Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3845

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
C/09/605998 / FA RK 21-240
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 21-240

Zaaknummer: C/09/605998

Datum beschikking: 15 april 2021

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 12 januari 2021 ingekomen verzoek van:

[X]

de moeder,

ten tijde van de indiening van het verzoek feitelijk verblijvende te [plaatsnaam 1] , doch ingeschreven in de gemeente [plaatsnaam waar X is ingeschreven] ,

advocaat: mr. J. Witvoet te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats Y]

advocaat: mr. drs. K. Moene te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek.

Op 11 maart 2021 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Na de terechtzitting is het volgende stuk ontvangen:

- de brief van 25 maart 2021 van de zijde van de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

primair:

- te bepalen dat het de moeder vrij staat om samen met de minderjarige [minderjarige] naar Brabant te verhuizen en [minderjarige] daar op een openbare school in te schrijven teneinde haar in de gelegenheid te stellen aldaar haar opleiding te vervolgen;

subsidiair:

- een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:

- bij afwijzing van het verzoek van de moeder, te bepalen dat [minderjarige] in het kader van de zorgregeling bij de vader is:

- schoolweken:

o de ene week: van woensdag 17.30 uur tot vrijdag naar school;

o de andere week: van woensdag 17.30 uur tot maandag naar school;

- de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg door de ouders in te vullen, waarbij de ouders vóór 1 september afspraken maken over de periode 1 oktober – 1 maart en vóór 1 januari over de periode 1 maart – 1 oktober;

- halen en brengen van [minderjarige] bij helfte delen;

- in het geval dat de moeder haar plannen voor een verhuizing naar Brabant (zonder vervangende toestemming) voortzet of zonder toestemming van de vader of vervangende toestemming van de rechtbank zou willen verhuizen naar een plek buiten [woonplaats Y] en directe omgeving en/of haar zonder (vervangende) toestemming inschrijft op een andere school dan de [naam school] te [plaatsnaam 2] :

de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per direct te bepalen bij de vader en te bepalen dat de moeder het geldige paspoort van [minderjarige] onmiddellijk aan de vader dient af te geven, alsmede te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan inschrijving van [minderjarige] in de Basisregistratie Personen op het adres van de vader;

- in het geval de rechtbank de moeder vervangende toestemming geeft om met [minderjarige] te verhuizen naar Brabant en haar aldaar op een school in te schrijven, te bepalen dat [minderjarige] in het kader van de zorgregeling bij de vader is:

- schoolweken: per drie weken: de eerste twee weekenden bij de vader (vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur), derde weekend bij de moeder; na iedere schoolvakantie start een nieuwe drie wekelijkse cyclus;

- voor en na het weekend bij de moeder: woensdagmiddag (start 1,5 uur na einde schooltijd tot woensdag 19.00 uur);

- 2/3 van de schoolvakanties, in onderling overleg door de ouders in te vullen, waarbij de ouders vóór 1 september afspraken maken over de periode 1 oktober – 1 maart en vóór 1 januari over de periode 1 maart – 1 oktober;

- halen en brengen van [minderjarige] : door de moeder;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid

Ingevolge artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift stonden de moeder en [minderjarige] ingeschreven in de gemeente [plaatsnaam waar X is ingeschreven] op een postadres bij de ouders van de moeder.

Het werkelijk verblijf hadden de moeder en [minderjarige] in [plaatsnaam 1] .

De rechtbank is daarom bevoegd om van het verzoek van de moeder en het zelfstandig verzoek van de vader kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen, ingeval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders, of een van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

De rechtbank heeft de ouders tijdens de zitting voorgehouden dat zij, op grond van artikel 1:253a, derde lid, BW in samenhang met artikel 1:247a BW, bij beëindiging van hun samenleving een ouderschapsplan dienen op te stellen.

Genoemd derde lid van artikel 1:253a BW bepaalt dat indien de ouders daaraan niet hebben voldaan, de rechter de beslissing op een in het tweede lid van dat artikel bedoeld verzoek ambtshalve aanhoudt, totdat aan die verplichting is voldaan. Aanhouding blijft achterwege indien het belang van het kind dit vergt.

