Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3755

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
C/09/589258 / HA ZA 20-248
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimverzekering van ondernemer (eenmanszaak) voor werknemer. Vraag of eenmanszaak na overlijden ondernemer door enig erfgenaam is voorgezet en het verzekerd belang is blijven bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/589258 / HA ZA 20-248

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

handelende onder de naam [de Eenmanszaak 1],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. van Andel te Utrecht,

tegen

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V. te Gouda,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.C. van der Salm te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Goudse genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 juli 2019;

- de akte houdende overlegging producties, met producties;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, tevens conclusie van eis in het incident, met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- het vonnis van 21 november 2019 van de kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Gouda, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van mr. Van Andel van 30 januari 2020, met producties;

- de brief van mr. Van der Salm van 31 januari 2020, met een productie;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- het vonnis van 27 februari 2020 in het incident, waarbij de zaak is verwezen naar het team handel van deze rechtbank;

- het tussenvonnis van 5 augustus 2020 van deze rechtbank, team handel, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 januari 2021, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiser] heeft hiervan gebruik gemaakt bij brief van 17 februari 2021, en De Goudse bij brief van 18 februari 2021. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de opmerkingen van partijen.

2 De feiten

2.1.

Op 5 april 2007 heeft wijlen mevrouw [A] (hierna: [A] ) de eenmanszaak [de Eenmanszaak 1] (hierna: [de Eenmanszaak 1] ), gevestigd in een boerderij aan de [adres] , opgericht en ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De echtgenoot van [A] , de heer [B sr.] (hierna: [B sr.] ) was gevolmachtigde van [de Eenmanszaak 1] .

2.2.

In het handelsregister stond [de Eenmanszaak 1] ingeschreven onder inschrijfnummer [inschrijfnummer] met de volgende activiteiten: “SBI-code […] : Overige paramedische praktijken (geen fysiotherapie en psychologie) en alternatieve genezers. Praktijk voor natuurgeneeskunde; therapieën, cursussen en lezingen”. [A] gaf yogalessen in de boerderij, die haar eigendom was. Verder verhuurde zij ruimtes in de boerderij aan onder meer een acupuncturist en kinesiologe.

2.3.

Op 1 oktober 2013 is de heer [de Klusjesman] (hierna: [de Klusjesman] ) in dienst getreden bij [de Eenmanszaak 1] , als – kort gezegd – klusjesman. De arbeidsovereenkomst is, na een verlenging, met ingang van 1 juli 2015 voor onbepaalde tijd gaan gelden.

2.4.

[de Eenmanszaak 1] heeft via haar assurantietussenpersoon [de asssurantietussenpersoon] (hierna: de assurantietussenpersoon) bij De Goudse een verzuimverzekering afgesloten, waarvan de ingangsdatum 30 april 2015 is. Deze verzekering bood dekking voor de loondoorbetalingverplichting van [de Eenmanszaak 1] , als [de Klusjesman] door ziekte zou uitvallen. Het polisblad vermeldt dat [de Eenmanszaak 1] de verzekerde werkgever is.

2.5.

Op de verzuimverzekering zijn onder meer van toepassing de algemene voorwaarden van De Goudse. Artikel 1.2 luidt als volgt:

Verzekeringnemer

De werkgever die de verzekeringsovereenkomst met de Maatschappij heeft gesloten.”

Artikel 4.2.3 van deze polisvoorwaarden luidt, voor zover nu van belang, als volgt:

4.2.3 Einde van rechtswege

De verzekering eindigt van rechtswege indien

  1. het verzekerbaar belang van de verzekeringsnemer heeft opgehouden te bestaan door bedrijfsbeëindiging. De verzekering eindigt in dat geval per de datum van de bedrijfsbeëindiging. Van de bedrijfsbeëindiging dient een bewijs van uitschrijving door de Kamer van Koophandel te worden overlegd;

  2. het verzekerbaar belang van de verzekeringnemer heeft opgehouden te bestaan, omdat het bedrijf niet langer werknemers in dienst heeft. In dat geval eindigt de verzekering per de datum van ontslag van de laatste werknemer. Hiertoe dient een bewijs van afmelding bij de UWV te worden overlegd.(…)”

2.6.

