Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
SGR 21/553
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep NTB gegrond. Bij de vernietiging van de eerdere beslissing op bezwaar heeft de rechtbank geen termijn genoemd waarbinnen verweerder opnieuw moet beslissen. Daarom geldt de oorspronkelijke beslistermijn. Deze is ruimschoots overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/553


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen


1. [eiser, sub 1]te [woonplaats 1] (Bondsrepubliek Duitsland),

2. [eiser, sub 2] , [eiser, sub 2a] , [eiser, sub 2b] , [eiser, sub 2c] , [eiser, sub 2d] , [eiser, sub 2e] ,
[eiser, sub 2f] allen te [woonplaats 2] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: S. van Schagen).


Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingesteld na de uitspraak van 15 november 2019, inzake SGR 17/7173 (ECLI:NL:RBDHA:2019:12117). In die uitspraak staat dat verweerder opnieuw moest beslissen op het bezwaar van eisers. De rechtbank heeft daarbij geen termijn genoemd. Eisers stellen nu beroep in omdat verweerder volgens hen nog geen besluit heeft genomen. Daarmee is verweerder in de visie van eisers in verzuim.

Overwegingen

1. De rechtbank doet in dit geval uitspraak zonder zitting met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is ingediend bij formulier van
19 januari 2021. Gelet op artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb had de rechtbank uiterlijk op 16 maart 2021 uitspraak moeten doen. Het is de rechtbank helaas niet gelukt om binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht weken tot een uitspraak te komen. Hiervoor biedt de rechtbank eisers haar verontschuldiging aan.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

3. De zaak heeft betrekking op de door verweerder bij primair besluit van 21 februari 2017 verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk herinrichten en gebruiken van het terrein aan de Gouderaksedijk 30a, 32 en 34 te Gouda (het terrein) voor diverse functies. Bij beslissing op bezwaar van 24 augustus 2017 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen dit primaire besluit wat betreft de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften gegrond verklaard en daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.

4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 november 2019, SGR 17/7173 (ECLI:NL:RBDHA:2019:12117), de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2017 vernietigd.
De rechtbank heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat dat uit het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening volgt dat de beslissing op bezwaar, wat betreft de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften ten aanzien van het geluid, onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd. De in de beslissing op bezwaar opgenomen voorschriften kunnen geen stand houden. Verweerder moet opnieuw beslissen op het bezwaar van eisers. De rechtbank heeft daarbij geen termijn genoemd.

5. Na de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder akoestisch onderzoek laten verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 april 2020. Op 26 mei 2020 heeft verweerder het rapport aan eisers toegezonden. Op 23 juni 2020 heeft verweerder de concept-geluidsvoorschriften aan omwonenden, waaronder eisers, verstrekt, met het verzoek aan hen om een zienswijze in te dienen. Op 30 juni 2020 hebben eisers hun zienswijze op de concept-geluidsvoorschriften ingediend. Op 23 juli 2020 bericht verweerder te streven naar een beantwoording van de zienswijzen in augustus 2020.

6. Eiser [eiser, sub 1] heeft verweerder op 28 november 2020 in gebreke gesteld. Bij brief van 8 december 2020, verzonden op 10 december 2020, heeft verweerder de ingebrekestelling afgewezen. Eiser [eiser, sub 1] heeft op 19 januari 2021, naar zijn zeggen mede namens de andere eisers, beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld.

7. Eisers stellen zich op het standpunt dat in het geval de rechtbank een besluit vernietigt zonder een termijn te noemen waarbinnen een nieuw besluit moet worden genomen, wordt teruggevallen op de normale wettelijke termijn. Verweerder moest dus binnen twaalf weken na de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit nemen. Als verweerder gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om de beslistermijn te verdagen, had het besluit uiterlijk eind april 2020 moeten worden genomen. Dit was ook haalbaar, nu het rapport met de onderzoeksresultaten reeds op 7 april 2020 gereed was. Omdat er nog communicatie tussen hen plaatsvond zagen eisers vooralsnog geen aanleiding verweerder in gebreke te stellen. Eind november 2020 was de communicatie al maandenlang stilgevallen, zodat die aanleiding er volgens eisers toen wel was.

8. Bij het ontbreken van een concrete beslistermijn had verweerder volgens eisers zo snel als redelijkerwijs mogelijk en met de nodige voortvarendheid een nieuw besluit moeten nemen. Na het bericht van verweerder van 23 juli 2020 hebben eisers echter niets meer van verweerder vernomen. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt wat de relevantie is van het door verweerder gevolgde participatietraject.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nieuwe beslissing op bezwaar om uiteenlopende redenen op zich heeft laten wachten. Ten eerste is dit het gevolg van een uitgebreid geluidstechnisch onderzoek dat noodzakelijk is voor het kunnen toestaan van evenementen in het gebied. Het resultaat van het onderzoek is vastgelegd in het rapport van 7 april 2020. Nadien is er een participatietraject gevolgd. Dit bevindt zich thans in de eindfase. De laatste gesprekken met omwonenden hebben begin maart plaatsgevonden, waarna direct de beslissing op bezwaar wordt genomen. Eisers zijn volgens verweerder door de verlate beslissing op bezwaar niet in hun belangen geschaad, omdat sinds het uitbreken van de coronacrisis geen evenementen hebben plaatsgevonden en naar het zich laat aanzien in de nabije toekomst ook niet zullen plaatsvinden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De ontvankelijkheid van het beroep

