Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
SGR 20/1571, SGR 20/3716 en SGR 20/4841
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Herziening, terugvordering, brutering en boete vanwege schending inlichtingenverplichting. Eiseres heeft bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekeningen niet gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/1571, SGR 20/3716 en SGR 20/4841


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen en D.L. Swart).

Procesverloop

In SGR 20/1571

Bij besluit van 11 september 2019 (primair besluit I) heeft verweerder, voor zover hier van belang, de bijstandsuitkering van eiseres ingevolge de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2019 herzien en een bedrag van € 15.825,47 teruggevorderd.

Bij besluit van 11 september 2019 (primair besluit II) heeft verweerder de terugvordering uit primair besluit I, voor zover het de over het jaar 2018 betaalde bijstand betreft, gebruteerd en de totale terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 19.127,47.

Bij besluit van 10 februari 2020 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I en II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In SGR 20/3716

Bij besluit van 20 januari 2020 (primair besluit III) heeft verweerder de terugvordering uit primair besluit I, voor zover het de over het jaar 2019 betaalde bijstand betreft, gebruteerd en de bruto terugvordering over dat jaar vastgesteld op een bedrag van € 9.739,22.

Bij besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In SGR 20/4841

Bij besluit van 19 februari 2020 (primair besluit IV) heeft verweerder op grond van de Pw aan eiseres een boete opgelegd van € 1.263,84.

Bij besluit van 7 juli 2020 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit IV niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit III beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit IV) heeft verweerder bestreden besluit III gewijzigd in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen primair besluit IV gegrond wordt verklaard en de boete is verlaagd naar een bedrag van € 631,39.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, gronden tegen bestreden besluit IV ingediend.

In de beroepen gezamenlijk

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving sinds 22 augustus 2016 een bijstandsuitkering op grond van de Pw naar de norm voor een alleenstaande ouder. Nadat eiseres bij een controle van het Haags Economisch Interventie Team op 12 april 2019 werkend in een restaurant is aangetroffen, heeft verweerder in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek eiseres om informatie gevraagd, specifiek om afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van eiseres en haar kinderen over de periode van 2 mei 2018 tot en met 2 mei 2019. Verweerder heeft eiseres ook uitgenodigd voor een gesprek dat op 1 juli 2019 heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder aanvullende bankafschriften vanaf 1 januari 2018 opgevraagd. Op 5 september 2019 heeft een tweede gesprek tussen verweerder en eiseres plaatsgevonden. Tevens is eiseres gevraagd bankafschriften van alle bank -en spaarrekeningen tot en met 31 augustus 2019 te verstrekken.

1.2.

Op basis van de verkregen informatie heeft verweerder vastgesteld dat in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2019 op de bankrekeningen van eiseres en haar kinderen contante stortingen en bijschrijvingen door derden hebben plaatsgevonden. Voor verweerder is dit aanleiding geweest om primair besluit I, II, III en IV te nemen.

2.

2.1.

Bij bestreden besluit I heeft verweerder de herziening en gebruteerde terugvordering van de bijstand uit primair besluit I en II gehandhaafd. Verweerder overweegt daartoe dat op de bankafschriften van eiseres en haar kinderen contante stortingen en periodieke bijschrijvingen zijn te zien. Dit is volgens verweerder inkomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het om leningen gaat. Evenmin heeft ze de stortingen en bijschrijvingen met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Wat betreft de verklaring van eiseres dat zij de bijstandsuitkering en toeslagen van haar moeder naar haar eigen bankrekening overmaakt voor boodschappen en dat als er betalingen voor haar moeder moeten worden verricht eiseres het geld weer terugstort op de rekening van haar moeder, overweegt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze niet kon beschikken over de op haar bankrekening bijgeschreven gelden van haar moeder. Omdat eiseres geen melding van de ontvangen gelden heeft gemaakt, heeft ze de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder ziet geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Wat betreft de brutering overweegt verweerder dat de terugvordering niet buiten de schuld van eiseres is ontstaan, zodat er geen reden is om van brutering af te zien.

