Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3843

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
C/09/595795 / FA RK 20-4415
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 20-4415

Zaaknummer: C/09/595795

Datum beschikking: 15 april 2021

Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie

Beschikking op het op 8 juli 2020 ingekomen verzoek van:

[Y]

de vader,

wonende te [woonplaats 1]

advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats 2]

advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.

Procedure

Bij beschikking van 20 oktober 2020 van deze rechtbank is – voor zover thans van belang – bepaald:

totdat de ouders andere afspraken maken of totdat de rechtbank anders beslist, dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig bij de moeder zijn ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de moeder met de kinderen bij de grootmoeder moederszijde zal verblijven, en waarbij de moeder de kinderen op vrijdag uit school haalt en op zondag om 17.00 uur bij de vader terugbrengt;

De ouders zijn voorts verwezen naar een mediator om te trachten hun geschillen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats de zorgregeling en de kinderalimentatie door middel van mediation tot een oplossing te brengen;

Ten slotte is iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het F9-formulier van 30 oktober 2020 van de zijde van moeder;

  • -

    het F9-formulier van 28 januari 2021 van de zijde van de vader;

  • -

    de brief van 5 maart 2021, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, van de moeder, ingediend in de hierna genoemde procedure met kenmerk C/09/604879 / FA RK 20-9294, waarin de moeder tevens nader ingaat op de kinderalimentatie.

Op 11 maart 2021 is de behandeling ter zitting voortgezet. Er heeft een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel de onderhavige procedure als de procedure bekend onder zaaknummer C/09/604879 en rekestnummer FA RK 20-9294. In de laatstgenoemde procedure zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist op 15 april 2021.

Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door de advocaat mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp, waarnemend voor mr. R. van Venetiën, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede [medewerker RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Op voorstel van de rechtbank hebben partijen ter zitting er mee ingestemd dat de stukken ingediend in beide procedures over en weer in de procedures in de beoordeling kunnen worden betrokken.

De rechtbank heeft op 9 maart 2021 nog ontvangen de brieven van 9 maart 2021, met bijlage(n), van de zijde van de moeder. De rechtbank zal, zoals ter zitting besproken, hiervan geen kennis nemen, nu deze brieven, met bijlage(n), niet uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

In genoemd F9-formulier van 30 oktober 2020 heeft de moeder aangegeven dat de mediation is beëindigd.

Aan de orde zijn de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie.

De hoofdverblijfplaats

De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen nu hij de primaire verzorger van de kinderen is.

De moeder heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Volgens de moeder wil de vader met de kinderen naar [beoogde woonplaats Y] verhuizen. De moeder stemt hier niet mee in. Zij acht het van belang dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar in [woonplaats 2] hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in juni 2020 is geëindigd. Zij zijn ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016. De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders slecht is en dat er geen goede communicatie tussen hen is.

De vader heeft er geen vertrouwen in dat de kinderen bij de moeder goed af zijn. Volgens de vader heeft de moeder psychische problemen en laat zij zich hiervoor niet behandelen. De moeder is inmiddels bevallen van een kindje van haar nieuwe partner. De vader maakt zich zorgen, omdat de moeder een driekamer appartement bewoont waarin ook haar nieuwe vriend regelmatig met zijn 4 kinderen verblijft. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben volgens de vader bij de moeder geen eigen slaapkamer. De vader heeft naar voren gebracht dat de nieuwe vriend van de moeder verdovende middelen verhandelt en gebruikt en ook in de woning in aanwezigheid van de kinderen rookt en blowt. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in tegenstelling tot de moeder de kinderen wel een stabiel en evenwichtig opvoedingsklimaat kan bieden.

De moeder heeft de aantijgingen van de vader over de verdovende middelen betwist en naar voren gebracht dat de vader van alles roept, maar niets bewijst. De moeder heeft erop gewezen dat op verzoek van de vader er op 3 november 2020 door het Crisis Interventie Team (CIT) een huisbezoek bij de moeder is afgelegd. Het CIT heeft geconcludeerd dat het een schone, nette en goede woonruimte betreft en dat beide kinderen daar hun eigen bed hebben.

Uit de door de moeder overgelegde notulen van de Jeugdbeschermingstafel volgt dat er grote zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders lijken elkaar niets te gunnen of te willen/kunnen meebewegen en bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijkt sprake te zijn van een loyaliteitsconflict. De kinderen zijn getuigen geweest van escalaties, zowel verbaal als fysiek, tussen de ouders. Heftige incidenten hebben plaatsgevonden tussen de ouders waar uiteindelijk ook de politie bij betrokken is geraakt. Uit de notulen volgt dat de Raad gronden ziet voor een raadsonderzoek en dat de Raad onderzoek gaat doen naar de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Door de Raad is bevestigd dat het hier om een beschermingsonderzoek gaat. Blijkens de notulen moet onderzocht worden wat het beste is voor de kinderen en wat zij nodig hebben.

