Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3817

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
NL20.13229
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / Somalië / deel beroepsgronden gegrond aangevoerd, maar de conclusie is terecht, daarom beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten / PKV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13229

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Abdirahman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Identiteit en nationaliteit

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1995] .

De relevante elementen van eisers asielrelaas

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. zijn geloofsovertuiging en de daarmee samenhangende problemen;

  3. het smokkelen van medicijnen;

de gebeurtenissen met [A] ten gevolge van de medicijnensmokkel.

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen over het smokkelen van medicijnen en de gebeurtenissen met [A] ten gevolge van de medicijnensmokkel heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Verder heeft verweerder eisers geloofsovertuiging weliswaar geloofwaardig geacht, maar de problemen die hij in dat verband heeft ervaren niet zwaarwegend geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om andere redenen in de negatieve belangstelling staat van [A] . Voorts heeft verweerder gesteld dat eiser zich kan vestigen in [stad 1] . Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw.

Het standpunt van eiser

4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert – kort samengevat

– het volgende aan. Eiser stelt in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas dat verweerder zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht omdat er op talloze details tijdens de gehoren niet is doorgevraagd. Dit is in strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn.1 Verweerder heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen inzicht heeft gegeven in de gebeurtenissen waar eiser over heeft verklaard. Eiser is van mening dat verweerder niet heeft voldaan aan de samenwerkingsplicht zoals bedoeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.2 Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn asielrelaas niet heeft getoetst aan nauwkeurige en actuele bronnen, omdat verweerder verouderde landeninformatie heeft aangehaald afkomstig uit slechts één bron. Dit is in strijd met artikel 10, lid 3 onder b van de Procedurerichtlijn. Hieronder zal de rechtbank allereerst ingaan op wat eiser in het kader van het bovenstaande meer specifiek heeft aangevoerd ten aanzien van de relevante elementen A) het smokkelen van medicijnen en B) de gebeurtenissen met [A] ten gevolge van die medicijnensmokkel.

1. Richtlijn van 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. 2 Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

Het oordeel van de rechtbank

A. Element: het smokkelen van medicijnen

1. Bewijsstukken over eisers arbeidsverleden en dienstverband

5.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser bewijsstukken zou moeten kunnen overleggen over zijn arbeidsverleden. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op verouderde informatie, omdat hij informatie heeft geraadpleegd uit het Algemeen Ambtsbericht Zuid- en Centraal-Somalië van november 2017 (AAB 2017), terwijl er inmiddels een ambtsbericht van maart 2019 en van maart 20203 is verschenen.

5.2

De rechtbank constateert dat in het ambtsbericht van maart 2019 en in het ambtsbericht van maart 2020 geen informatie staat over de mogelijkheid om documenten te verkrijgen met betrekking tot arbeid in Somalië. Dit maakt dat het ambtsbericht van november 2017 het meest recente ambtsbericht is waarin dit wordt genoemd en dat verweerder dit ambtsbericht heeft mogen gebruiken als meest recente informatiebron wat betreft het verkrijgen van arbeidsgerelateerde documenten.

5.3

Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij geen documenten over zijn dienstverband met het ziekenhuis heeft overgelegd. Hij is werkzaam geweest voor een regionaal ziekenhuis en uit pagina 36 van het AAB 2017 – waar verweerder naar verwijst – volgt niet dat gegevens over het arbeidsverleden worden verstrekt door dergelijke ziekenhuizen. Eiser verwijst daarnaast ook naar een passage uit een rapport van de United Nations Office for Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) van 6 maart 2017, waaruit blijkt dat de genoemde documenten alleen kunnen worden verkregen in grote steden en tegen betaling. Eiser komt uit [stad 2] en dat is geen grote stad. Dit betekent dat eiser deze documenten niet kan verkrijgen.

5.4

In het AAB 2017 staat op pagina 36: ‘‘OCHA stelt dat uittreksels inzake medische gegevens, onderwijs of een uittreksel met betrekking tot iemands arbeidsverleden, worden afgegeven door uiteenlopende partijen, zoals particuliere ziekenhuizen, bedrijven en

universiteiten.’’

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat hieruit volgt dat uittreksels omtrent het arbeidsverleden door diverse partijen worden afgegeven. De stelling van eiser dat hij een dergelijk document niet kan verkrijgen omdat hij in een regionaal ziekenhuis werkte, wordt hiermee niet ondersteund. Dat een

regionaal ziekenhuis niet in de voorbeeldopsomming van de ‘uiteenlopende partijen’ in het AAB 2017 wordt genoemd, maakt niet dat daaruit volgt dat dergelijke ziekenhuizen geen documenten over het arbeidsverleden verstrekken. Wat betreft eisers verwijzing naar het OCHA rapport merkt de rechtbank op dat de door eiser aangehaalde passage niet uit het

rapport zelf komt, maar afkomstig is van een ‘executive director of the Somali Canadian

Association’ en is opgenomen in een Canadees document4.

