Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3840

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
NL20.9421
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardig asielrelaas. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de autoriteiten in het land van herkomst in het algemeen bescherming bieden aan burgers tegen bendegeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9421


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G.H. Belluz).


Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V.E. Rafaëla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Salvadoraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1989.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds eind maart 2018 werd afgeperst door de bende Pandilla 18. De gezinsleden van eiser zijn in februari 2018 met een toeristenvisum naar Canada gegaan en hebben daar asiel aangevraagd. Eiser werd een visum voor Canada geweigerd. Nadat eiser in januari 2020 door leden van Pandilla 18 werd mishandeld en met de dood werd bedreigd omdat hij niet aan de door hen opgelegde betalingsverplichtingen had voldaan, is eiser naar Nederland gekomen voor bescherming. Eiser kan in El Salvador geen bescherming van de autoriteiten tegen

Pandilla 18 krijgen, omdat de autoriteiten al sinds jaar en dag samenwerken met deze criminele organisatie.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met de bende Pandilla 18.

Verweerder acht beide relevante elementen geloofwaardig, maar volgt eiser niet in zijn stelling dat hij tegen de problemen met Pandilla 18 geen bescherming van de autoriteiten kan krijgen. Door verweerder wordt niet betwist dat er sprake is van bendegeweld in

El Salvador, maar wel dat de autoriteiten in het geheel geen hulp kunnen bieden vanwege de corruptie die er heerst. Niet is gebleken dat de autoriteiten aan eiser de bescherming niet kunnen of willen bieden, aldus verweerder.

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de autoriteiten van El Salvador hem bescherming kunnen bieden. Dat eiser probleemloos aangifte heeft kunnen doen, betekent niet dat hij ook daadwerkelijk bescherming kan krijgen. Uit de door eiser overgelegde stukken van VluchtelingenWerk Nederland (hierna: VluchtelingenWerk), te weten een brief van 20 februari 2020 met bijlagen en een brief van

6 mei 2020 met bijlagen, blijkt juist dat de autoriteiten van El Salvador niet in staat zijn om tegen bendegeweld effectieve bescherming te bieden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3318) volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij moet hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de desbetreffende vreemdeling aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

5.2.

De rechtbank overweegt dat uit de besluitvorming niet volgt dat verweerder heeft onderzocht of door de autoriteiten in El Salvador in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bendegeweld. Verweerder heeft zich in het voornemen immers zonder enige bronvermelding op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. In het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder enkel een (summiere) reactie gegeven op hetgeen door eiser aan informatie in de procedure is ingebracht. Niet is gebleken dat verweerder zelf een onderzoek als bedoeld in het in 5.1 genoemde toetsingskader heeft verricht. De stelling van verweerder ter zitting dat er geen andere algemene informatie over het onderwerp beschikbaar is dan de informatie die door eiser bij zijn zienswijze is ingebracht, is niet nader onderbouwd. De verwijzing in het verweerschrift naar wetgeving in El Salvador over bescherming van slachtoffers van bendegeweld, is onvoldoende voor het oordeel dat door de autoriteiten in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bendegeweld, omdat uit deze enkele informatie niet volgt dat de wetgeving ook in de praktijk ter uitvoering wordt gebracht.

5.3.

De stelling van verweerder dat eiser voor zijn vertrek uit El Salvador een aangifte heeft kunnen doen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid is relevant in het kader van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt of in zijn geval het vragen van bescherming gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Uit het in 5.1 genoemde toetsingskader volgt dat hieraan pas wordt toegekomen als verweerder de vraag of door de autoriteiten in het land van herkomst in het algemeen bescherming wordt geboden bevestigend heeft beantwoord op basis van gericht onderzoek.

5.4.

Dat verweerder hiernaar geen onderzoek heeft gedaan klemt te meer, nu eiser wel een grote hoeveelheid informatie (bijlagen bij de voornoemde brieven van VluchtelingenWerk) heeft ingebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat de autoriteiten van El Salvador geen bescherming kunnen bieden waaronder:

- In de Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from El Salvador van de UNHCR van maart 2016 (de UNHCR Guidelines) staat dat ondanks het bestaan van een formeel juridisch kader voor bestrijding van bendegeweld in El Salvador, zwakte van- en corruptie binnen de veiligheidstroepen en de rechterlijke macht, tot een hoge mate van straffeloosheid voor misdaden leiden. Ook maakt de politie zichzelf op grote schaal schuldig aan mensenrechtenschendingen;

- In het rapport van de Internal Displacement Monitoring Centre (formerly Global IDP Project) “An Atomised Crisis; reframing displacement caused by crime and violence in El Salvador” van september 2018 is vermeld dat aangifte doen van bendegeweld bij de politie een groot risico met zich brengt voor het slachtoffer. In veel gevallen volgen doodsbedreigingen of zelfs moord. Hoe verder het proces vordert, des te groter wordt het risico, ook voor familieleden;

- In het Human Rights Watch jaarrapport van 2020 staat dat veiligheidstroepen grotendeels ineffectief zijn in het beschermen van de bevolking tegen bendegeweld;

- In het rapport van UK Home Office “Country Policy and Information Note El Salvador; Gangs” van februari 2020, is geconcludeerd dat gezien de zwaktes in het strafrechtelijke systeem en de grootte, capaciteit, en invloed van de grootste bendes, de staat over het algemeen waarschijnlijk wel bereid maar niet in staat is om effectieve bescherming te bieden. Het ontbreekt de politie aan middelen, materiaal, en adequate training en de effectiviteit van de rechterlijke macht wordt ondermijnd door inefficiëntie en corruptie, die tot een hoog niveau van straffeloosheid leiden. Terwijl de overheid een juridisch systeem heeft opgezet om criminele daden op te sporen, te vervolgen en te bestraffen, wordt de effectiviteit hiervan ondermijnd door gebrek aan middelen, inefficiëntie en corruptie, hetgeen heeft geresulteerd in lage veroordelingsgraad voor moorden.

5.5.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat door de Salvadoraanse autoriteiten bescherming wordt geboden tegen de problemen met leden van Pandilla 18 als hier aan de orde. Verweerder heeft daarom niet op adequate wijze vastgesteld of sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bij terugkeer van eiser naar El Salvador.

5.6.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Omdat het geconstateerde gebrek tot gevolg heeft dat verweerder nader onderzoek moet verrichten naar het antwoord op de vraag of de Salvadoraanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden aan burgers tegen bendegeweld, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht met betrekking tot het beroep van eiser begroot op

€ 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. I.N. Powell, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.