Tevens zijn van toepassing de Verzuimvoorwaarden Conventioneel. Artikel 2.1 daarvan luidt als volgt:

Strekking van de verzekering

De verzekering heeft tot doel de verzekeringnemer schadeloos te stellen voor de loondoorbetaling bij ongeschiktheid tot werken aan zijn werknemers, één en ander met inachtneming van het in deze voorwaarden en op het polisblad bepaalde.”

2.7.

Op [datum] 2016 is [A] onverwachts overleden. Haar zoon, [eiser] , was enig erfgenaam. [eiser] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.8.

De Kamer van Koophandel is via de koppeling met de Basis Registratie Persoonsgegevens (hierna: BRP) op de hoogte geraakt van het overlijden van [A] . De Kamer van Koophandel heeft vervolgens ambtshalve de inschrijving van [de Eenmanszaak 1] in het handelsregister per 14 december 2016 doorgehaald. [eiser] is hiervan per brief op de hoogte gesteld en hij is hierbij in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken tegen de beslissing tot doorhaling bezwaar in te dienen. [eiser] heeft van deze bezwaarmogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.9.

Op 7 februari 2017 heeft de heer [de accountant] (hierna: [de accountant] ), accountant van [eiser] , het formulier van de Belastingdienst “Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten” ingevuld. Bij “Gegevens overdragende (oude) werkgever” is ingevuld: “ [de Eenmanszaak 1] ” en bij “Gegevens overnemende (nieuwe) werkgever” is ingevuld “ [het Bedrijf] ”. Bij “Datum van de feitelijke overdracht van de activiteiten” is ingevuld “ [datum] -2016”.

2.10.

Op 10 februari 2017 heeft [de accountant] het formulier van de Belastingdienst “Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever” ingevuld. Hierop is als werkgever ingevuld “ [eiser] ” met de rechtsvorm “eenmanszaak”. Op de vraag “Heeft u (een deel van) de activiteiten van een andere werkgever overgenomen?” is het hokje ”ja” aangekruist.

2.11.

Vanaf 1 april 2017 is op de loonstroken van [de Klusjesman] niet meer “ [de Eenmanszaak 1] ” maar “ [het Bedrijf] ”, [adres] , vermeld als werkgever.

2.12.

[de Klusjesman] heeft zich in de periode 1 januari 2017 tot en met januari 2018 driemaal ziek gemeld. De Goudse heeft bedragen met een beloop van € 3.471,86 uitgekeerd op de bankrekening [bankrekeningnummer 1] wegens het ziekteverzuim van [de Klusjesman] in die periode.

2.13.

Bij e-mailbericht van 20 december 2017 heeft de assurantietussenpersoon aan De Goudse, voor zover nu van belang, het volgende bericht:

“Met betrekking tot bovengenoemde verzekering verzoek ik jullie vriendelijk de verzekeringnemer te wijzigen in:


[het Bedrijf]

Postadres: [postadres]

Op [datum] -2016 is de oprichter van [de Eenmanszaak 1] onverwacht overleden. De partner en zoon van de oprichter zijn eigenaar van het pand en verhuren dit pand nu.

Graag het rekeningnummer wijzigen in: [bankrekeningnummer 2] (t.n.v. [het Bedrijf] )”

2.14.

In reactie hierop heeft De Goudse per e-mail van 4 januari 2018 laten weten dat zij, om het verzoek beter te kunnen beoordelen en het risico en de gevolgen voor de dekking beter te kunnen beoordelen, aanvullende informatie nodig heeft. Hiertoe heeft De Goudse het “vragenformulier bij bedrijfswijziging” bijgevoegd.

2.15.

Het onder 2.13 bedoelde vragenformulier heeft [B sr.] op 17 januari 2018 als volgt ingevuld:

  1. Bij de vraag “Wat is er veranderd in de bedrijfssituatie?” is het hokje aangekruist “Uw bedrijfsnaam verandert” en het hokje “Er verandert iets anders, namelijk”, waarna is geschreven “hoedanigheid en rekeningnr”;

  2. Bij de vraag “Wijzigt het loonheffingsnummer?” is het hokje aangekruist “ja, het nieuwe loonheffingsnummer is”, waarna is geschreven: “ [loonheffingsnummer] ”.