3 Algemeen Ambtsbericht Zuid- en Centraal Somalië van maart 2019 en Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2020.

4 Dat wordt genoemd in een document van de Immigration and Refugee Board of Canada, Somalia: Ability to obtain documentation, including medical, education, and employment records; effectiveness of the postal service, on both the domestic and international level, 6 March 2017.

Verweerder heeft daarnaast in het verweerschrift aangegeven dat het daarin gestelde over het verkrijgen van documenten tegen betaling en in grote steden zich vooral richt op officiële documenten. Het voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om aan te tonen dat hij vier jaar in het ziekenhuis heeft gewerkt.

6. In het kader van het aantonen van eisers dienstverband voert eiser tot slot aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser zijn telefoon heeft afgestaan aan de mensensmokkelaars zonder dat hij daartoe werd gedwongen. Dit komt niet overeen met de verklaringen van eiser. Hij heeft verklaard dat zijn telefoon werd afgepakt.5 Ter zitting is gevraagd naar het standpunt van verweerder op dit punt. Verweerder heeft eiser hierin gelijk gegeven en heeft dit standpunt uit het bestreden besluit ingetrokken. Het intrekken van dit subonderdeel uit het bestreden besluit heeft tot gevolg dat deze beroepsgrond slaagt. Dit hoeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden tot de conclusie dat verweerders standpunt ten aanzien van het niet leveren van voldoende inspanningen om zijn werkzaamheden in het ziekenhuis aan te tonen, niet overeind kan blijven. Aan het eind van de beoordeling van verweerders geloofwaardigheidstoets omtrent het relevante element ‘smokkelen van medicijnen’ zal de rechtbank beoordelen of dit – en de hierna te bespreken beroepsgronden – van invloed is op verweerders standpunt dat het

element ‘smokkelen van medicijnen’ ongeloofwaardig is geacht.

2) Aannemelijkheid verklaringen over de medicijnensmokkel

a) Aanleiding voor het smokkelen

- Vermogen van eiser

7. Eiser is verder van mening dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft opgenomen dat hij genoeg geld had om zich te onderhouden. Eiser heeft verklaard dat hij arm was, financiële problemen had en niet genoeg geld had om te trouwen.6 De rechtbank is van oordeel dat eiser deze beroepsgrond terecht heeft aangevoerd. Eiser heeft duidelijk verklaard over zijn financiële situatie en verweerder heeft ten onrechte in het bestreden besluit gesteld dat eiser genoeg geld had om zich te onderhouden en dat eisers verklaringen hierover vaag en ongerijmd zijn. De beroepsgrond slaagt.

- De verklaringen over waarom eiser de aangewezen persoon was voor de medicijnensmokkel

8. Voorts stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij de gekozen persoon is geweest voor de risicovolle opdracht van het smokkelen van de medicijnen. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de stelling van eiser dat hij een band had met de arts – die tevens directeur is van het ziekenhuis – die hem voor deze opdracht heeft gevraagd. Volgens eiser heeft hij hier aannemelijk over verklaard en kwam hij blijkbaar betrouwbaar over. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat

5 Pagina 18 van het nader gehoor van 8 november 2019.

6 Pagina 7 en pagina 15 van het nader gehoor van 8 november 2019.

eiser de band met de arts niet heeft aangetoond. Eiser heeft hier summier over verklaard en wist veel vragen niet te beantwoorden. Verweerder heeft dit bevreemdend mogen vinden.

9. Eiser stelt verder dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bevreemdend zou zijn dat eiser is gevraagd voor de opdracht terwijl hij geen auto kan rijden en dat er daarom een chauffeur nodig was voor het vervoer van de medicijnen. De rechtbank overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet duidelijk heeft kunnen verklaren waarom een extra risico is genomen door een chauffeur in te zetten die enkel verantwoordelijk is geweest voor het vervoer. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser zelf heeft verklaard dat de smokkel niet ontdekt mocht worden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat van eiser in redelijkheid mag worden verwacht dat hij hier enige uitleg over zou kunnen geven. Nu eiser hier niet in is geslaagd, heeft verweerder het niet aannemelijk kunnen achten dat de directeur van het ziekenhuis een extra risico heeft genomen door zowel eiser als de chauffeur in te zetten voor de opdracht. De beroepsgrond slaagt niet.