2.2.

Bij bestreden besluit II heeft verweerder de brutering uit primair besluit III gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bijstandsuitkering terecht wegens schending van de inlichtingenverplichting is herzien en teruggevorderd. Verweerder voert het beleid om altijd tot terugvordering en brutering over te gaan, tenzij er dringende redenen zijn om van brutering af te zien. Dat eiseres in de schuldhulpverlening zit en hierdoor de vordering niet kan betalen waardoor deze is gebruteerd, is volgens verweerder geen reden om van brutering af te zien.

2.3.

Bij bestreden besluit III heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit IV niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend.

2.4.

Bij bestreden besluit IV heeft verweerder het bestreden besluit III gewijzigd en het bezwaar van eiseres tegen primair besluit IV gegrond verklaard. Verweerder overweegt daartoe dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van stortingen en bijschrijvingen van derden. In het verleden is ook sprake geweest van een schending van inlichtingenverplichting, toen is eiseres gewaarschuwd. Verweerder heeft daarom terecht een boete opgelegd. Verweerder gaat uit van normale verwijtbaarheid. De boete bedraagt daarom 50% van het benadelingsbedrag. Rekening houdend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, wordt de boete in verband met de draagkracht van eiseres verlaagd naar € 631,39.

3. De rechtbank komt in de beroepen tot de volgende beoordeling.

In SGR 20/1571

4. Eiseres voert – kort weergegeven – aan dat de bijschrijvingen gelden ten behoeve van derden, dan wel leningen betreffen en de stortingen geld betreft dat eiseres opneemt van haar ene bankrekening en overmaakt naar een andere bankrekening om betalingen mee te verrichten.

4.1.

Het betoog van eiseres komt erop neer dat de bijschrijvingen en stortingen geen inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw zijn. Dit betoog van eiseres slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.1.1.

Volgens vaste rechtspraak worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Daarbij is niet van belang of bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als lening. Evenmin is relevant of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, noch of de lening daadwerkelijk is terugbetaald. Een geldlening is volgens artikel 31, tweede lid, van de Pw namelijk niet uitgezonderd van de middelen waarover de bijstandsgerechtigde kan beschikken. Verder worden periodieke betalingen van derden aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - als inkomen van de bijstandsontvanger aangemerkt.1 Bij kasstortingen is voorts sprake van contante bedragen waarvan de herkomst en daarmee de inkomensbron in beginsel onduidelijk is. Indien het bedrag van de kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in het levensonderhoud, moet het bedrag daarom in beginsel worden aangemerkt als inkomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen.2

4.1.2.

Eiseres heeft in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2019 meerdere bijschrijvingen en stortingen ontvangen. Hierdoor hebben deze bijschrijvingen en stortingen een periodiek karakter in een periode waarover een beroep op de bijstand wordt gedaan. Eiseres kon de bijgeschreven bedragen aanwenden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Op grond van de hiervoor omschreven rechtspraak moeten de bijschrijvingen en stortingen dan als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw worden aangemerkt.

4.1.3.

In hetgeen eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Wat betreft de bijschrijvingen waarvan eiseres stelt dat dit bedragen ten behoeve van derden betreffen, overweegt de rechtbank dat bedragen die op een op naam van betrokkene gestelde bankrekening zijn bijgeschreven de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze behoren tot de middelen waarover de betrokkene kan beschikken om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.3 Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de op haar rekening bijgeschreven bedragen kon beschikken. Wat betreft de bijschrijvingen van haar moeder, waarvan eiseres stelt dat zij dit gebruikt om, als mantelzorger van haar moeder, namens haar moeder betalingen te verrichten, merkt de rechtbank op dat er ongeveer € 8.000,- meer is bijgeschreven dan afgeschreven. Eiseres heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens, zoals een administratie, overgelegd waaruit blijkt hoe de bijschrijvingen zijn besteed en dat het om bedragen gaat die eiseres als mantelzorger namens en ten behoeve van haar moeder heeft besteed en zij er zodoende geen beschikking over had. Van de bijschrijvingen waarvan eiseres stelt dat dit leningen betreffen overweegt de rechtbank, in licht van de in 4.1.1 vermelde rechtspraak, dat dit niet van belang is. Ten aanzien van de stortingen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit geen inkomsten zijn. De enkele stelling dat het gaat om van de ene bankrekening opgenomen en op de andere bankrekening gestort geld is daarvoor onvoldoende.

