade stelt Farmers Defence Force dat (potentiële) leden, sponsoren en (andere) partners hun samenwerking met Farmers Defence Force willen heroverwegen ten gevolge van de uitzending. De gestelde schade wordt door de Staat c.s. betwist. Ter zitting heeft Farmers Defence Force verklaard dat na de uitzending veel mensen contact met haar hebben opgenomen om te vragen wat er aan de hand was en ook dat minder werd gedoneerd. Farmers Defence Force heeft evenwel niet onderbouwd dat zij daadwerkelijk leden of sponsoren is verloren. Verder heeft Farmers Defence Force ter zitting aangevoerd dat de Rabobank – naar aanleiding van dit incident – lang heeft moeten twijfelen of zij aan Farmers Defence Force een bankrekening wilde verstrekken en dat daar veel werk aan de zijde van Farmers Defence Force in is gaan zitten. Ook deze stelling is niet door Farmers Defence Force onderbouwd. Hoewel Farmers Defence Force ter zitting bewijs heeft aangeboden van haar stelling op dit punt gaat de kantonrechter daaraan voorbij, omdat het mogelijke extra werk dat daarin heeft gezeten ziet op eventuele materiele schade, maar dat wordt in deze procedure niet gevorderd.

4.10

De verwijzing naar Farmers Defence Force in de uitzending van Opsporing Verzocht heeft plaatsgevonden op nationale televisie. Begrijpelijkerwijs heeft Farmers Defence Force door die uitzending enig nadeel ondervonden. Het is de kantonrechter echter niet gebleken dat de brandstichtingen die in de uitzending van Opsporing Verzocht van 13 oktober 2020 zijn behandeld geheel in het teken van een door Farmers Defence Force georganiseerde demonstratie is geplaatst, zoals door Farmers Defence Force is gesteld. In de uitzending worden immers ook andere actiegroepen genoemd. Daarnaast is de kantonrechter met de Staat c.s. van oordeel dat de uitlatingen met voorzichtigheid en voorbehouden zijn gedaan (“Het is iemand, die mogelijk banden heeft met Farmers Defence Force (…)Dan zou degene, die hier terug rent, mogelijk banden kunnen hebben met(…)”), hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter een matigende invloed heeft op de hoogte van de schadevergoeding. Daarnaast acht de kantonrechter relevant dat daags na de uitzending een rectificatie heeft plaatsgevonden op de website van [gedaagde] en in de uitzending van Opsporing Verzocht van 20 oktober 2020, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter een hoop onrust uit de lucht moet hebben gehaald. Dat sprake zou zijn van een enigszins gereserveerde rectificatie, zoals door Farmers Defence Force is aangevoerd, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Bovendien is door de Staat c.s. in dat kader – onder verwijzing naar een Whatsapp-bericht – onweersproken gesteld dat de tekst van de rectificatie aan Farmers Defence Force is voorgelegd, waarna zij schriftelijk heeft ingestemd met de tekst van de rectificatie alvorens deze is geplaatst. De kantonrechter acht verder van belang dat de rectificatie heeft plaatsgevonden in een uitzending van Opsporing Verzocht en daarmee dus hetzelfde publiek is bereikt als met de eerdere uitlatingen. Het is de kantonrechter tot slot ook niet gebleken dat de uitlatingen verder nog van invloed zijn geweest op de reputatie van Farmers Defence Force of dat zij daar op een later moment nog mee in verband is gebracht in de media.

4.11

De kantonrechter zal de schadevergoeding, gelet op alle voorgaande relevante feiten en omstandigheden van deze zaak, naar redelijkheid en billijkheid bepalen op een bedrag van € 3.000,-. Dit is een aanzienlijk lager bedrag dan de gevorderde € 25.000,- per rechtspersoon. De uitspaken waar Farmers Defence Force naar heeft verwezen ter onderbouwing van de hoogte van de vordering acht de kantonrechter niet, althans onvoldoende vergelijkbaar. In die zaken ging het om beschuldigingen van natuurlijke personen, zonder enig voorbehoud in de gebruikte bewoordingen of enige vorm van rectificatie nadien. In de onderhavige zaak is direct gerectificeerd en de uitlatingen waren voorzichtig en met voorbehouden gedaan hetgeen een matigend effect heeft. De Staat c.s. zal tot betaling van voornoemd bedrag aan Farmers Defence Force worden veroordeeld.

4.12

Farmers Defence Force vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De Staat c.s. heeft daartegen geen verweer gevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de stukken bij de dagvaarding voldoende dat Farmers Defence Force buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Gelet op het bedrag dat aan hoofdsom wordt toegewezen, zal de kantonrechter de Staat c.s. veroordelen om conform de Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten een bedrag van € 425,00 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten aan Farmers Defence Force te betalen.

4.13

De gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.14

De Staat c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De door Farmers Defence Force gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen.

5 Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat dat de Staat c.s. jegens Farmers Defence Force onrechtmatig heeft gehandeld, namelijk in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door met de gewraakte uitlatingen de eer en goede naam van Farmers Defence Force aan te tasten, terwijl een (deugdelijke) feitelijke onderbouwing ontbreekt;

- veroordeelt de Staat c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Farmers Defence Force te betalen een bedrag van € 3.425,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.000,- vanaf 13 oktober 2020 tot de dag der algehele betaling;

- veroordeelt de Staat c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Farmers Defence Force vastgesteld op € 1.519,99, waarvan € 436,00 (2 punten à € 218,00) als het aan de gemachtigde van Farmers Defence Force toekomende salaris;

- veroordeelt de Staat c.s. hoofdelijk, met dien verstande dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover Farmers Defence Force daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. N.F.H. van Eijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2021.