10. Eiser [eiser, sub 1] heeft het beroep niet tijdig beslissen naar zijn zeggen mede namens de andere eisers ingediend. De rechtbank stelt echter vast dat de ingebrekestelling van 28 november 2020 slechts door eiser [eiser, sub 1] is ingediend. Uit de ingebrekestelling blijkt niet dat [eiser, sub 1] deze ingebrekestelling ook namens de andere eisers heeft ingediend. Dit betekent dat die overige eisers verweerder niet in gebreke hebben gesteld, alvorens zij beroep hebben ingesteld. Gelet op artikel 6:12 van de Awb is dit wel vereist. Hieruit volgt dat het beroep, voor zover dat namens hen is ingediend, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

11. Wat betreft het beroep van eiser [eiser, sub 1] (hierna aan te duiden als eiser), ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of hij nog een procesbelang heeft bij een beoordeling van het bezwaar, en daarmee bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Eiser woont namelijk inmiddels in Duitsland en daarmee niet langer in de directe omgeving van het terrein. Belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar kan niettemin bestaan indien is gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.1 Eiser stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de op grond van de vernietigde beslissing op bezwaar toegestane evenementen. De voortdurende rechtsonzekerheid en het weigeren dan wel negeren van verzoeken om handhaving hebben eiser genoodzaakt om tijdens dancefestivals met zijn gezin naar vervangende woonruimte uit te wijken. Eiser heeft daardoor kosten moeten maken, waarvan hij een vergoeding van verweerder vordert. De mate waarin de schade aan de besluitvorming kan worden toegerekend, kan echter pas worden bepaald wanneer verweerder de nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, aldus eiser.

12. Eiser heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de besluitvorming schade heeft geleden. Eiser heeft aldus nog een procesbelang bij de bestreden besluitvorming, ook al is hij inmiddels verhuisd. Nu verweerder nog geen nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft eiser eveneens een belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Het beroep niet tijdig beslissen

13. Vaststaat dat de rechtbank in zijn uitspraak van 15 november 2019 geen termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit en dat verweerder nog geen nieuw besluit heeft genomen.

14. Indien na vernietiging door de rechter geen termijn voor het nemen van een nieuw besluit is gesteld, dient het bestuursorgaan na verzending van de uitspraak in beginsel opnieuw te beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het vernietigde besluit.2

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval niet van dit uitgangspunt uit te gaan. Zij overweegt daartoe als volgt. De rechtbank kan, gelet op het in de uitspraak van 15 november 2019 geconstateerde gebrek, meegaan in het standpunt van verweerder dat het voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar noodzakelijk was om akoestisch onderzoek te (laten) verrichten. Verweerder beschikt op grond van artikel 7:10, vierde lid, onder c, van de Awb echter over de bevoegdheid om de beslistermijn op te schorten in afwachting van voor de besluitvorming benodigd onderzoek. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder in afwachting van het onderzoek de beslistermijn niet kon opschorten om vervolgens, wanneer het onderzoeksrapport gereed was, binnen de beslistermijn een besluit te nemen. De rechtbank ziet in het uitgevoerde nader onderzoek dan ook geen aanleiding om een langere beslistermijn aan te nemen. Wat betreft het participatietraject dat verweerder doorloopt, leidt de rechtbank uit verweerders brief van 8 december 2020 af dat dit met name is ingericht in het kader van de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan dan wel omgevingsplan en dat het gaat om een pilot in het kader van de Omgevingswet die nog in werking moet treden. In het licht van de door de rechtbank in de uitspraak 15 november 2019 geconstateerde gebreken in de besluitvorming, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit participatietraject zonder meer noodzakelijk is voor het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar en dat daarom een veel langere beslistermijn zou moeten gelden.

16. Verweerder heeft in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen het primaire besluit bepaald dat het bezwaar ter behandeling zal worden voorgelegd aan een bezwarenadviescommissie. Gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gold, nu een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld, voor het nemen van de beslissing op het bezwaar tegen het besluit primaire besluit derhalve een termijn van twaalf weken. Dit betekent dat voor de nieuwe beslissing op bezwaar ook een termijn van twaalf weken geldt. De uitspraak van de rechtbank is op 20 november 2019 naar partijen verzonden. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 12 februari 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar had moeten nemen. Omdat verweerder nog steeds geen nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.

17. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. Bij brief van 22 februari 2021 heeft verweerder de verwachting geuit dat het besluit in de maand april zal worden genomen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder het besluit uiterlijk op 30 april 2021 moet nemen.

18. Nu eiser al zeer lange tijd op het besluit van verweerder moet wachten, bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-.

19. Vanwege de gegrondverklaring van het beroep moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

20. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend namens [eiser, sub 2] , [eiser, sub 2a] , [eiser, sub 2b] , [eiser, sub 2c] , [eiser, sub 2d] , [eiser, sub 2e] en [eiser, sub 2f] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser, sub 1] gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op om uiterlijk 30 april 2021 alsnog een nieuw besluit op bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan [eiser, sub 1] een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan [eiser, sub 1] te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid vanmr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2846.

2 Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1746, 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3442, en 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3596.