De rechtbank heeft nu onvoldoende zicht op de situatie van beide ouders en is daarom nog niet in staat te beoordelen of de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader dan wel bij de moeder moet zijn. De rechtbank wil meer informatie over de woon- en opvoedsituatie bij de moeder; met name of de moeder in staat is om een stabiele thuissituatie voor de kinderen te creëren met voldoende structuur en aandacht voor hun ontwikkeling en het door de scheiding van hun ouders veroorzaakte verdriet. Aan de kant van de vader spitst de zorg van de rechtbank zich toe op de indruk dat hij de moeder diskwalificeert en daarmee het loyaliteitsconflict van de minderjarigen vergroot. In het verlengde daarvan vraagt de rechtbank zich af of hij in staat is om het contact tussen de moeder en de kinderen voldoende te ondersteunen en stimuleren.

Het voorgaande betekent dat de Raad het voorgenomen beschermingsonderzoek zal moeten uitbreiden en de rechtbank dus ook zal moeten adviseren over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.

Nu de vader inmiddels een woning in [beoogde woonplaats Y] heeft gekocht en ter zitting heeft aangegeven dat hij naar [beoogde woonplaats Y] zal verhuizen (de levering van de woning zal plaatsvinden op 26 maart 2021), ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen hangende het onderzoek en totdat de rechtbank anders beslist voorlopig bij de moeder te bepalen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zij het in het belang van de kinderen acht dat zij vooralsnog in [woonplaats 2] blijven wonen alwaar zij ook naar school gaan. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat de moeder onweersproken heeft gesteld dat zij totdat zij de echtelijke woning verliet de hoofdverzorgster was van de kinderen. Ten slotte is naar de inschatting van de rechtbank het draagvlak bij de moeder voor contact tussen de vader en de kinderen groter dan andersom.

Zorgregeling

De vader heeft verzocht een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen conform het voorstel van de vader in zijn pleitnota bij brief van 14 september 2020, kort gezegd, inhoudend dat de kinderen bij de moeder zijn: in de oneven weken een weekeinde per twee weken van vrijdag na school tot maandag voor school en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen conform het voorstel van de vader.

De moeder wilde aanvankelijk graag een co-ouderschapsregeling. Zij heeft echter opgemerkt dat een uitgebreide zorgregeling erg lastig is als de vader gaat verhuizen naar [beoogde woonplaats Y] . De moeder staat thans een zorgregeling voor waarbij de kinderen gedurende een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader kunnen verblijven, alsmede de helft van de vakanties en de algemeen erkende feestdagen.

Nu de rechtbank de Raad zal verzoeken een onderzoek te verrichten en te rapporteren en adviseren over de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang van de kinderen is, zal de rechtbank de Raad – in het verlengde daarvan – tevens verzoeken een onderzoek te verrichten en te rapporteren en adviseren over de vraag hoe een eventuele zorgregeling met de andere ouder vorm zal moeten worden gegeven.

De rechtbank zal, nu zij de hoofdverblijfplaats van de kinderen hangende het raadsonderzoek en totdat de rechtbank anders beslist bij de moeder zal bepalen, een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen bij de vader zijn ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt en op zondag om 17.00 uur bij de moeder terugbrengt.

Kinderalimentatie

De vader heeft verzocht een door de moeder te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 139,-- per maand, per kind.

De moeder heeft aanvankelijk verzocht een door de vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 209,- per maand, per kind. De moeder heeft vervolgens haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt de vader te veroordelen om aan de moeder te voldoen een bedrag aan kinderalimentatie ter hoogte van € 373,-- per maand, per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 21 december 2020, subsidiair datum beschikking.

De moeder heeft gesteld dat zij een inkomen heeft van € 1.193,- netto per maand. De vader heeft volgens haar een netto inkomen van circa € 2.800,- per maand. Daarmee berekent zij de behoefte van de kinderen op € 902,- per maand. Inclusief indexering is de behoefte van de kinderen in 2021 € 929,-- per maand.

De rechtbank zal uitgaan van de gegevens zoals deze thans door de ouders zijn overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het alimentatie verzoek af te splitsen of de ouders toe te laten nog nadere stukken over te leggen, nu de ouders voldoende tijd hebben gehad om hun standpunten naar voren te brengen.

Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de moeder bepaald zal worden, zal de rechtbank voor die situatie bezien of de vader (voorlopig) kinderalimentatie aan de moeder verschuldigd is.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

De behoefte van de kinderen is niet in geschil zodat de rechtbank deze zal vaststellen overeenkomstig de berekening van de moeder, inclusief indexering, voor 2021 op een bedrag van € 929,-- per maand.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank volgt in dit opzicht het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, waaruit blijkt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1000)]. Het NBI is het netto besteedbaar inkomen en dit is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de ouder daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.700,--) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Draagkracht van de moeder

Beide ouders gaan uit van een besteedbaar inkomen aan de zijde van de moeder van € 1.193,-- netto per maand, bij een bruto jaarinkomen van € 14.350,--. Hierbij is rekening gehouden met een algemene heffingskorting van € 2.711,--, een arbeidskorting van € 1.555, en een inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 1.063,--. De rechtbank zal de ouders hierin volgen. Naast dit inkomen heeft de moeder recht op kindgebonden budget. Voor 2021 bedraagt dit € 455,-- per maand. De rechtbank zal op grond van het vorenstaande uitgaan van een NBI van de moeder van € 1.648,-- per maand.

Op grond van de draagkrachttabel 2021 bedraagt de draagkracht van de moeder bij genoemd NBI € 119,-- per maand. Nu de moeder inmiddels een derde kind heeft, zal de rechtbank de draagkracht verdelen, zodat de rechtbank ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal uitgaan van een draagkracht van (afgerond) € 80,-- per maand.

Draagkracht vader

Beide ouders zijn aanvankelijk uitgaan van een besteedbaar inkomen aan de zijde van de vader van € 2.800,-- netto per maand, bij een bruto jaarinkomen van € 46.681,--. Hierbij is rekening gehouden met een algemene heffingskorting van 2.711,-- en een arbeidskorting van € 3.115,--. De rechtbank zal de ouders hierin volgen en uitgaan van een NBI van de vader van € 2.800,-- per maand.

De moeder heeft nog aangevoerd dat de vader van baan is gewisseld en dat zij ervan uitgaat dat hij een hoger inkomen zal hebben afgedwongen. Zij gaat uit van een inkomen van € 60.000,-- bruto per jaar. De vader heeft dit betwist en gesteld dat hij in de ziektewet zit en 24 uur zal gaan werken. Nu beide ouders hun standpunten niet hebben onderbouwd, zal de rechtbank uitgaan van de situatie waarvan de ouders aanvankelijk zijn uitgegaan.

De vader heeft nog aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met een geldlening van circa € 29.249,-- waarvoor de ouders hoofdelijk aansprakelijk zijn. Nu de moeder deze schuld heeft betwist zal de rechtbank hiermee geen rekening houden.

Aan de hand van de formule berekent de rechtbank de draagkracht van de vader op een bedrag van € 672,-- per maand, te weten 70% x [2.800 – (0,3 x 2.800 + 1.000)].

Zorgkorting

De vader maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem verschuldigde bijdrage.

De rechtbank volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de voorlopig vast te stellen zorgregeling, en het feit dat de ouders het erover eens zijn de vakanties en feestdagen bij helfte zullen worden gedeeld, acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de kinderen € 929,- bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 325,-- per maand.

In beginsel vermindert de zorgkorting de bijdrage. Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt echter een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien.

Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Na toepassing van de zorgkorting wordt het tekort gelijkelijk verdeeld over de onderhoudsplichtigen.

Omdat de draagkracht van de moeder € 80,-- per maand bedraagt en de draagkracht van de vader € 672,-- per maand, is er sprake van een tekort aan draagkracht van de ouders om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het tekort bedraagt (929 – 752) = € 177,-- per maand. Gelijke toerekening van het tekort aan de beide ouders leidt tot toerekening van de helft van het tekort, dat wil zeggen afgerond € 89,-- per maand aan de vader. In dat geval kan de bijdrage van de vader als volgt worden berekend: € 672,-- – (€ 325,-- – € 89,--) = € 436,-- per maand of wel € 218,-- per maand, per kind. De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen tot dit bedrag in die zin dat de rechtbank dit bedrag voorlopig zal vaststellen totdat nader is beslist over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op heden.

Beslissing

De rechtbank:

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat van de vader) en [telefoonnummer 2] (advocaat van de moeder);

dat onderzoek dient het antwoord te geven op de vragen:

  1. welke hoofdverblijfplaats is in het belang van de kinderen?

  2. – in het verlengde daarvan – hoe zal een eventuele zorgregeling met de andere ouder vorm gegeven moeten worden?

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 november 2021 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ,

hangende het raadsonderzoek en totdat de rechtbank anders beslist, voorlopig de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

*

bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hangende het raadsonderzoek en totdat de rechtbank anders beslist, voorlopig bij de vader zijn ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader de kinderen op vrijdag uit school haalt en op zondag om 17.00 uur bij de moeder terugbrengt;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van heden voorlopig totdat de rechtbank nader beslist over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 218,-- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere definitieve beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Meeder, M. Dam en C.W. de Wit, rechters, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2021.