  3. Op de vraag “Wijzigt de rechtsvorm van het bedrijf” is het hokje “Ja, de nieuwe rechtsvorm is anders, namelijk” aangekruist, waarna is geschreven “er is geen inschrijving KvK”;

  4. Op de vraag “Veranderen de werkzaamheden binnen het bedrijf?” is het hokje “Ja, de nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn” aangekruist, waarna is geschreven “verhuur onroerend goed”;

  5. Op de vraag “Zijn er op dit moment zieke werknemers zijn binnen uw bedrijf” is het hokje “ja, namelijk” aangekruist en is ingevuld: “Dhr. [de Klusjesman] ”

  6. Op de vraag “Verandert het werknemersbestand” is aangekruist het hokje: “Nee”

  7. Bij de regel “indien het bedrijf wordt overgenomen Het bedrijf wordt” is het hokje aangekruist “volledig overgenomen door een ander bedrijf”.

2.16.

Dit vragenformulier heeft [B sr.] bij ongedateerde brief aan De Goudse toegezonden, met de volgende toelichting:

“Via uw tussenpersoon [de asssurantietussenpersoon] heeft u vernomen dat wij onze bedrijfsnaam door omstandigheden hebben moeten wijzigen. Wij leggen u kort uit waarom dit gebeurt is.

In februari 2008 heeft mijn toenmalige echtgenote, Mw. [A] , [de Eenmanszaak 1] opgericht en is tot 2016 onder deze naam actief geweest. Door haar plotselinge overlijden op [datum] 2016, heeft mijn zoon, Dhr. [eiser] , de boerderij van mijn vrouw geërfd.

De werknemer Dhr. [de Klusjesman] van [de Eenmanszaak 1] is vanaf 1 januari 2018 niet meer in dienst bij [de Eenmanszaak 1] maar bij [het Bedrijf] . Het loonheffing nummer van deze werkzaamheden is [loonheffingsnummer] . Deze werkzaamheid is niet ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

Heeft u nog vragen of opmerkingen, dan kunt u contact opnemen met onze tussenpersoon of ondergetekende.”

2.17.

Bij e-mailbericht van 13 februari 2018 heeft de assurantietussenpersoon een loonstrook van [de Klusjesman] aan De Goudse toegestuurd.

2.18.

Bij e-mailbericht van 15 februari 2018 heeft De Goudse aan de assurantietussenpersoon het volgende bericht:

“Wij hebben dit dossier nogmaals bekeken en het volgende is hier uitgekomen:

- [de Eenmanszaak 1] is uitgeschreven uit het handelsregister per 14-12-2016.

- [het Bedrijf] heeft geen inschrijving in de Kamer van Koophandel

-het genoemde loonheffingsnummer staat op naam van [de Eenmanszaak 2] .

-wij zijn niet eerder op de hoogte gesteld van deze feiten.

Op basis van dat het bedrijf, [de Eenmanszaak 1] , is opgehouden te bestaan zijn wij genoodzaakt de verzekering door te halen per 14 december 2016. Er is dan namelijk geen verzekerd belang meer.

Wij zullen de teveel betaalde premie restitueren en de gedane uitkeringen terugvorderen.”

2.19.

Op 20 maart 2018 heeft [eiser] de eenmanszaak [de Eenmanszaak 1] , [adres] , onder nummer [nummer] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, als nevenvestiging van eenmanszaak [de Eenmanszaak 2] als hoofdvestiging. De omschrijving van de activiteiten van deze nevenvestiging is gelijk aan de omschrijving als bedoeld onder 2.2.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert – na vermeerdering/wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht verklaart dat De Goudse gehouden is verzekeringsdekking te verlenen onder de polis met nr. [polisnummer] en De Goudse veroordeelt om aan [eiser] tegen kwijting te betalen de sinds 1 februari 2018 verschuldigde uitkering als bedoeld in voornoemde polis en wel gedurende de (uitkerings-)duur van ongeschiktheid van [de Klusjesman] , te stellen op een bedrag van € 44.106;

II De Goudse veroordeelt in de kosten van deze procedure, die van de nakosten daaronder begrepen, met de bepaling dat de Goudse daarover de rente verschuldigd is indien zij niet binnen een week na datum vonnis zal hebben betaald.