Uit de behandeling ter zitting en de stukken volgt dat het de ouders vanwege hun geschilpunten niet is gelukt om gezamenlijk een ouderschapsplan op te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze geschilpunten, het belang van [minderjarige] vergt dat aanhouding achterwege blijft.

Inhoudelijke beoordeling

Vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving school

De moeder heeft de rechtbank verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Brabant te verhuizen. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

Nu de vader geen toestemming verleent, dient de rechtbank, gelet op artikel 1:253a BW, een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) volgt dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn, neemt dat niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

In casu zal de rechtbank de gestelde belangen afwegen in het licht van de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing doordacht en voorbereid is alsmede het contact tussen de vader en [minderjarige] en de geboden alternatieven.

De noodzaak om te verhuizen

De moeder wil naar Brabant verhuizen en heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd. De moeder meent dat zij in Brabant meer kans heeft op het vinden van werk en een woning. Voorts woont in Brabant familie van de moeder die haar financieel kan ondersteunen. Ook haar twee inmiddels volwassen kinderen uit een eerder huwelijk die nog bij haar inwonen, zullen in Brabant gaan werken dan wel een opleiding volgen.

De moeder heeft na het uit elkaar gaan van partijen in 2018 nog twee jaar met [minderjarige] in de echtelijke woning gewoond en verblijft sinds de zomer 2020 in een recreatiewoning op het recreatiepark de [naam park] te [plaatsnaam 1] . Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij op 15 maart 2021 het recreatiepark moet hebben verlaten.

De vader heeft betwist dat een noodzaak bestaat voor de verhuizing naar Brabant. Volgens de vader weet de moeder al sedert medio 2018 dat zij op zoek moet naar een andere woning. De moeder heeft niet aangetoond dat zij op zoek is geweest naar werk en een woning in de omgeving van [woonplaats Y] De vader heeft betwist dat de moeder hier geen werk kan vinden in de zorg.

Een doordachte en voorbereide verhuizing

De vader heeft gesteld dat de moeder de verhuizing niet goed heeft doordacht en voorbereid. Zo is de vader niet betrokken bij het besluitvormingsproces. Ook heeft de moeder niet voorgesteld waar zij precies in Brabant wil gaan wonen en ook heeft zij geen school voor [minderjarige] voorgesteld.

Contact tussen de vader en [minderjarige] en geboden alternatieven

De vader heeft naar voren gebracht dat hij een volwaardig aandeel in de opvoeding van [minderjarige] wil en gesteld dat hij bij een verhuizing van [minderjarige] naar Brabant hierin beperkt wordt. De vader heeft voorts naar voren gebracht dat sinds de moeder met [minderjarige] in de zomer van 2020 uit zijn woning is vertrokken een zorgregeling wordt uitgevoerd waarbij [minderjarige] om de week het weekend van vrijdag na school tot maandag naar school en als zij op maandag een studiedag heeft tot dinsdag naar school bij de vader is en waarbij de vakanties en feestdagen worden gedeeld. De vader heeft vanaf de zomer van 2020, toen hij eindelijk terug in zijn woning kon, getracht tot uitbreiding van de zorgregeling te komen. De moeder wilde niet met de vader hierover in gesprek gaan. Bij een verhuizing naar Brabant zal uitbreiding van de huidige zorgregeling onmogelijk zijn, aldus de vader. Verder heeft de vader er op gewezen dat het bij een verhuizing naar Brabant, naarmate [minderjarige] ouder wordt en aldaar zal wortelen en haar vriendenkring zal opbouwen, steeds lastiger zal worden om [minderjarige] bij hem te laten verblijven.

Afweging van de belangen

Vooropgesteld dient te worden dat de moeder in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank niettemin van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar Brabant dient te worden afgewezen.

