Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3891

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
NL21.4306 en NL21.4307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.4306 en NL21.4307


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Janssen-Polet),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiseres de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat

de overdracht achterwege blijft, tot op het beroep is beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) doet, gelet op de

aangevoerde gronden en in het licht van de bestendige en actuele jurisprudentie op grond

van artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgegaan. De situatie in Italië voor asielzoekers is zodanig slecht, dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure waardoor overdracht aan Italië strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiseres verwijst in dit verband naar een tweetal rapporten met bijbehorende persberichten van de Swiss Refugee Council van 8 mei 2019 en 1 januari 2020. Tevens verwijst eiseres naar een artikel van 16 maart 2020 op www.thenewhumanitarian.org waarin wordt beschreven dat de coronacrisis voor migranten in Italië tot ernstige problemen leidt.

Eiseres stelt voorts dat ook gelet op haar individuele omstandigheden, te weten het zijn van slachtoffer van mensenhandel, gedwongen prostitutie, agressie en bedreigingen, ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Italië heeft eiseres onvoldoende bescherming geboden, waardoor eiseres te maken heeft gehad met omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Gelet op deze ervaringen kan van eiseres niet verwacht worden dat zij zich hierover nu opnieuw zou beklagen bij de autoriteiten in Italië. Verweerder heeft in de zwangerschap en aanstaande bevalling van eiseres ten onrechte geen reden gezien om eiseres als ‘extra kwetsbaar persoon’ aan te merken en nadere garanties van de Italiaanse autoriteiten te verkrijgen, zulks te meer eiseres met een zeer traumatisch verleden kampt en alleenstaande moeder wordt als verweerder haar partner Kingsly Agbonfon (NL21.4308 en NL21.4309) aan een andere lidstaat (Oostenrijk) op grond van de Dublinverordening overdraagt. Verweerder heeft gelet op de omstandigheden van eiseres ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op grond van het interstatelijk

vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan

internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover

geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts

afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige

tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling

strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Naar het oordeel van de

rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft meerdere malen – en meer recentelijk in de uitspraken van

30 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2580) en 25 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:464) – geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In de laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder óók bij bijzonder kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Italië nog altijd terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Uit de uitspraak van 30 oktober 2020 volgt bovendien dat de uitbraak van het coronavirus niet tot het oordeel leidt dat de zorg- en opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië niet aan de eisen voldoen of dat Italië als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn internationale verplichtingen niet langer zal nakomen. De door eiseres aangehaalde rapporten en het artikel op www.thenewhumanitarian.org zijn van een oudere datum dan de voornoemde uitspraken van de Afdeling en geven de rechtbank geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Ondanks dat Italië niet heeft gereageerd op het claimverzoek, mag ervan uit worden gegaan dat Italië het asielverzoek in behandeling zal nemen en eiseres zal opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn (2013/33/EU) en de Procedurerichtlijn (2013/32/EU). Daarbij is Italië gehouden de uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen in acht te nemen.

4.2.

De rechtbank is voorts van oordeel dat hetgeen eiseres over haar persoonlijke ervaringen tijdens haar verblijf in Italië heeft aangevoerd, evenmin tot het oordeel kan leiden dat verweerder ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiseres heeft haar gestelde problemen in Italië niet nader onderbouwd, maar zelfs als zij daarin moet worden gevolgd, stelt verweerder terecht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij voor deze problemen aangifte in Italië doet en zo nodig de hulp van de (hogere) autoriteiten in Italië inroept. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit van eiseres (vanwege psychische of andere problematiek) in redelijkheid niet kan worden gevergd of dat de (hogere) autoriteiten in Italië eiseres daarvoor niet willen of kunnen helpen.

4.3.

De stelling van eiseres dat zij als een kwetsbare vreemdeling moet worden aangemerkt, maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat uit de voornoemde uitspraak van 25 februari 2021 volgt dat verweerder gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht ervan uitgaat dat eiseres na de overdracht in Italië de noodzakelijke (medische) voorzieningen zal krijgen en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in haar geval niet zo zal zijn. Gezien het vorenstaande kan de stelling van eiseres dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten niet de noodzakelijke (medische) zorg zal krijgen, niet slagen.

4.4.

De stelling van eiseres dat een overdracht naar Italië in haar bijzondere individuele geval van onevenredige hardheid getuigt vanwege de door haar daar ervaren problemen waardoor verweerder de asielaanvraag onverplicht aan zich dient te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, kan gezien het voorgaande evenmin slagen. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de omstandigheid dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit (hoog)zwanger is, ook geen aanleiding vormt om toepassing te geven van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij (relevante) medische problemen heeft als gevolg van haar zwangerschap. Verweerder heeft bovendien in het bestreden besluit aangegeven dat indien blijkt dat eiseres op het moment van overdracht niet in staat is om te reizen, de overdracht kan worden opgeschort. Dit geldt voor de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. Na de laatstgenoemde zes weken kan overdracht in beginsel alsnog plaatsvinden. Voor wat betreft de gestelde gezinsband met haar gestelde partner, daargelaten dat eiseres deze niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder op goede gronden overwogen dat nu eiseres en haar gestelde partner elkaar pas op het grondgebied van de lidstaten hebben leren kennen, de gestelde gezinsband geen aanleiding geeft om het asielverzoek van eiseres onverplicht in behandeling te nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2276, r.o. 5). Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.

5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep beslist,

wordt het verzoek om een voorlopige voorziening bij gebrek aan belang afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.