3.2.

Hieraan legt [eiser] , samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. [eiser] is als erfopvolger van [A] eigenaar van [de Eenmanszaak 1] en werkgever van [de Klusjesman] geworden. Daarnaast is hij als erfopvolger rechthebbende op de handelsnaam “ [de Eenmanszaak 1] ” geworden. Behalve de yogalessen, die door [A] zelf werden gegeven, heeft [eiser] alle activiteiten van [de Eenmanszaak 1] na het overlijden van [A] voortgezet. Het verzekerd belang is dus ook op [eiser] overgegaan, waarna de verzuimverzekering door De Goudse niet (tijdig) is opgezegd. De ambtshalve uitschrijving door de Kamer van Koophandel vanwege de koppeling met het BRP brengt niet mee dat [de Eenmanszaak 1] is beëindigd. Het overlijden van een persoon brengt immers niet automatisch mee dat de eenmanszaak van die persoon eindigt. Uit het voorgaande volgt dat de verzekering, anders dan De Goudse meent, niet op grond van artikel 4.2.3 van de polisvoorwaarden van rechtswege is geëindigd. De Goudse dient daarom haar verbintenis na te komen om dekking onder de polis te verlenen voor de kosten van het ziekteverzuim van [de Klusjesman] .

3.3.

De Goudse concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De Goudse vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [eiser] veroordeelt tot betaling aan De Goudse van € 1.286,52, met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018 tot de dag van algehele voldoening;

II [eiser] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis, indien [eiser] niet voordien tot betaling is overgegaan en [eiser] veroordeelt in de nakosten.

3.6.

De Goudse legt hieraan de volgende stellingen ten grondslag. Omdat de verzekeringsovereenkomst met [de Eenmanszaak 1] per 14 december 2016 van rechtswege is geëindigd, heeft De Goudse over de periode van 1 januari 2017 tot 1 februari 2018 onverschuldigd uitkeringen met een beloop van € 3.471,86 gedaan. [eiser] heeft over de periode van 1 december 2016 tot en met 1 januari 2019 premies met een beloop van

€ 2.185,34 onverschuldigd betaald. Na verrekening van de wederzijdse vorderingen resteert een door [eiser] op grond van onverschuldigde betaling te betalen bedrag van € 1.286,52.

3.7.

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In deze zaak is aan de orde of [eiser] – in verband met het ziekteverzuim van [de Klusjesman] – nakoming kan verlangen van de door [A] , handelende onder de naam [de Eenmanszaak 1] , bij De Goudse afgesloten verzuimverzekering.

4.2.

Niet in geschil is dat door erfopvolging alle bezittingen en schulden van [A] , waaronder die van haar eenmanszaak [de Eenmanszaak 1] , onder algemene titel zijn overgegaan op [eiser] en dat laatstgenoemde door deze erfopvolging werkgever is geworden van [de Klusjesman] . Dit betekent dat de loondoorbetalingsverplichting in geval van ziekte van [de Klusjesman] op [eiser] is komen te rusten, zolang [eiser] werkgever van [de Klusjesman] is gebleven. Verder volgt uit artikel 2 Handelsnaamwet dat de handelsnaam [de Eenmanszaak 1] door erfopvolging is overgegaan op [eiser] , indien en voor zover de onderneming die onder die naam door [A] werd gedreven ook is overgegaan op [eiser] .

4.3.

In dit geval is [de Eenmanszaak 1] – zo blijkt uit het polisblad – de verzekeringnemer van wie het verzekerd belang gedekt wordt door de verzekering. De verzekeringsovereenkomst bevat geen bepalingen die de overgang van het verzekerd belang regelen. Omdat de belanghebbende van een eenmanszaak een natuurlijk persoon is en in het verzekeringsrecht hoofdregel is, dat de verzekering het verzekerd belang volgt, is in dit geval sprake van overgang door erfopvolging van het verzekerd belang naar [eiser] .

4.4.

De regeling van de overgang van het verzekerd belang van artikel 7:948 BW is in dit geval niet van toepassing, omdat geen sprake is van overdracht van de eenmanszaak maar van overgang door erfopvolging.