4.2.

Naar het oordeel van rechtbank had het eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de inkomsten in de vorm van stortingen en bijschrijvingen, welke een wijziging in haar financiële situatie met zich brengen, van invloed kunnen zijn op haar bijstandsuitkering. Door verweerder hiervan niet onverwijld en uit eigen beweging te informeren, heeft eiseres de op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden, was verweerder op grond van de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid van de Pw gehouden om het recht op uitkering van eiseres over de periode in geding te herzien en de te veel aan eiseres betaalde uitkering terug te vorderen. Verweerder was, toen het bedrag van de terugvordering na afloop van het kalenderjaar niet betaald was, bevoegd om op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Pw de terugvordering te bruteren. Eiseres heeft geen dringende redenen aangevoerd op grond waarvan verweerder van terugvordering dan wel van brutering had moeten afzien.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

In SGR 20/3716

7. Eiseres voert aan dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Eiseres ging er te goeder trouw van uit dat zij gelden van derden via haar bankrekening kon laten lopen zonder dat zij dit hoefde te melden. Indien wel sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, is van opzet daartoe geen sprake. Nu artikel 58, vijfde lid, van de Pw een bevoegdheid en geen verplichting betreft, is het beleid van verweerder te streng. Verweerder moet rekening houden met de omstandigheden van het geval om te beoordelen of, en zo ja in hoeverre gebruteerd moet worden. In het geval van eiseres is daarbij van belang dat zij in de schuldhulpverlening zit en in het geheel geen mogelijkheid heeft om de terugvordering te betalen, zodat zij niet in staat was de vordering binnen 2019 te voldoen.

7.1.

In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot brutering gebruik heeft kunnen maken. Verweerder was, toen het bedrag van de terugvordering na afloop van het kalenderjaar niet betaald was, bevoegd om op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Pw de terugvordering te bruteren. Volgens vaste rechtspraak moet van uitoefening van de bevoegdheid tot brutering worden afgezien indien de vordering is ontstaan buiten toedoen van betrokkene en het hem niet verweten kan worden dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.4 Hiervoor heeft de rechtbank in de zaak SGR 20/1571 geoordeeld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De terugvordering is aldus niet ontstaan buiten haar toedoen. Verweerder hoefde reeds daarom niet van brutering af te zien.5 Of eiseres al dan niet kan worden verweten dat zij de schuld niet heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, is dan niet meer van belang. Eiseres heeft nog gewezen op de omstandigheid dat zij in een schuldhulpverleningstraject (SHV-traject) zit. Deze omstandigheid maakt ook niet dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot brutering gebruik heeft kunnen maken.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

In SGR 20/4841

10. De rechtbank stelt in deze zaak voorop dat bestreden besluit IV een wijzigingsbesluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge die bepaling is het beroep van eiseres van rechtswege mede gericht tegen dat besluit. Niet is gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij haar beroep tegen bestreden besluit III. In zoverre is haar beroep niet-ontvankelijk.

11. Eiseres voert tegen bestreden besluit IV aan dat van verwijtbaarheid geen sprake is, zodat er geen aanleiding is om een boete op te leggen. Daarnaast nam zij op de datum in geding deel aan een SHV-traject, zodat verweerder moet afzien van het opleggen van een boete. Verweerder voert beleid dat in geval van een SHV-traject geen boete wordt opgelegd, teneinde het traject niet te dwarsbomen.