b) Opslag van de gesmokkelde medicijnen

10. Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het niet valt in te zien dat de medicijnen niet direct – vanuit [stad 1] – naar [stad 2] werden vervoerd. Eiser stelt dat hij gedetailleerd heeft uitgelegd dat de medicijnen verspreid worden door en afkomstig zijn van organisaties die door [A] verboden zijn.7 Dit zijn NGO’s, regeringsinstanties en andere instanties. De medicijnen worden eerst opgeslagen in [stad 3] en worden daarna vervoerd naar [stad 2] . Eiser heeft hier aannemelijk over verklaard en verweerder heeft over dit onderwerp niet doorgevraagd tijdens het gehoor. De rechtbank is van oordeel dat verweerder wel degelijk heeft doorgevraagd over dit onderwerp8 en dat de uitleg die eiser in het beroepschrift geeft onder verwijzing naar pagina 13 van zijn gehoor niet de beantwoording betreft van de vraag waarom de medicijnen niet rechtstreeks naar [stad 2] werden gebracht. Het gestelde op pagina 13 betreft namelijk eisers antwoord op de vraag waarom [A] hem wilde doden voor het medicijnenvervoer. Eiser heeft niet onderbouwd waarom zijn verklaringen omtrent de opslag van medicijnen in [stad 3] aannemelijk moeten worden geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

c) Kennis over de gesmokkelde medicijnen

11. Eiser vindt het ook onterecht dat verweerder aan hem heeft tegengeworpen dat hij summier is in zijn kennis over de te smokkelen medicijnen en dat hij niet de waarde weet van de medicijnen. Eiser heeft geen kennis van medicijnen en het was voor hem ook niet van belang om te weten welke medicijnen hij vervoerde. Daarbij zijn medicijnnamen vaak ingewikkeld en hij is geen medisch deskundige. Eiser heeft verklaard wat hij wel weet, zoals dat er infuuszakken bij zaten. Ten aanzien van de waarde van de medicijnen heeft hij verklaard dat de medicijnen kostbaar waren omdat ze schaars waren.9 Daarnaast kan niet redelijkerwijs van hem worden verwacht dat hij nog meer hierover kan verklaren. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder dit ten onrechte aan hem heeft

7 Pagina 13 van het nader gehoor van 8 november 2019.

8 Pagina 17 van het nader gehoor van 8 november 2019.

9 Pagina 16 van het nader gehoor van 8 november 2019.

tegengeworpen. Over de kennis van de medicijnen heeft verweerder niet doorgevraagd tijdens het gehoor. Verder heeft eiser iets over de waarde van de medicijnen genoemd in het gehoor en verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze verklaring onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid van het element: smokkelen van medicijnen

12. De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van een drietal onderdelen van het element ‘het smokkelen van medicijnen bepaald dat verweerder zijn beoordeling niet goed heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat de overige onderdelen die ten grondslag liggen aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van onderhavig element onaangetast zijn. Het betreft de gestelde aanleiding voor de smokkel, waar nog geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij werkzaam is geweest in het ziekenhuis en waarom hij de aangewezen persoon was voor het smokkelen van de medicijnen. Ook betreft het de tussentijdse opslag van medicijnen in [stad 3] , waarover verweerder het standpunt heeft mogen innemen dat niet valt in te zien dat ze niet direct naar [stad 2] werden gebracht. Gelet op de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de overige onderdelen voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn asielrelaas over het relevante element ‘medicijnensmokkel’ niet aannemelijk heeft gemaakt.

Element: de gebeurtenissen met [A] ten gevolge van de medicijnensmokkel

1. Het waarschuwingsbericht om te stoppen met smokkelen

13. Eiser voert hierover aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het bericht dat hij medio juli 2019 op zijn telefoon zou hebben ontvangen over de medicijnensmokkel. De inhoud van dat bericht zou zijn geweest: ‘‘je moet stoppen met je activiteiten waar je mee bezig bent. Anders kom je in de problemen.’’10 De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser hierover vaag en tegenstrijdig heeft verklaard. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser het bericht niet feitelijk kan laten zien en dat hij evenmin voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij het bericht daadwerkelijk heeft ontvangen. Verder heeft verweerder de verklaring van eiser dat hij een vermoeden had dat de jongens uit de stad een grapje met hem uithaalden, tegenstrijdig mogen achten met eisers verklaring dat niemand van zijn activiteiten afwist, behalve de arts en de chauffeur.11 Ook gelet op de verklaring van eiser dat de directeur en de chauffeur hem niet hebben verlinkt bij [A] , heeft verweerder het opmerkelijk kunnen vinden dat eiser de jongens uit de stad verdenkt van een grapje. Voorts heeft verweerder het vreemd mogen vinden dat eiser het bericht niet serieus nam en dat hij de smokkelwerkzaamheden heeft voortgezet na het bericht, terwijl eiser heeft verklaard dat het smokkelen van medicijnen gevaarlijk was. Eiser heeft niet kunnen onderbouwen waarom hij zo’n groot risico zou nemen. De verklaring van eiser dat hij het geld hard nodig had en dat hij ervan overtuigd was dat niemand op de hoogte was van de smokkelactiviteiten, is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond faalt.

