Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3775

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
SGR 20/6676
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tegemoetkoming op grond van de NOW 2.0. afgewezen. De peildatum is in beginsel 15 mei 2020, maar vanwege verleend uitstel door de Belastingdienst wordt in dit geval 2 juni 2020 als peildatum aangehouden. Volgens verweerder kan gelet op het karakter van de NOW-regeling geen rekening gehouden worden gegevens van na die datum. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de lastige situatie waarin eiser op dit moment verkeert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval afgeweken moet worden van de bepalingen van de regeling in die zin dat uitgegaan moet worden van de gegevens uit de aangifte loonheffingen van 26 juni 2020. Uit het dossier blijkt dat de door de KvK gemaakte fout, namelijk het aanmerken van eisers bedrijf als ontbonden en beëindigd, met het correctiebericht van 4 maart 2020 hersteld is. Vervolgens heeft de Belastingdienst eiser op zijn verzoek tot 2 juni 2020 de gelegenheid gegeven om loonaangifte te doen over de maanden januari tot en met mei 2020. Eiser heeft echter pas op 26 juni 2020 loonaangifte gedaan. Dat eiser pas na 2 juni 2020 loonaangifte heeft gedaan acht de rechtbank gelet op de door eiser ter zitting naar voren gebrachte omstandigheden begrijpelijk, echter dit komt, hoe vervelend ook, voor rekening en risico van eiser. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat minister Koolmees meermaals, en zeer recent nog, heeft opgemerkt dat de NOW, omdat deze regeling snel tot stand is gekomen en derhalve een generiek respectievelijk karakter kent, heel weinig ruimte voor maatwerk biedt. In dit geval heeft verweerder de individuele casus van eiser nogmaals in ogenschouw genomen en geprobeerd zoveel mogelijk recht te doen aan het doel van de regeling door zich bereid te tonen van de peildatum van 15 mei 2020 af te wijken en uit te gaan van de loongegevens zoals die op 2 juni 2020 bekend waren. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de NOW 2.0 niet in de mogelijkheid om uit te gaan van de loonaangifte van 26 juni 2020. De NOW 2.0. bevat namelijk ook geen hardheidsclausule op grond waarvan afgeweken kan worden van de bepalingen van deze regeling en alsnog tot toekenning van een voorschot kan worden overgegaan. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2021-1426
Viditax (FutD), 28-04-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/6676


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.C. Haulussy),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigden: mr. M.C. Puister en M.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 2.0) afgewezen

Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij e-mail van 10 maart 2021 heeft eiser, desgevraagd, aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 6 april 2020 heeft eiser namens zijn eenmanszaak IIAM. Group (IIAM) een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 1.0) aangevraagd. Bij besluit van 14 april 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit primaire besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 8 juni 2020 ongegrond verklaard. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 19 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:13873) ongegrond verklaard.

1.2

Op 9 juli 2020 heeft eiser namens IIAM een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW 2.0 aangevraagd. Bij de aanvraag heeft hij een kopie van de bankafschriften van de ondernemersrekening van IIAM over de periode van 6 april 2020 tot en met 8 juli 2020 gevoegd. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat op de peildatum, 15 mei 2020, geen loongegevens bekend waren over maart 2020 dan wel november 2019. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. In de NOW 2.0 is geen mogelijkheid opgenomen om af te wijken van deze peildatum. Uit de door eiser in bezwaar verstrekte brief van de Belastingdienst blijkt dat eiser tot 2 juni 2020 aangifte kon doen over maart 2020. Eiser heeft echter pas op 26 juni 2020, en dus te laat, aangifte gedaan, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de rechtsvorm van zijn onderneming tot 13 oktober 2019 een vennootschap onder firma was. Na het uittreden van de andere vennoot heeft eiser bij de Kamer van Koophandel (KvK) gemeld dat hij de onderneming als eenmanszaak zou voortzetten. De KvK heeft de onderneming op 18 oktober 2019 echter ten onrechte geregistreerd als ontbonden en beëindigd. Eiser heeft dit in januari 2020 ontdekt, waarna de KvK de foutieve wijziging op 4 maart 2020 met terugwerkende kracht heeft hersteld. Als gevolg hiervan kon eiser zijn financiële verplichtingen niet nakomen en konden verweerder en de Belastingdienst de juiste gegevens van eiser niet inzien. Ook kon eiser geen loonaangifte doen. Verweerder had eiser in de gelegenheid moeten stellen om alle voor verweerder benodigde gegevens later alsnog aan te leveren. Verweerder was immers reeds op de hoogte van de fout van de KvK.

