Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3823

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
SGR 20/3223
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wlz indicatie terecht afgewezen. In het geval van eiser is niet gebleken van een medische noodzaak tot een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Onderzoek zorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3223


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: W. van Rijkom),

en

Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Procesverloop

In het besluit van 1 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een indicatie voor ‘beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging’ (VV06) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.

In het besluit van 28 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft bij de rechtbank twee beroepen ingesteld omtrent de afwijzing van zijn aanvragen om een indicatie op grond van de Wlz door verweerder. Deze beroepen hebben zaaknummers SGR 20/3223 en SGR 20/7236. De rechtbank doet vandaag afzonderlijk uitspraak in beide zaken.

2.1.

Eiser is onder andere bekend met de ziekte van Still, met aanvang op volwassen leeftijd en destructief verlopend, osteosynthese in de linker pols en osteoporose. Hij is cardiovasculair belast met decompensatio cordis, hypertensie, hypercholesterolemie. Op 18 juli 2019 heeft hij op grond van de Wlz een aanvraag ingediend om zorg met zorgprofiel VV06, beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat eiser volledige overname bij de persoonlijke verzorging en algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) nodig heeft, maar dat eiser in staat is om hulp te vragen in noodzakelijke situaties, dat hij goed kan uitleggen welke hulp hij nodig heeft en hij geen geestelijke problemen als gevolg van zijn lichamelijke situatie ervaart die invloed hebben op het kunnen inschakelen van hulp of eiser beperken in zijn ziekte-inzicht. Volgens verweerder is 24 uur per dag zorg in de nabijheid in het geval van eiser op dit moment dan ook niet vereist.

2.2.

Naar aanleiding van het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar heeft de medisch adviseur van verweerder op 31 december 2019 een medisch advies uitgebracht en dit na de hoorzitting in bezwaar op 20 februari 2020 aangevuld. In het medisch advies concludeert de medisch adviseur onder andere dat eiser een grote zorgbehoefte heeft, maar dat deze zorg op planbare momenten kan worden geleverd en eiser in het geval van onplanbare zorg in staat wordt geacht adequaat hulp te kunnen inschakelen en deze te kunnen afwachten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het medisch advies legt verweerder daaraan ten grondslag dat er ondanks de somatische aandoening en lichamelijke handicap van eiser geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Eiser wordt in staat geacht zelf adequaat hulp in te roepen als dat nodig is, want er zijn geen cognitieve stoornissen geobjectiveerd. Het afwachten van ingeroepen zorg leidt niet tot een reëel risico op ernstig nadeel. Daarnaast kan eiser op geplande momenten zorg krijgen van de thuiszorg.

4. Eiser voert aan dat er wel degelijk sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid voortkomend uit een grondslag welke toegang geeft tot de Wlz. Eiser toont onvoldoende inzicht in de omvang en complexiteit van de zorgvraag en de omvang van de op dit moment geboden zorg in de nabijheid. Tevens zijn er veel zorgmomenten over de dag waarvoor thuiszorg ingeschakeld zou moeten worden. Daarnaast zal eiser niet snel genoeg geholpen kunnen worden, waardoor er een er een reëel risico bestaat op (ernstige) decubitus en infecties bij urine-incontinentie.

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.

Een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een medisch adviseur mag volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in het algemeen op dat advies afgaan, mits is gebleken dat dit advies volledig is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies doen twijfelen.1

4.3.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit gebaseerd op het medisch advies van 31 december 2019, dat op 20 februari 2020 is aangevuld. De medisch adviseur heeft dossierstudie verricht en in het onderzoek medische informatie van de verpleegkundig specialist en specialist ouderengeneeskunde betrokken. Op basis van deze informatie stelt zij bij eiser de grondslagen somatische aandoening en lichamelijke handicap vast. Er zijn geen zware regieproblemen. Eiser heeft geen cognitieve stoornissen en is in staat om adequaat hulp te vragen. Volgens de medisch adviseur is als gevolg van het gebrek aan kracht en conditie bij eiser sprake van een grote zorgbehoefte en overname/begeleiding bij de ADL. Deze zorg kan echter op planbare momenten worden geleverd en mocht er sprake zijn van onplanbare zorg dan kan worden gesteld dat eiser in staat wordt geacht adequaat hulp te kunnen inschakelen en deze zorg op afroep te kunnen afwachten. Het wachten op een zorgverlener bij ongeplande zorgmomenten leidt gezien de huidige medische situatie niet tot een reëel risico op ernstig nadeel. Dat tijdens de hoorzitting in bezwaar is gesteld dat sprake is van verminderd ziekte-inzicht en regieverlies, kan volgens de medisch adviseur vanuit de bekende aandoeningen niet worden verklaard. Hiervoor is nadere diagnostiek via bijvoorbeeld een neuropsychologisch onderzoek (NPO) vereist, aldus de medisch adviseur.

4.4.

Eiser voert aan dat het verrichten van NPO naar de cognitieve vermogens van eiser niet doelmatig is. De fysieke problematiek en ADL-afhankelijkheid van eiser zijn de redenen tot de blijvende noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid. De uitkomst van een NPO zal de zorgvraag niet veranderen of beïnvloeden.

4.5.

Dit betoog van eiser slaagt niet. Niet in geschil is dat eiser als gevolg van lichamelijke en somatische aandoeningen geheel ADL afhankelijk is en blijvend afhankelijk van zorg. Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz alsmede volgens het gehanteerde beleid door verweerder is van 24 uur zorg in de nabijheid echter pas sprake als de verzekerde niet in staat is om gedurende de 24 uur op relevante momenten hulp in te roepen en hij om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft dan wel door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. De rechtbank overweegt dat uit het medisch advies volgt dat een NPO antwoord kan geven op de vraag of het in bezwaar gestelde regieverlies en het verminderd ziekte-inzicht voortkomt uit cognitieve problematiek. Dit kan van belang zijn om vast te kunnen stellen of eiser al dan niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en als gevolg daarvan is aangewezen op 24 uur zorg in de nabijheid. Een NPO kan in het geval van eiser dus wel doelmatig zijn.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. Verweerder mocht het bestreden besluit hier dan ook op baseren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de medisch adviseur de in het dossier aanwezige medische informatie bij haar oordeel heeft betrokken en dat de bevindingen op een heldere, inzichtelijke wijze uiteen zijn gezet. In hetgeen eiser betoogt ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de medisch adviseur. Weliswaar komen uit de observaties in de praktijk een inadequaat regievermogen naar voren, maar dit kan medisch gezien niet worden geobjectiveerd. Uit het hangende beroep verrichte NPO is bij eiser niet gebleken van cognitieve functiestoornissen of een beperkt inzicht in het eigen functioneren. Ook kan het niet vanuit de bekende aandoeningen worden verklaard. Dit betekent dat de medisch adviseur wordt gevolgd in zijn standpunt dat eiser in staat wordt geacht adequaat hulp te kunnen inschakelen. Voorts heeft eiser niet met objectieve medische gegevens onderbouwd dat ernstig medisch nadeel zal optreden bij het (kort) wachten op noodzakelijke hulp.

4.7.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser van een medische noodzaak tot een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, om ernstig nadeel te voorkomen, niet is gebleken. Verweerder heeft daarmee gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving alsmede met het door verweerder gevoerde beleid. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid had moeten afwijken, is de rechtbank niet gebleken. Dat eiser de noodzakelijke zorg niet kan krijgen vanuit andere wetten dan wel dat die zorg in het geval van eiser niet passend zou zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dan ook terecht eisers aanvraag om Wlz zorg afgewezen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-De Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7639.