10 Pagina 17 van het nader gehoor van 8 november 2019.

11 Pagina 8 en 12 van het nader gehoor van 8 november 2019.

2) De wijze waarop [A] op de hoogte is geraakt van de medicijnensmokkel

14. Voorts stelt eiser dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet weet op welke wijze [A] op de hoogte is geraakt van zijn smokkelactiviteiten. Eiser heeft verklaard dat [A] overal kan zijn en dat sommige burgers ook spionnen kunnen zijn van [A] . De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe [A] op de hoogte kan zijn geraakt van zijn bezigheden. De stelling van eiser dat er mogelijk spionnen van [A] op de hoogte zijn geweest is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Immers, eiser heeft verklaard dat slechts de chauffeur en de directeur van het ziekenhuis op de hoogte waren van de smokkelactiviteiten. Dat zij hem hebben verlinkt acht eiser tegelijkertijd uitgesloten; zij hadden er bovendien zelf belang bij dat de smokkel onopgemerkt en onverstoord door kon blijven gaan. Omdat het voorgaande de kern raakt van eisers asielmotief heeft verweerder deze omstandigheid terecht meegenomen in de algehele geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. De beroepsgrond slaagt niet.

3) De werkwijze van [A]

15.1

Eiser heeft in zijn zienswijze verwezen naar pagina 21 en 22 van het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2020 (AAB 2020) waarin staat dat het lastig is om verifieerbare informatie over [A] te krijgen. Volgens eiser heeft verweerder miskend dat de in het AAB 2020 op pagina 22 genoemde verklaringen van vrouwen uit door [A] bezet gebied slechts dienden ter illustratie van het probleem dat het niet

mogelijk is om ‘universele waarheden’ te verkondigen over het werkelijke leven in de gebieden die onder controle staan van [A] . In zoverre is dit volgens eiser dan ook relevant voor zijn asielprocedure. Eiser stelt namelijk dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte algemene waarheden verkondigd over de werkwijze van [A] , terwijl uit de door hem aangehaalde passage uit het AAB 2020 volgt dat dat onmogelijk is omdat [A] in elk gebied verschillend te werk gaat.

15.2

Eiser verwijst in dit kader ook naar pagina 61 van het AAB 2020 waarin het

volgende staat: ‘‘Eerder werd in paragraaf 2.7 melding gemaakt van het feit dat het moeilijk is om verifieerbare informatie te verkrijgen over de gebieden die in handen zijn van [A] . Bovendien heeft de spaarzame informatie die voorhanden is veelal een tegenstrijdig karakter.’’ Verweerder heeft geen landeninformatie aangehaald die specifiek ziet op de locatie van de herkomst van eiser, namelijk [stad 2] , in provincie Galgaduud .

Volgens eiser kan verweerders stelling in het bestreden besluit dat het ongewoon is voor [A] dat zij eerst waarschuwen dan ook niet worden bevestigd met informatie uit openbare bronnen, omdat de werkwijze van [A] in de verschillende gebieden wisselend is. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit verwezen naar pagina 12 van het ambtsbericht Zuid- en Centraal Somalië van maart 2019 (AAB 2019) en deze informatie komt niet meer terug in het AAB 2020. Eiser stelt dat de geraadpleegde informatie van verweerder dan ook verouderd is, niet nauwkeurig en niet relevant.

15.3

De rechtbank overweegt allereerst dat uit pagina 21 van het AAB 2020 niet meer volgt dat het dan lastig is om verifieerbare informatie te verkrijgen over de gebieden die in handen zijn van [A] , en dus niet dat dat geldt voor informatie over [A] zelf. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser aangehaalde verklaringen zien op een andere situatie dan de situatie

van eiser. Verweerder heeft aan de gevolgtrekkingen van deze verklaringen niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar het AAB 2019, maakt niet dat verweerder verouderde informatie heeft gebruikt. Het AAB 2019 was immers op dit punt nog steeds relevant ten tijde van het bestreden besluit. Bovendien doet al hetgeen eiser in dit kader aanvoert niet af aan het feit dat eiser zelf ook heeft verklaard dat [A] onverbiddelijk en een ‘‘moordmachine’’ is.12 De beroepsgrond slaagt niet.

4) Detentie, vrijlating en omstandigheden rond de vlucht

16. De stelling van eiser dat verweerder in het bestreden besluit niet meer betwist dat hij gedetineerd is geweest, volgt de rechtbank niet. Verweerder is met de onderbouwing in het bestreden besluit niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat eiser de detentie en de vrijlating niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat de gang van zaken die eiser schetst niet in lijn is met hetgeen algemeen bekend is over de terreurorganisatie [A] . Ook heeft eiser de door hem omschreven omstandigheden op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. De beroepsgrond dat het bestreden besluit op dit punt tegenstrijdig is aan het voornemen, slaagt dan ook niet.