Door eiser deze gelegenheid niet te bieden en de aanvraag direct af te wijzen heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Voorts voert eiser aan dat het feit dat hij later loonaangifte heeft gedaan, omdat hij niet in het bezit was van een sectorcode, niet betekent dat hij in de periode daaraan voorafgaand geen loonkosten had. Het is buiten eisers schuld dat hij pas na de peildatum loonaangifte kon doen. Eiser betoogt dan ook dat hij recht heeft op een tegemoetkoming in de loonkosten, nu hij aan de hiervoor gestelde voorwaarden voldoet.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c, van de NOW 2.0, voor zover hier van belang, wordt de subsidieverlening geweigerd, onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, indien of voor zover geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie over de aangiftetijdvakken, bedoeld in artikel 8, tweede tot en met vierde lid.

In artikel 8, eerste lid, van de NOW 2.0 is bepaald, voor zover hier van belang, dat de hoogte van de subsidie de uitkomst is van:

A x B x 4 x 1,4 x 0,9

Hierbij staat:

A voor het percentage van de omzetdaling;

B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid.

In het tweede lid van artikel 8 van de NOW 2.0 is bepaald, voor zover hier van belang, dat voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020.

Uit het derde lid van artikel 8 van de NOW 2.0 volgt, voor zover hier van belang, dat indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoel in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019.

Ingevolge artikel 8, zevende lid, van de NOW 2.0, voor zover hier van belang, worden de in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

6.1

Tussen partijen is niet in geschil dat op de peildatum, 15 mei 2020, geen loonaangifte gedaan was over de maanden november 2019 en maart 2020. Partijen houdt verdeeld de vraag of in dit geval alsnog een tegemoetkoming kan worden toegekend, gebaseerd op de loongegevens over maart 2020 uit de aangifte loonheffingen zoals deze gedaan is op 26 juni 2020. Ter zitting heeft eiser in dit verband toegelicht dat het voor hem onmogelijk was om in de geboden termijn de door de fout van de KvK aangerichte schade te herstellen en zijn bedrijf zowel in juridisch als administratief opzicht weer op orde te krijgen. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat als eiser voor 2 juni 2020 loonaangifte had gedaan hij bereid was geweest om uit te gaan van die loongegevens. Gelet op het karakter van de NOW-regeling kan geen rekening gehouden worden gegevens van na die datum, aldus verweerder. De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt.

6.2

Uit artikel 5, aanhef en onder c, van de NOW 2.0 volgt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt als er geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie over de aangiftetijdvakken, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid van artikel 8 van de regeling. In het tweede lid van artikel 8 van de NOW 2.0 wordt uitgelegd dat uitgegaan wordt van het loon over het derde aangiftetijdvak van 2020, zijnde maart 2020. Blijkens het derde lid van artikel 8 wordt hiervan enkel afgeweken als er geen loongegevens bekend zijn over het aangiftetijdvak maart 2020. In dat geval wordt gekeken naar het aangiftetijdvak november 2019. Ten slotte volgt uit het zevende lid van artikel 8 dat de in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever beoordeeld worden op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op 15 mei 2020 hebben plaatsgevonden.