Allereerst is door de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een noodzaak aanwezig is voor de verhuizing. De moeder heeft, zoals de vader terecht naar voren heeft gebracht, op geen enkele wijze aangetoond welke moeite zij heeft gedaan om werk en een woning te vinden in de omgeving van [woonplaats Y] De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling dat het in Brabant makkelijker is om werk en een betaalbare woning te vinden onvoldoende is om de noodzaak van de verhuizing aan te nemen. Ook de enkele stelling van de moeder dat zij in Brabant financieel ondersteund kan worden door haar familie en dat haar twee inmiddels volwassen kinderen daar zullen gaan werken of studeren maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat er een noodzaak is voor de verhuizing.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder op geen enkele wijze heeft gesteld en onderbouwd in hoeverre zij de verhuizing goed heeft doordacht en voorbereid. De moeder heeft, ook desgevraagd ter zitting, op geen enkele wijze inzicht gegeven in hoeverre zij al op zoek is gegaan naar een woning of een school voor [minderjarige] in Brabant. Ook heeft de moeder de stelling van de vader dat hij niet betrokken is bij het besluitvormingsproces rond de verhuizing niet, althans onvoldoende betwist.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder enkel heeft aangevoerd dat de bestaande zorgregeling gewoon uitgevoerd kan worden. Zij heeft echter niet aangegeven hoe bij een verhuizing tegemoet kan worden gekomen aan de blijkbaar al eerder door de vader naar voren gebrachte wens tot uitbreiding van de zorgregeling. De moeder heeft geen alternatieven geboden en maatregelen genomen om de gevolgen van de verhuizing voor [minderjarige] en de vader te verzachten en/of te compenseren.

Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen wegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige] en de vader dient te prevaleren boven het belang van de moeder bij een verhuizing naar Brabant.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar Brabant en het daarmee samenhangende verzoek tot vervangende toestemming voor inschrijving op een school in Brabant afwijzen.

Hoofdverblijfplaats

Nu de rechtbank de verzoeken van de moeder zal afwijzen, zal de rechtbank het verzoek van de vader met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] eveneens afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat de rechtbank niet vooruit zal lopen op eventueel handelen van de moeder in strijd met deze beschikking.

Zorgregeling

De vader heeft om uitbreiding van de zorgregeling verzocht. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd. De moeder vindt de door de vader verzochte uitbreiding te veel en niet in verhouding.

Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat zij zullen deelnemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling ten einde te bezien of zij tot nadere afspraken kunnen komen over de zorgregeling. Met de ouders is besproken dat de moeder er voor zal zorgen dat zij zich inschrijft op een adres binnen arrondissement van de rechtbank Den Haag, zodat doorverwijzing naar de betreffende hulpverleningsinstantie binnen dit arrondissement mogelijk is.

Uit de door de moeder overgelegde brief van 25 maart 2021 blijkt echter dat de moeder met [minderjarige] tijdelijk haar intrek heeft genomen in een huisje op park [naam recreatiepark] [adres en plaatsnaam recreatiepark] (Brabant). Dit betekent dat de rechtbank de ouders niet kan doorverwijzen naar de juiste hulpverleningsinstantie binnen het arrondissement van de rechtbank Den Haag. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder, gelet op het feit dat de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming verhuizing zal afwijzen, zich alsnog laat inschrijven op een adres binnen het arrondissement van de rechtbank Den Haag, waarna de ouders zich zelf kunnen wenden tot de juiste hulpverleningsinstantie binnen dit arrondissement, teneinde het traject Ouderschapsbemiddeling te volgen en te bezien of zij tot nadere afspraken kunnen komen over de zorgregeling.

De rechtbank zal het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling afwijzen. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] om vooruitlopend op het traject Ouderschapsbemiddeling thans over te gaan tot uitbreiding van de zorgregeling. De ouders zijn sinds hun uiteengaan in staat gebleken uitvoering te geven aan de tussen hen eerder overeengekomen zorgregeling. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hiertoe ook in staat zijn gedurende het traject Ouderschapsbemiddeling en dat zij binnen dit traject tot nadere afspraken kunnen komen, waarin zij ook de nieuwe woonplaats van de moeder en [minderjarige] zullen betrekken.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de moeder en van de vader af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Meeder, M. Dam en C.W. de Wit, kinderrechters, in tegenwoordigheid van P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2021.