5) De stamoudsten

17. Wat eiser aanvoert over de stamoudsten is niet onderbouwd. Eiser heeft bovendien niet aangegeven waarom de motivering in het bestreden besluit onjuist is, dus de rechtbank laat dit verder onbesproken.

6) De verdenking

18. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet duidelijk heeft gemaakt waarop de verdenking van [A] was gebaseerd. De rechtbank overweegt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser het voorgaande niet heeft onderbouwd. Daarbij heeft verweerder de verklaring van eiser dat hij twee maanden werd vastgehouden door [A] zonder dat aan hem op enige wijze duidelijk werd gemaakt waar de verdenking op was gebaseerd kunnen aanmerken als vaag en bevreemdingwekkend. De beroepsgrond faalt.

7) Doorgaan met de smokkelactiviteiten

19.1

Verder brengt eiser naar voren dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de mogelijkheid dat zijn gezin zonder hem komt te leven heeft meegewogen in zijn beslissing om door te gaan met zijn smokkelwerkzaamheden na de gestelde detentie. Eiser stelt dat dit niet aan hem is gevraagd tijdens het gehoor en dat het dan ook onzorgvuldig is om dit aan hem tegen te werpen. Ook heeft verweerder het voorgaande niet gesteld in het voornemen waardoor eiser niet de gelegenheid heeft gehad om hierop inhoudelijk te reageren in de zienswijze.

12 Pagina 20 van het nader gehoor van 8 november 2019.

19.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder het voorgaande wel degelijk heeft gevraagd in het gehoor. Op pagina 22 van het nader gehoor van 8 november 2019 is het volgende opgenomen:

‘‘Het risico en de pakkans was enorm groot en uw gezin heeft nog minder aan u als u zou worden gedood door [A] . Het is belangrijk dat u hier inzicht in geeft. Waarom bent u ermee doorgegaan?

Dat was een groot risico. Een enorm risico voor mijn leven, maar toch heb ik het gedaan

omdat ik geen andere mogelijkheid zag om mijzelf en gezinsleden te helpen.’’

19.3

Verweerder heeft dit vervolgens ook aan de orde gesteld in het voornemen, waarin het volgende is opgenomen:

‘‘Betrokkene heeft desondanks de gestelde bedreiging de smokkelactiviteiten voortgezet. Dit is in strijd met de omstandigheid dat betrokkene heeft verklaard op de hoogte te zijn geweest van welk risico hij zou lopen door de smokkelactiviteiten. Van betrokkene mag verwacht worden dat hij zich heeft afgevraagd of het verstandig is om de activiteiten voort te zetten.

Vooral nu betrokkene aangegeven heeft de activiteiten aangegaan te zijn om zijn vrouw en gezinsleden financieel te kunnen ondersteunen. Opmerkelijk is dat betrokkene het risico, om zijn gezinsleden niet meer te kunnen onderhouden nadat hij mogelijk opgepakt wordt, voor lief heeft genomen door de activiteiten voort te zetten.’’13

19.4

Dit betekent dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om inhoudelijk te reageren op het voorgaande, in tegenstelling tot wat eiser heeft aangevoerd. Derhalve slaagt de beroepsgrond niet.

8) Eiser werd als enige persoon verantwoordelijk gehouden voor de medicijnensmokkel

20.1

Eiser voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom [A] na de ontdekking van de medicijnensmokkel, direct de conclusie heeft getrokken dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Eiser stelt dat dit niet eerder aan hem is tegengeworpen en verwijst naar pagina 23 van het nader gehoor waar eiser heeft gesteld dat [A] het vermoeden had dat hij er weer bij betrokken was en dat ze via eiser achter de andere betrokkenen zouden komen. Volgens eiser had het op de weg van verweerder gelegen om op dit punt tijdens het nader gehoor door te vragen, indien deze verklaring niet voldoende was (op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn).

20.2

De rechtbank verwijst in dit kader naar pagina 6 van het bestreden besluit waarin wordt verwezen naar de overweging in het voornemen over dit punt. Dit betekent dat verweerder het voorgaande al in het voornemen aan de orde heeft gesteld, waardoor eiser in de zienswijze inhoudelijk hierop heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder hierover meer vragen had moeten stellen. Het is immers aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. De beroepsgrond faalt.