11.1.

Gelet op het oordeel van de rechtbank in de zaak SGR 20/1571 heeft verweerder aangetoond dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet te informeren over de bijschrijvingen en stortingen op de bankrekeningen van haar en van haar kinderen. In tegenstelling tot wat eiseres betoogt, kan haar hiervan een verwijt worden gemaakt. In het besluit tot toekenning van de bijstand is immers duidelijk vermeld dat zij wijzigingen in haar financiële situatie moet melden. Het had haar dus redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij de bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekeningen had moeten melden, zodat niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid aan de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiseres dat van verwijtbaarheid geen sprake is, is daarvoor onvoldoende. Verweerder was op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw dan ook gehouden een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste het benadelingsbedrag.

11.2.

Verweerder is daarbij terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Volgens vaste rechtspraak is in dat geval 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de bepaling en afstemming van de boete.6 Verweerder heeft, rekening houdend met de draagkracht van eiseres en in navolging van de uitspraak van de CRvB van 4 augustus 2020, de boete echter terecht verlaagd tot een bedrag van € 631,39. De voor betrokkene toepasselijke bijstandsnorm is € 1.052,32. Uitgaande van een normale verwijtbaarheid en een fictieve draagkracht van 5% van die norm betekent dat de hoogte van de boete terecht is vastgesteld op € 1.052,32 x 5% x 12 (maanden) = € 631,39.

11.3.

De omstandigheid dat eiseres op de datum in geding aan een SHV-traject deelnam, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot het oordeel dat verweerder van het opleggen van een boete moest afzien. Het beleid waar eiseres op doelt is de Beleidsregel Terugvordering, aflossing en kwijtschelding Participatiewet Den Haag 2017 (de Beleidsregel). Ingevolge artikel 6 van de Beleidsregel, dat een nadere invulling van artikel 18a, dertiende lid, van de Pw behelst, besluit verweerder op verzoek van de belanghebbende een bestuurlijke boete als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, waarbij sprake is van verminderde of gemiddelde verwijtbaarheid, kwijt te schelden, als de belanghebbende naar het oordeel van verweerder medewerking verleent aan een schuldregeling. Het gaat hierbij dus om kwijtschelding van een reeds opgelegde boete, zodat daarin geen reden ligt om van het opleggen van een boete af te zien.

11.4.

Voor zover eiseres met haar betoog dat als gevolg van de boete haar SHV-traject zal worden gedwarsboomd, heeft willen aanvoeren dat verweerder vanwege dringende redenen van het opleggen van een boete had moeten afzien, zoals bedoeld in artikel 18a, zevende lid, van de Pw, slaagt dit evenmin. Nog daargelaten dat eiseres deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, is volgens vaste jurisprudentie van de CRvB slechts sprake van een dringende reden, indien de gevolgen van de boeteoplegging voor de betrokkene onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties opleveren. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.7 De omstandigheid dat de boeteoplegging gevolgen kan hebben voor de goede afloop van het SHV-traject vormt geen dringende reden als hiervoor bedoeld.

12. Het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit IV, is ongegrond.

13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten omdat verweerder naar aanleiding van het beroep van eiseres bestreden besluit III middels bestreden besluit IV heeft gewijzigd. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift. Dat punt heeft een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 534,-. Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit III niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten I, II en IV ongegrond;

- draagt verweerder op het in de zaak SGR 20/4841 betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de zaak SGR 20/4841 in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:62.

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055.

3 Zie de uitspraak van de CRvB van 3 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:548.

4 Zie de uitspraken van de CRvB van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461 en 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2869.

5 Zie de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2869.

6 Zie de uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807.

7 Zie de uitspraak van de CRvB van 17 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2998.