6.3

Uit bovenstaande bepalingen blijkt dat (correcties op de) loonaangifte(s) die ná
15 mei 2020 hebben plaatsgevonden niet meegenomen worden. Dit wordt in de toelichting bij het zevende lid van artikel 8 bevestigd.1 In de toelichting staat namelijk dat een peildatum, in dit geval 15 mei 2020, nodig is en dat voor de vaststelling van de hoogte van het voorschot noodzakelijk is dat kan worden uitgegaan van de loongegevens zoals deze gelden op een tijdstip gelegen voor de aankondiging van de NOW 2.0. Vanaf dat moment hebben werkgevers namelijk een financieel belang bij een zo hoog mogelijke loonsom in maart. Correctieberichten op de loonaangifte van ná 15 mei 2020 worden, ter beperking van fraude- en misbruikrisico’s, niet meer meegenomen.2 Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de lastige situatie waarin eiser op dit moment verkeert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval afgeweken moet worden van de bepalingen van de regeling in die zin dat uitgegaan moet worden van de gegevens uit de aangifte loonheffingen van 26 juni 2020. Uit het dossier blijkt dat de door de KvK gemaakte fout, namelijk het aanmerken van eisers bedrijf als ontbonden en beëindigd, met het correctiebericht van 4 maart 2020 hersteld is. Vervolgens heeft de Belastingdienst eiser op zijn verzoek tot 2 juni 2020 de gelegenheid gegeven om loonaangifte te doen over de maanden januari tot en met mei 2020. Eiser heeft echter pas op 26 juni 2020 loonaangifte gedaan. Dat eiser pas na 2 juni 2020 loonaangifte heeft gedaan acht de rechtbank gelet op de door eiser ter zitting naar voren gebrachte omstandigheden begrijpelijk, echter dit komt, hoe vervelend ook, voor rekening en risico van eiser. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat minister Koolmees (de minister) meermaals, en zeer recent nog, heeft opgemerkt dat de NOW, omdat deze regeling snel tot stand is gekomen en derhalve een generiek respectievelijk karakter kent, heel weinig ruimte voor maatwerk biedt.3 Volgens de minister brengt het verzorgen van maatwerk grote risico’s voor de hele uitvoering van de NOW met zich mee en kunnen werkgevers die van mening zijn in principe recht te hebben op de NOW bezwaar maken. In dat geval kan nader worden bekeken of binnen de NOW en de bedoeling van deze regeling maatwerk geleverd kan worden, aldus de minister.4 In dit geval heeft verweerder de individuele casus van eiser nogmaals in ogenschouw genomen en geprobeerd zoveel mogelijk recht te doen aan het doel van de regeling door zich bereid te tonen van de peildatum van 15 mei 2020 af te wijken en uit te gaan van de loongegevens zoals die op 2 juni 2020 bekend waren. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de NOW 2.0 niet in de mogelijkheid om uit te gaan van de loonaangifte van 26 juni 2020. De NOW 2.0. bevat namelijk ook geen hardheidsclausule op grond waarvan afgeweken kan worden van de bepalingen van deze regeling en alsnog tot toekenning van een voorschot kan worden overgegaan.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht en op goede gronden afgewezen, nu op 15 mei 2020 respectievelijk 2 juni 2020 geen loongegevens bekend waren over maart 2020 dan wel november 2019. Het beroep is dan ook ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Stcrt. 2020,34308, p.30.

2 Stcrt. 2020,34308, p.30.

3 Zie in dit verband de brief van minister Koolmees aan de Eerste en Tweede Kamer van 15 december 2020, Kamerstukken I, vergaderjaar 2020/2021, 35 420, AA. Zie ook de reactie van minister Koolmees van 8 maart 2021 op de naar aanleiding van voornoemde brief door de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 27 januari 2021 gestelde vragen, Kamerstukken I, vergaderjaar 2020/2021, 35 420, AH.

4 Zie Kamerstukken I, vergaderjaar 2020/2021, 35 420, AA. Zie ook de antwoorden van minister Koolmees op de kamervragen van kamerlid Tielen van 14 september 2020 ‘over signalen van bedrijven die vastlopen in de NOW-procedure, terwijl de regeling wel voor hun bedoeld lijkt te zijn’.