13 Pagina 5 van het voornemen van 27 april 2020.

Tussenconclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid van het element: gebeurtenissen met [A] ten gevolge van de medicijnensmokkel

21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de hiervoor besproken onderdelen voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn asielrelaas over het relevante element ‘de gebeurtenissen met [A] ten gevolge van de

medicijnensmokkel’ niet aannemelijk heeft gemaakt. Conclusie ten aanzien van geloofwaardigheid asielrelaas

22. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd tijdens de gehoren. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank verweerders besluitvorming voldoende zorgvuldig. Ook heeft verweerder eisers asielrelaas getoetst aan nauwkeurige en actuele bronnen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan de samenwerkingsplicht zoals bedoeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en heeft verweerder niet gehandeld in strijd met de Procedurerichtlijn. Verweerder heeft de relevante elementen onder de hierboven genoemde punten onder 2c en 2d niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

Vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië

23.1

Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar zijn woonplaats [stad 2] te vrezen heeft voor vervolging door [A] dan wel dat hij een reëel risico loopt op vervolging dan wel op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege zijn problemen met [A] en zijn eerdere detentie. De stad en provincie staan onder controle van [A] en eiser zal bij terugkeer uit het westen in de ogen van [A] als een spion worden aangemerkt. Ook heeft eiser als aanhanger van het soefisme te vrezen voor [A] .

23.2

Allereerst verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 21 waarin is geconcludeerd dat verweerder de door eiser gestelde problemen met [A] en zijn detentie ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Dit maakt dat de rechtbank eisers stelling dat hij door deze problemen bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM niet volgt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als individu in de negatieve belangstelling staat van [A] . Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als aanhanger van het soefisme te vrezen heeft voor vervolging of voor ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat aanhangers van het soefisme niet in het landgebonden beleid ten aanzien van Somalië als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep zijn opgenomen.14

23.3

Voorts staat het vast dat verweerder ten aanzien van gebieden waar [A] aan de macht is of dat gebied controleert een reëel risico op ernstige schade aanneemt.15 Niet in geschil is dat de stad [stad 2] , waar eiser vandaan komt, onder controle staat van [A] en dat eiser hierom niet kan terugkeren naar zijn woonplaats.

14 Paragraaf C7/24.3.2. en paragraaf C7/24.4.4. van de Vc.

15 Paragraaf C7/24.4.2. van de Vc.

Hieronder zal de rechtbank beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich kan vestigen in [stad 1] .

Binnenlands beschermingsalternatief

Redelijkheid

24.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij een binnenlands beschermingsalternatief zou hebben in [stad 1] . Eiser stelt zich op het standpunt dat van hem redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij zich vestigt in [stad 1] . Eiser heeft geen naaste familie in [stad 1] wonen en hij kan daar geen bescherming van een clan krijgen. Daarom zal eiser in [stad 1] in een uitermate kwetsbare situatie komen en in een ontheemdenkamp terecht komen.

24.2

De rechtbank overweegt dat uit het Informatiebericht 2019/95 volgt dat, gelet op de informatie uit de AAB 2017 en 2019, een ieder die over land dient te reizen naar zijn woonplaats in aanmerking komt voor een vergunning onder artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Slechts wanneer de woonplaats bijvoorbeeld per vliegtuig te bereiken valt of er sprake is van een vestigingsalternatief in [stad 1] of andere stad die per vliegtuig bereikbaar is, kan een zaak worden afgewezen.

25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een binnenlands beschermingsalternatief aan eiser tegengeworpen. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser is geboren in [stad 1] en dat hij vanaf zijn geboorte tot aan zijn veertiende levensjaar in [stad 1] heeft gewoond en ook voor zijn vertrek uit Somalië kort in [stad 1] heeft verbleven. Dit betekent dat eiser het merendeel van zijn leven woonachtig is geweest in [stad 1] en dat hij bekend is met de stad. Het zich opnieuw vestigen in deze stad zou om die reden geen belemmering moeten vormen, aangezien de stad geen onbekend terrein voor hem is. Daarbij kan volgens verweerder uit eisers persoonlijke omstandigheden worden afgeleid dat hij zich staande kan houden, omdat hij de Somalische taal machtig is, de middelbare school heeft afgrond en zich eerder staande heeft gehouden in Somalië door te werken als beveiliger. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in [stad 1] vestigt.

Bescherming van de clan

26.1

Eiser voert ook aan dat verweerder ten onrechte slechts in het algemeen heeft gesteld dat de aanwezigheid van de clan kan fungeren als sociaal vangnet en – indien nodig

– bescherming kan bieden. Volgens eiser heeft verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende betrokken in de besluitvorming en heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voldaan. Eiser verwijst naar paragraaf C2/3.4 van de Vc.

