Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3803

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
NL20.18274
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing asielaanvraag terecht. Doordat verweerder het terugkeerbesluit heeft ingetrokken maar de afwijzing van de asielaanvraag en de ambtshalve weigering van een reguliere verblijfsvergunning heeft gehandhaafd, is geen sprake meer van een meeromvattende beslissing en komt de vreemdeling in onzekerheid te verkeren, terwijl uit het arrest TQ van het Hof van Justitie blijkt dat dat juist moet worden voorkomen. Om deze onzekerheid en onduidelijkheid zo spoedig mogelijk weg te nemen, doet de rechtbank een tussenuitspraak. Verweerder kan het gebrek herstellen door, in het licht van het arrest TQ, aan te geven welke consequenties verweerder verbindt aan de afwijzing van de asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18274


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).


Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is daarbij bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat haar geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt verleend. Het besluit geldt tevens als een terugkeerbesluit.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (NL20.18275).

Het terugkeerbesluit is door verweerder op 15 februari 2021 ingetrokken.


Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening (NL20.18275), plaatsgevonden op 24 maart 2021.De zaak is ter zitting tevens gevoegd behandeld met het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van de broer van eiseres (respectievelijk NL20.18276 en NL20.18277). Eiseres is evenals haar broer verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar voogd [naam voogd] . Als tolk is verschenen E.J. Nejmbo Katumbwe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

In de vier zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat eerst in op de vraag of verweerder de asielvergunning terecht heeft geweigerd en daarna op de vraag of verweerder het van het bestreden besluit onderdeel uitmakende terugkeerbesluit heeft mogen intrekken onder instandlating van het bestreden besluit voor het overige.

Afwijzing asielaanvraag

2. Eiseres heeft verklaard dat zij [naam] is, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in de Democratische Republiek Congo. Aan haar asielaanvraag heeft zij het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiseres is op 19 oktober 2019 met haar broer vanuit [geboorteplaats] naar Goma gegaan om bij haar vader te wonen. De moeder van eiseres is in 2012 gestorven. Op 20 december 2019 is haar vader vermoord. Vervolgens is eiseres met haar broer bij een vriend van haar vader gaan wonen, te weten papa [naam vriend] . Hij is eveneens vermoord. Een andere vriend van de vader van eiseres, papa [naam vriend 2] , heeft geregeld dat eiseres en haar broer konden vertrekken uit Congo omdat de moordenaars eiseres en haar broer ook wilden vermoorden. Eiseres is samen met haar broer naar Nederland gereisd en heeft asiel aangevraagd.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000. Verweerder acht de door eiseres gestelde identiteit niet geloofwaardig. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat uit onderzoek in het Visuminformatiesysteem van de Europese Unie (EU-Vis) is gebleken dat eiseres op 31 oktober 2019 een aanvraag heeft ingediend voor een visum en op 4 november 2019 door de buitenlandse vertegenwoordiging van België in Congo in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, dat geldig was van 20 december 2019 tot en met 21 januari 2020. Volgens EU-Vis zijn het bij de visumaanvraag gebruikte paspoort en het visum op naam gesteld van [eiseres] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] , van Congolese nationaliteit. Verweerder mag van de juistheid van deze gegevens uitgaan. Eiseres heeft de onjuistheid van deze (identiteits)gegevens of de registratie daarvan niet aannemelijk gemaakt en evenmin aannemelijk gemaakt dat zij [naam] is.

Verder acht verweerder de verklaringen van eiseres over de moord op haar vader en papa [naam vriend] niet geloofwaardig. Evenmin wordt geloofwaardig geacht dat de gestelde moordenaars eiseres en haar broer ook iets wilden aandoen. Verweerder acht wél geloofwaardig dat eiseres geboren is in [geboorteplaats] en de Congolese nationaliteit heeft. Dit is echter onvoldoende om eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Eiseres wordt niet aangemerkt als verdragsvluchteling en evenmin loopt zij bij terugkeer een reëel risico als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen, dan wel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Het bestreden besluit geldt tot slot tevens als terugkeerbesluit.

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt over het bestreden besluit en de daartegen door eiseres ingebrachte beroepsgronden.

5. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door over zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 van toepassing geacht en de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661) volgt dat verweerder in principe uit mag gaan van de juistheid van de informatie in EU-Vis en dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat deze informatie in zijn geval onjuist is. Eiseres stelt dat zij met vervalste documenten naar Nederland is gereisd en zelf geen documenten in handen heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er in geval van eiseres van mocht uitgaan dat zij [eiseres] is, geboren op [geboortedatum 2] . Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat bij de aanvraag van een visum doorgaans een paspoort en foto moeten worden overgelegd en daarbij tevens vingerafdrukken worden genomen. Ondanks het feit dat er - aldus het op ambtsbelofte opgemaakte proces verbaal van nader gehoor van 8 maart 2020 - geen foto van eiseres bekend is in het EU-Vis systeem, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van deze gegevens uit mag gaan omdat voldoende is komen vast te staan dat de vingerafdrukken van eiseres zijn en niet aan een andere persoon te koppelen zijn. Daarnaast leveren de door eiseres in beroep ingebrachte kopie-documenten, te weten geboorteakten, geen reden om aan het voorgaande te twijfelen. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat slechts een foto van deze documenten (verstuurd via WhatsApp) is ingebracht en dus geen originele documenten. De originele documenten zijn volgens eiseres weliswaar naar haar opgestuurd maar zijn volgens eiseres door PostNL terug naar de afzender gestuurd. Eiseres heeft in dit verband een bericht van PostNL overgelegd waaruit blijkt dat een zending retour is gezonden omdat deze bij aflevering aan de geadresseerde niet werd aangenomen. De originele documenten zijn dus niet beschikbaar en deze kunnen dus evenmin door verweerder op authenticiteit onderzocht worden. Dat de zending die de originele documenten zou bevatten retour afzender is gegaan, komt (doordat deze niet zijn aangenomen door de geadresseerde) voor risico van eiseres, op wie de bewijslast rust dat zij iemand anders is dan degene die zij eerder heeft opgegeven te zijn. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de zending waarvan de track & trace-gegevens geleverd zijn, daadwerkelijk originele authentieke documenten bevat en heeft evenmin aangegeven welke pogingen ondernomen zijn om deze documenten na de retourzending alsnog te verkrijgen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de gestelde identiteit van eiseres ongeloofwaardig geacht.

7. Verweerder heeft bij beoordeling van het asielrelaas allereerst aangegeven dat het referentiekader van eiseres (17-jarige leeftijd en middelbare school gevolgd) bij de beoordeling van haar verklaringen is meegewogen. Uit het medisch advies van FMMU blijkt dat er geen (medische) beperkingen zijn om eiseres te horen. Evenmin is er medische informatie ter onderbouwing van het gestelde trauma van eiseres. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank derhalve terecht dat niet in te zien valt waarom de gestelde traumatische ervaring een beperking zou vormen voor het afleggen van voldoende uitgebreide en gedetailleerde verklaringen. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat de moord op de vader van eiseres en papa [naam vriend] ongeloofwaardig wordt geacht. Verweerder heeft eiseres op goede gronden tegengeworpen dat zij summiere verklaringen hierover heeft afgelegd. Zo kan eiseres niet verklaren op welke datum of dag, waarom en door wie haar vader en papa [naam vriend] zijn vermoord. Ook weet zij geen andere details. Daarnaast kan eiseres ook niet verklaren waarom de moordenaars op zoek zijn naar eiseres en haar broer. Nu de moordenaars op zoek zouden zijn naar eiseres en haar broer stelt verweerder terecht dat niet in te zien valt dat eiseres hierover geen vragen heeft gesteld aan papa [naam vriend] of papa [naam vriend 2] . Dat er niet van haar verlangd kan worden dat zij hierover vragen stelt acht verweerder terecht onvoldoende.

8. Verder heeft verweerder op goede gronden gesteld dat eiseres inconsistent verklaard heeft over het verkrijgen van het Congolese paspoort en het Schengenvisum. Eiseres heeft verklaard dat dit pas ná het overlijden van haar vader door papa [naam vriend 2] is geregeld terwijl uit EU-Vis blijkt dat het paspoort al op 18 juli 2019 is afgegeven en het visum op 31 oktober 2019 is aangevraagd en op 4 november 2019 is afgegeven terwijl de problemen van eiseres pas rond 20 december 2019 zouden zijn begonnen, toen haar vader volgens haar relaas is vermoord. Verweerder heeft eiseres verder niet ten onrechte tegengeworpen dat niet in te zien valt waarom eiseres en haar broer pas in maart 2020 uit Congo zijn vertrokken terwijl het visum al vanaf 20 december 2019 (dus vanaf het moment dat de problemen zouden zijn ontstaan) geldig was. Verweerder werpt eiseres, in het licht van voorgaande onduidelijkheid over de volgorde van de gestelde gebeurtenissen en het regelen van de uitreis, ook niet ten onrechte tegen dat zij summier weet te verklaren over de reis van Congo naar Nederland. Zij weet niet met welke luchtvaartmaatschappij zij hebben gevlogen, hoe laat ze vlogen en welke taal de bemanning in het vliegtuig sprak. Ook verklaart eiseres niet hetzelfde over de kleur van het vliegtuig als haar broer. Eiseres verklaart dat zij met een rechtstreekse vlucht van Goma naar Nederland is gevlogen terwijl uit onderzoek door verweerder blijkt dat er geen enkele vlucht rechtstreeks van Goma naar Amsterdam gaat. Tot slot werpt verweerder eiseres op goede gronden tegen dat de gegevens over haar vader, te weten zijn naam, woonplaats en beroep, bij de visumaanvraag niet overeen komen met de verklaringen van eiseres terwijl de verklaringen van eiseres over haar moeder wel overeen komen met de verklaringen in het visumdossier.