4.5.

In het geval dat de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is, bepaalt artikel 7:950 BW dat zijn erfgenamen en de verzekeraar binnen negen maanden nadat zij met het overlijden van de verzekeringnemer bekend zijn geworden de overeenkomst kunnen opzeggen, met inachtneming van een termijn van een maand. In dit geval is niet [A] maar [de Eenmanszaak 1] de verzekeringnemer, maar omdat dit een eenmanszaak is, moet artikel 7:950 BW daarop van overeenkomstige toepassing worden geacht, waarvan partijen ook zijn uitgegaan. De Goudse is op 20 december 2017 (zie 2.13) bekend geworden met het overlijden van [A] . Dit betekent dat De Goudse tot 20 september 2018 de overeenkomst – als deze heeft voortbestaan – heeft kunnen opzeggen.

4.6.

De Goudse stelt zich echter primair, met een beroep op artikel 4.2.3 van de polisvoorwaarden, op het standpunt dat de verzekeringsovereenkomst bij gebrek aan verzekerbaar belang per 14 december 2016 van rechtswege is geëindigd, nu [eiser] [de Eenmanszaak 1] niet heeft voorgezet (i), en [de Eenmanszaak 1] geen werknemers meer in dienst had (ii).

4.7.

Ter onderbouwing van dit verweer heeft De Goudse gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

  1. [de Eenmanszaak 1] is per 14 december 2016 ambtshalve uitgeschreven uit het handelsregister; [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid daartegen in bezwaar te komen;

  2. de assurantietussenpersoon heeft verzocht de verzekeringnemer te wijzigen in [het Bedrijf] ;

  3. de antwoorden op het vragenformulier wijzen erop dat de onderneming is overgenomen door een ander bedrijf, met andere activiteiten (verhuur van onroerend goed) dan de activiteiten die zijn vermeld onder de voormalige inschrijving van [de Eenmanszaak 1] in het handelsregister en dus de activiteiten waarvan De Goudse op de hoogte was;

  4. in de begeleidende brief bij dit vragenformulier is onder meer vermeld dat [de Klusjesman] per [datum] 2016 niet meer in dienst is bij [de Eenmanszaak 1] maar bij [het Bedrijf] ;

  5. vanaf april 2017 is op de loonstroken [het Bedrijf] als werkgever vermeld;

  6. [de accountant] heeft blijkens de onder 2.9 en 2.10 bedoelde meldingen aan de Belastingdienst meegedeeld dat [de Eenmanszaak 1] de activiteiten heeft overgedragen aan [het Bedrijf] en dat laatstgenoemde voor de loonheffingen de nieuwe werkgever is.

4.8.

Nu De Goudse gemotiveerd heeft weersproken dat het verzekerd belang bestaat, ligt het op de weg van [eiser] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan volgen dat het verzekerd belang van [de Eenmanszaak 1] op 14 december 2016 aanwezig was en is blijven bestaan.

4.9.

Op dit punt stelt [eiser] , samengevat, dat hij de activiteiten van [de Eenmanszaak 1] na het overlijden van [A] zoveel als mogelijk heeft voortgezet, op de yogalessen door [A] na. De door de assurantietussenpersoon, [B sr.] en [de accountant] verstrekte informatie is op punten feitelijk onjuist, omdat [het Bedrijf] geen bestaande entiteit is. Deze onjuiste informatie is zonder medeweten van hem verstrekt, zodat dit aan hem niet kan worden tegengeworpen. Bovendien was [B sr.] bij het invullen van het vragenformulier geen gevolmachtigde meer van [de Eenmanszaak 1] , omdat deze volmacht door het overlijden van [A] is geëindigd.

4.10.