26.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende betrokken bij de besluitvorming. Verweerder heeft in de besluitvorming verwezen naar eisers verklaringen dat hij onderdeel is van de [stam] stam en ook behoort tot de subclan [subclan] . Verweerder heeft verwezen naar openbare bronnen waaruit blijkt dat de [stam] stam en de subclan [subclan] zich grotendeels bevinden

in [stad 1] .16 Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zich om die reden kan vestigen in [stad 1] waar hij – indien nodig – bescherming kan krijgen van zijn clan. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich niet staande zou kunnen houden in [stad 1] . Eiser heeft ook niet aangevoerd waarom hij überhaupt bescherming nodig zou hebben van de clan. Al hetgeen eiser in zijn beroepschrift in dit kader heeft aangevoerd, kan daarom niet slagen.

Ontheemdenkamp

27. De stelling van eiser dat hij in een uitermate kwetsbare situatie zal komen en dat hij in een ontheemdenkamp terecht zal komen, is niet onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep of zich in [stad 1] niet staande kan houden omdat hij geen netwerk heeft waarop hij terug kan vallen, zodat verweerder zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser in een ontheemdenkamp terecht komt.

Verdenking van spionage door [A]

28. Over eisers standpunt dat hij bij terugkeer uit het westen in de ogen van [A] als een spion zal worden aangemerkt, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht gesteld dat de enkele terugkeer naar [stad 1] niet maakt dat eiser door [A] van spionage zal worden verdacht. Immers volgt uit rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 april 201617 dat niet is gebleken dat gewone burgers of terugkeerders uit de diaspora tot zorgvuldig door [A] geselecteerde doelwitten behoren. Bovendien is niet zonder meer aannemelijk dat eiser zich geconfronteerd zal zien met [A] , gelet op het gegeven dat [stad 1] niet onder controle staat van [A] en een groot aantal inwoners telt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Somalië door [A] zal worden aangemerkt als spion. Ook is in het landgebonden beleid ten aanzien van Somalië opgenomen dat de enkele terugkeer uit het westen daarvoor onvoldoende is.18

Rekrutering door [A]

29.1

Verder voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar [stad 1] kans loopt op gedwongen rekrutering door [A] , wat betekent dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.

29.2

De rechtbank overweegt als volgt. In het AAB 2020 staat in paragraaf 2.7.9 (Rekrutering) dat gevallen van gedwongen rekrutering met name plaatsvinden in gebieden die onder controle staan van [A] . De genoemde paragraaf maakt niet expliciet melding van gedwongen rekrutering in [stad 1] . Zoals eerder is overwogen staat [stad 1] niet onder controle van [A] , maar onder controle van het Somalische leger.

16 Home office, Country Policy and Information Note Somalia: Majority clans and minority groups in south and central Somalia, version 2.0, 2017, pagina 11.

17 ECLI:NL:RVS:2016:1168.

18 Paragraaf C7/24.3.2. van de Vc.

Ook blijkt uit paragraaf 2.7.9 van het hiervoor genoemde ambtsbericht dat [A] zich voor rekrutering met name richt op kwetsbare minderheidsgroeperingen zoals de Bantu’s, waar eiser niet toe behoort. Eiser behoort namelijk tot de dominante [stam] stam in [stad 1] . Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar [stad 1] kans loopt op gedwongen rekrutering door [A] .

Eisers gezondheid

30. Dat eiser zal opvallen in [stad 1] omdat hij psychische klachten heeft van de eerdere mishandelingen door [A] , volgt de rechtbank niet. Zoals eerder is overwogen, heeft verweerder de problemen met [A] ongeloofwaardig kunnen achten. Verder heeft verweerder in het verweerschrift terecht opgemerkt dat eiser niet onder behandeling staat en geen bewijsstukken heeft ingediend waaruit blijkt dat hij gezondheidsklachten heeft.

Toegang tot [stad 1]

31. Voorts is eiser van mening dat de stad [stad 1] niet veilig te bereiken is vanaf de luchthaven van [stad 1] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom deze stelling niet kan slagen. Verweerder heeft verwezen naar het AAB 2020 waaruit blijkt dat de veiligheidssituatie tussen het vliegveld en [stad 1] aanzienlijk is verbeterd sinds de introductie van de pendeldienst op de desbetreffende hoofdweg. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de omstandigheid dat er sporadisch sprake is van ‘friendly fire’ onvoldoende is om ten aanzien van eiser een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Voor zover eiser in dit kader verwijst naar een onderzoek over teruggekeerde asielzoekers uit de Verenigde Staten, overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser en dat de situatie van eiser een andere betreft dan de situatie van de personen die worden genoemd in het onderzoek.19

Algemene veiligheidssituatie

32.1

Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar [stad 1] een reëel risico zal lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst naar pagina 17 en 18 van het AAB2020 waaruit volgens eiser blijkt dat de veiligheidssituatie in [stad 1] ernstig is verslechterd.

32.2

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de ABRvS van 23 mei 201820 volgt dat zich in [stad 1] , Somalië, geen uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. Bij dit oordeel heeft de ABRvS de inhoud van het AAB 2017 betrokken. De ABRvS heeft overwogen dat de omstandigheid dat de veiligheidssituatie in 2016 en 2017 is verslechterd ten opzichte van 2015, op zichzelf nog niet maakt dat er zich in [stad 1] een uitzonderlijke situatie voordoet. Verweerder heeft terecht van belang geacht dat het geweld nog altijd voornamelijk gericht is op bepaalde doelwitten en dus niet willekeurig van aard is.

19 Daniel J. Van Lehman and Estelle M. McKee, "Removals to Somalia in Light of the Convention against Torture: Recent Evidence from Somali Bantu Deportees," 33 Georgetown Immigration Law Journal 357 (2019).

20 ECLI:NL:RVS:2018:1664.

Dat [A] terreinwinst heeft geboekt, laat onverlet dat [stad 1] nog steeds tot op zekere hoogte onder de controle van het Somalische leger staat, zodat het daadwerkelijke gewapende conflict zich buiten [stad 1] afspeelt. Het geweld in de stad is dan ook beperkt tot aanslagen door [A] . Hierdoor vallen er weliswaar ook veel burgerslachtoffers, meer dan in eerdere jaren, maar de aantallen zijn, afgezet tegen het aantal inwoners van [stad 1] niet dusdanig hoog dat geconcludeerd moet worden dat zich in [stad 1] de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw voordoet. Bovendien zijn er geen ontheemden die gevlucht zijn uit [stad 1] , maar trekken ontheemden uit de regio juist naar [stad 1] , waardoor de stad gelet op de stukken ongeveer 400.000 ontheemden telt. Dit duidt er evenmin op dat zich daar een uitzonderlijke situatie voordoet, aldus de ABRvS.

32.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij een binnenlands vestigingsalternatief heeft in [stad 1] . Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel de veiligheidssituatie in [stad 1] nog altijd zorgwekkend is, uit het meest recente AAB 2020 blijkt dat er incidenten plaatsvinden met geïmproviseerde explosieven, maar dat de stad nog altijd onder controle staat van het Somalische leger. Verweerder benadrukt hetgeen in het AAB 202021 staat, dat blijkt dat aanvallen van [A] vaak gericht zijn op specifieke doelwitten en dus niet zonder meer willekeurig van aard zijn. Uit het AAB 2020 blijkt weliswaar dat het aantal aanslagen is toegenomen ten opzichte van 2018, maar ook dat de situatie in 2019 gelijk was aan die van 2017 (het jaar waarover de ABRvS in de hiervoor genoemde zaak (mede) heeft geoordeeld). Daar komt bij dat uit het rapport van het Belgische Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 april 2020 blijkt dat het aantal gewelddadige incidenten in [stad 1] in de periode 1 september 2019 tot 29 februari 2020 is afgenomen.22 De rechtbank overweegt dat ook de update hiervan (die de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 december 2020 bestrijkt) een dergelijk beeld weergeeft; weliswaar is er vanaf maart 2020 eerst een lichte stijging van het geweld zien, maar dit duurt tot mei 2020, daarna is er weer een dalende lijn te zien. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheidssituatie in [stad 1] niet zodanig is verslechterd dat moet worden geconcludeerd dat zich in [stad 1] de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw voordoet.

Gelijkheidsbeginsel

33.1

Tot slot beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel. Zowel zijn moeder als zus hebben een verblijfsvergunning in Nederland en aan hen is [stad 1] niet tegengeworpen als binnenlands beschermingsalternatief. Zij zijn weliswaar alleenstaande vrouwen maar bij hen is ook vastgesteld dat de gezinsband met het ouderlijk gezin is verbroken en er geen familielid tot in de derde graad of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.23 Gelet hierop is het tegenstrijdig om dit wel aan eiser tegen te werpen.

21 Pagina’s 17 en 18 van het AAB 2020.

22 Pagina’s 24 en 25 van COI Focus Somalië Veiligheidssituatie in [stad 1] van 21 april 2020.

23 Paragraaf C7/24.4.3 van de Vc.

33.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen, omdat de zus van eiser destijds een alleenstaande vrouw op huwbare leeftijd betrof en aan haar voornamelijk om die reden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend. De moeder van eiser is als alleenstaande vrouw al jaren geleden gevlucht uit Somalië, dus dit betrof ook een andere situatie. Eiser heeft niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Slotsom

34. Gelet op de beroepsgronden die slagen, is het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De slotsom is echter dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Daarom zal de rechtbank de rechtsgevolgen in stand laten zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

35. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.034,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

29 januari 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. M. Eversteijn E. de Jong

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.