9. De aanvraag is gelet op het voorgaande terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

Intrekking terugkeerbesluit

10. Bij brief van 15 februari 2021 heeft verweerder naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 14 januari 2021 in de zaak TQ, ECLI:EU:C:2021:9 (hierna: het arrest TQ) het bestreden besluit voor zover dit het terugkeerbesluit behelst, ingetrokken. Voor het overige heeft verweerder het bestreden besluit in stand gelaten. De reden voor intrekking van het terugkeerbesluit is dat het onderzoek naar adequate opvang buiten Nederland c.q. het land van terugkeer nog niet is afgerond of dat dit onderzoek nog moet plaatsvinden waardoor niet vaststaat dat voor eiseres adequate opvang buiten Nederland aanwezig is. Verweerder heeft hierbij bepaald dat de tijd die is gemoeid met het onderzoek naar adequate opvang dat verweerder op grond van dit arrest moet verrichten voordat hij aan minderjarigen een terugkeerplicht oplegt, geen rechtmatig verblijf in Nederland oplevert. Wel kan eiseres op grond van artikel 3, derde lid, onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) gedurende haar minderjarigheid gebruik blijven maken van de huidige voorzieningen. Verweerder is er bij intrekking van het terugkeerbesluit kennelijk, en zoals ter zitting namens verweerder is aangegeven abusievelijk, vanuit gegaan dat eiseres minderjarig is.

11. Eiseres heeft vanwege de intrekking van het terugkeerbesluit aanvullende beroepsgronden ingediend en betoogt, kort samengevat, dat verweerder door alleen het terugkeerbesluit in te trekken maar geen (nieuw) besluit te nemen over het verblijfsrecht, geen correcte uitvoering heeft gegeven aan het arrest TQ en daarmee het EU-recht. Volgens het Hof mag verweerder pas een terugkeerbesluit nemen als er adequate opvang is in het land van herkomst, ongeacht de leeftijd van de betreffende minderjarige. Het arrest TQ mag niet omzeild worden door alleen het terugkeerbesluit in te trekken, maar verweerder moet het beleid met betrekking tot alleenstaande minderjarige asielzoekers daadwerkelijk aanpassen, aldus eiseres. Eiseres beroept zich daarbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 februari 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:1103).

12. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet alleen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres bevat en het opleggen van een terugkeerbesluit bevatte, maar dat dit tevens strekt tot het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en gelet op paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)). In dit kader heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met humanitaire gronden, als bedoeld in artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000. Evenmin komt eiseres in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Verweerder verwijst gezien de leeftijd van eiseres naar paragraaf B8/6 van de Vc 2000. Uit verweerders brief van 15 februari 2021 waarbij het terugkeerbesluit wordt ingetrokken, maakt de rechtbank op dat verweerder het bestreden besluit waar het de te maken ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning betreft, onverkort handhaaft.

13. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest TQ onder meer heeft overwogen dat een lidstaat wanneer hij voornemens is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, in alle fasen van de procedure rekening moet houden met het belang van het kind (punt 44). Het feit dat de lidstaat een terugkeerbesluit uitvaardigt zonder zich er vooraf van te hebben overtuigd dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang is in het land van terugkeer, heeft tot gevolg dat aan die minderjarige weliswaar een terugkeerbesluit is opgelegd, maar dat hij overeenkomstig artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 niet kan worden verwijderd wanneer er in het land van terugkeer geen adequate opvang beschikbaar is (punt 52). De betrokken niet-begeleide minderjarige zou dus door een terugkeerbesluit in die situatie in grote onzekerheid komen te verkeren met betrekking tot zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven (punt 53). Een dergelijk situatie is volgens het Hof onverenigbaar met het vereiste overeenkomstig artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, van het Handvest om het belang van het kind in alle fasen van de procedure te beschermen (punt 54). Uit het voorgaande volgt dat een lidstaat, voordat hij een terugkeerbesluit vaststelt, concreet moet onderzoeken of er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Als die opvang niet aanwezig is, kan tegen die minderjarige geen terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn worden uitgevaardigd (punt 55 en 56). Het Hof heeft ook overwogen dat verweerder bij dat onderzoek geen louter op leeftijd gebaseerd onderscheid mag maken tussen niet-begeleide minderjarigen (punt 68). Het voorgaande roept de vraag op of verweerder de onder 12 weergegeven weigering om eiseres een reguliere verblijfsvergunning te verlenen nog wel kan handhaven.

14. De rechtbank komt met name gelet op voornoemde overwegingen van het Hof in de punten 53 en 54 van het arrest TQ tot de conclusie dat voorkomen moet worden dat een (minderjarige) vreemdeling in grote onzekerheid zou komen te verkeren omtrent zijn verblijfsstatus. Doordat verweerder het terugkeerbesluit heeft ingetrokken maar de afwijzing van de asielaanvraag heeft gehandhaafd, is geen sprake meer van een meeromvattende beslissing en komt eiseres juist in deze onzekerheid te verkeren. Enerzijds wordt immers besloten dat eiseres (in afwachting van een niet nader geconcretiseerd onderzoek) niet hoeft terug te keren naar haar land van herkomst, terwijl anderzijds wordt besloten dat er geen reden is om aan eiseres, die dus niet uit Nederland hoeft te vertrekken, een reguliere verblijfsvergunning te verlenen, waarbij de (mogelijke) implicaties van het arrest TQ op dit onderdeel van de besluitvorming verweerder klaarblijkelijk geen aanleiding geven om ook dit onderdeel van het bestreden besluit opnieuw te bezien. De omstandigheid dat eiseres inmiddels, en ook ten tijde van de intrekking van het terugkeerbesluit, meerderjarig is, doet er niet aan af dat eiseres, die samen met haar minderjarige broer in Nederland is, door de intrekking van het terugkeerbesluit (opnieuw) in onzekerheid komt te verkeren. Met verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 februari 2021, oordeelt de rechtbank dat verweerder zal moeten bepalen of eiseres ofwel onrechtmatig in Nederland verblijft na afwijzing van haar asielaanvraag waaruit de oplegging van een terugkeerplicht volgt, ofwel dat eiseres rechtmatig verblijf heeft na afwijzing van haar asielaanvraag. Door niet expliciet aan te geven welke consequenties de afwijzing van de asielaanvraag heeft voor eiseres en door de ambtshalve weigering van de reguliere verblijfsvergunning onverkort te handhaven ondanks (de redenen voor) intrekking van het terugkeerbesluit, is sprake van een gebrek in het bestreden besluit zoals dat luidt na intrekking van het terugkeerbesluit.

15. Om de onder 14 genoemde onzekerheid en onduidelijkheid voor eiseres zo spoedig mogelijk weg te nemen, acht de rechtbank het aangewezen een tussenuitspraak te doen op grond van artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder in de gelegenheid te stellen het onder 14 genoemde gebrek te herstellen op grond van artikel 8:51a van de Awb. Verweerder kan het gebrek herstellen door, in het licht van het arrest TQ, aan te geven welke consequenties verweerder voor eiseres verbindt aan de afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder zal daarbij een standpunt moeten innemen over de implicaties van het arrest TQ voor haar beleid, in het bijzonder wat dit betekent voor eiseres en haar broer, en kan vervolgens bijvoorbeeld bepalen dat eiseres onrechtmatig verblijf heeft in Nederland door afwijzing van haar asielaanvraag en dat zij moet terugkeren naar haar land van herkomst (waarbij dus opnieuw een terugkeerbesluit zou worden genomen dat voldoet aan de daaraan te stellen vereisten) of dat eiseres rechtmatig verblijf in Nederland verkrijgt, bijvoorbeeld door een reguliere verblijfsvergunning (om humanitaire redenen). Hoewel eiseres zelf inmiddels meerderjarig is, dient verweerder daarbij te betrekken dat zij samen met haar minderjarige broer in Nederland is en dient verweerder daarbij acht te slaan op de tussenuitspraak die de rechtbank vandaag in de zaak van haar broer doet. Ook dient verweerder daarbij te betrekken de vraag of aan eiseres en haar broer als alleenstaande minderjarige asielzoekers reeds in eerste instantie ten onrechte een reguliere verblijfsvergunning is onthouden en wat die omstandigheid betekent voor een nieuwe ambtshalve toets.

16.Om de periode van onzekerheid zo kort mogelijk te laten zijn, geeft de rechtbank verweerder voor de gelegenheid om het gebrek te herstellen een termijn van zes weken. Ingevolge artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb kan deze termijn worden verlengd, maar vanwege de wens en noodzaak van snelle duidelijkheid zal de rechtbank daarvan slechts gebruik maken indien verweerder daartoe voldoende zwaarwegende bijzondere omstandigheden aanvoert.

17. Verweerder moet bovendien op grond van artikel 8:51b, eerste lid, Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek - binnen zes weken - te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder (artikel 8:51b, derde lid, van de Awb). In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep (artikel 8:57, tweede lid, van de Awb).

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten in beroep nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    heropent het onderzoek;

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze tussenuitspraak;

  • -

    bepaalt dat eiser in de gelegenheid zal worden gesteld om nader te reageren op de aanvullende motivering c.q. besluitvorming van verweerder;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid vanmr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 april 2021.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.