De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser] het centrum voor natuurgeneeskunde aan de [adres] na het overlijden van [A] heeft laten voortbestaan. Daarmee staat echter niet vast dat dit centrum werd geëxploiteerd door de eenmanszaak [de Eenmanszaak 1] , die door [A] is opgericht. Het feit dat het bord met de naam “ [de Eenmanszaak 1] ” nog langs de weg stond is daarvoor niet voldoende. Zoals De Goudse terecht heeft aangevoerd, wijzen de onder 4.7 weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, erop dat [de Eenmanszaak 1] is opgehouden te bestaan. Voor zover de verhuuractiviteiten al voor het overlijden van [A] onder [de Eenmanszaak 1] vielen, zijn de activiteiten van [de Eenmanszaak 1] – waaronder naast verhuur het werkgeverschap van [de Klusjesman] – na het overlijden van [A] ondergebracht in [het Bedrijf] . In het bijzonder hecht de rechtbank hierbij gewicht aan de meldingen van [de accountant] , die [het Bedrijf] als nieuwe werkgever van [de Klusjesman] noemt. Van [de accountant] mag als accountant worden verwacht dat hij op de hoogte is van de werkelijke situatie bij [eiser] . Dat betekent dat de loondoorbetalingsverplichting is komen te rusten op [het Bedrijf] , terwijl de verzekering tot doel heeft [de Eenmanszaak 1] schadeloos te stellen voor de loondoorbetaling bij ziekte. Overigens heeft de voormalig advocaat van [eiser] , mr. [de voormalig advocaat] , eveneens het standpunt ingenomen dat [het Bedrijf] de onderneming exploiteerde, zo blijkt uit zijn brief aan De Goudse van 18 juni 2018 (productie N van [eiser] ).

4.11.

Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] nog aangevoerd dat [het Bedrijf] geen bestaande entiteit is en dat hem onbekend is waarom de naam [het Bedrijf] in meerdere documenten is terechtgekomen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Het is onaannemelijk dat de assurantietussenpersoon en accountant van [eiser] , zonder zijn medeweten, beiden de naam van dezelfde niet bestaande entiteit hebben ingevuld. Bovendien heeft ook [B sr.] deze naam doorgegeven aan De Goudse als de nieuwe werkgever van [de Klusjesman] .

4.12.

De omstandigheid dat [eiser] ruim een jaar later, op 20 maart 2018, alsnog een eenmanszaak met de naam [de Eenmanszaak 1] in het handelsregister heeft laten inschrijven (zie 2.19), leidt niet tot de conclusie dat het oorspronkelijke [de Eenmanszaak 1] is blijven bestaan of is herleefd.

4.13.

Gelet op dit een en ander heeft [eiser] zijn stelling dat het verzekerd belang bij [de Eenmanszaak 1] op 14 december 2016 bestond en is blijven bestaan met onvoldoende feiten en omstandigheden onderbouwd. Daarmee is komen vast te staan dat de verzekeringsovereenkomst per 14 december 2016 van rechtswege is geëindigd.

4.14.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

in reconventie

4.15.

De uitkomst van de zaak in conventie leidt ertoe dat De Goudse op grond van onverschuldigde betaling aanspraak kan maken op terugbetaling van de over de periode van 1 januari 2017 tot 1 februari 2018 uitgekeerde bedragen en [eiser] daartegenover aanspraak heeft op terugbetaling van de over de periode van 1 december 2016 tot en met 1 januari 2019 betaalde premies. Dit leidt ertoe dat de vordering in reconventie tot betaling van € 1.286,52 wordt toegewezen, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente, waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

de proceskosten in conventie en in reconventie

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van De Goudse in conventie op € 3.266, namelijk € 656 aan griffierecht en € 2.610 aan salaris gemachtigde/advocaat (2 punten à € 748, volgens tarief kanton en 1 punt à € 1.114, tarief IV team handel). In reconventie begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van De Goudse op € 426 aan salaris gemachtigde/advocaat (1 punt à € 187, volgens tarief kanton + ½ punt à € 478, volgens tarief I team handel). Het totaalbedrag aan proceskosten komt op

€ 3.692, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door De Goudse is gevorderd. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De rechtbank zal de nakosten begroten overeenkomstig het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

in reconventie

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan De Goudse van € 1.286,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018 tot de dag van algehele voldoening;

in conventie en in reconventie voorts

5.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de De Goudse begroot op € 3.692 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 255 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, het bedrag van

€ 3.692 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien [eiser] voormeld bedrag niet voordien heeft betaald, tot de dag van algehele voldoening;

5.4.

verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 14 april 2021.1

1 type: 1554 coll: