Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3747

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
C/09/605321 / FT RK 21/5
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks (maximale) inspanning van verzoekster zo veel mogelijk inkomsten te vergaren en te sparen voor haar schuldeisers wordt het dwangverzoek afgewezen. Uit de overgelegde schuldenlijst blijken relatief veel schulden

die ouder zijn dan vijf jaar (de gehele preferente schuldenlast en 21 van de 23 concurrente schulden) en aldus aan verjaring onderhevig kunnen zijn. Ter zitting is verklaard dat niet is onderzocht of de betreffende schuldeisers

de verjaring van hun vorderingen hebben gestuit. Het is dus niet uit te sluiten dat een aantal van de schulden rechtens niet meer afdwingbaar is. De hoogte van de schuldenlast staat hierdoor niet vast, zodat de rechtbank er niet

van kan uitgaan dat de aangeboden schuldregeling het maximaal haalbare is, dan wel dat de schuldeisers in een minnelijk schuldregelings-traject een hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in een wettelijke

schuldsaneringsregeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Burgerlijk Wetboek Boek 3 307
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/605321 / FT RK 21/5

vonnis van 15 april 2021


in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoekster,

tegen

1.Gemeente Leiden, vertegenwoordigd door Buik & Van der Horst Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te Leiden,

en

2. [X], vertegenwoordigd door Meijroos Advocaten,

gevestigd te Naaldwijk,

verweersters.

Verweersters zullen afzonderlijk van elkaar worden aangeduid als respectievelijk ‘Gemeente Leiden’ en ‘[X]’.

1 De procedure

1.1

Op 5 januari 2021 is door verzoekster tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).

1.2

Ter terechtzitting van 8 april 2021 zijn de verzoeken behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

- verzoekster,

- de heer [A] van PLANgroep,

- [B], beschermingsbewindvoerder,

- [C] namens Gemeente Leiden,

- mr. H.H.M. Meijroos namens [X].

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Volgens de overgelegde schuldenlijst heeft verzoekster een totale schuld van € 71.517,-aan 26 schuldeisers.

2.2

De vordering van Gemeente Leiden op verzoekster bedraagt € 1.350,41. Dit is 1,99% van de totale schuldenlast.

De vordering van [X] op verzoekster bedraagt € 10.166,78. Dit is 15,00% van de totale schuldenlast.

2.3

Namens verzoekster is bij brief van 10 augustus 2020 een schuldregeling aangeboden, in de vorm van een prognoseakkoord. Dit voorstel houdt in dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 4,48% en 2,24%, te reserveren in een periode van 36 maanden, tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.4

De aangeboden schuldregeling is door verweersters geweigerd en door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoekster stelt dat verweersters in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

3.2

Gemeente Leiden heeft aan haar weigering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het betreft een fraudevordering vanwege schending van de inlichtingenplicht, zodat Gemeente Leiden reeds om die reden niet instemt met de aangeboden schuldregeling. Het aanbod is summier en niet betrouwbaar gedocumenteerd, waardoor niet duidelijk is of het aanbod het maximaal haalbare is. Tot slot wil Gemeente Leiden niet dat precedentwerking ontstaat door alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

3.3

[X] heeft aan haar weigering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster is niet te goeder trouw geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schuld aan [X] en haar andere schulden. Een aantal keren is het schuldhulpverleningstraject gestart en onderbroken, maar niet is onderbouwd op welke grond(en) dit is gebeurd. De werkzaamheden van verzoekster over de afgelopen vijf jaren blijken ook niet. Vanwege deze omstandigheden en onduidelijkheden in het verzoek is door [X] geen behoorlijke afweging mogelijk. Ook worden vraagtekens gezet bij de juistheid van de schuldenlast, nu niet is gebleken dat (alsnog) aangiften inkomstenbelasting ter zake (eventuele) ambtshalve aanslagen van de Belastingdienst zijn gedaan en van stuiting van verjaring door schuldeisers waarvan in de schuldenlijst is opgegeven dat de ontstaansdatum van vóór 2016 is. Dat maakt dat niet duidelijk is of het aanbod het maximaal haalbare is. Tot slot spreekt [X] haar voorkeur uit voor een wettelijk in plaats van een minnelijk traject.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze schuldregeling leidt er toe dat de schuldeisers afstand moeten doen van een deel van hun vordering. Een verzoek om weigerende schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal alleen dan worden toegewezen als deze schuldeisers in redelijkheid de schuldregeling niet hebben kunnen weigeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen enerzijds het belang van verweersters bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoekster of van de schuldeisers die met de schuldregeling hebben ingestemd. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat verzoekster bij monde van de heer [A] ter zitting een gemotiveerde toelichting heeft gegeven op de aangeboden schuldregeling, het verloop van het minnelijk traject en blijk heeft gegeven van een (maximale) inspanning van verzoekster zo veel mogelijk inkomsten te vergaren en te sparen voor haar schuldeisers. Zij werkt thans in totaal 20 uur per week en zal binnenkort 36 uur per week gaan werken.

4.3

Het uitkeringspercentage dat schuldeisers kan worden aangeboden, is echter niet alleen afhankelijk van de hoogte van de inkomsten, maar ook van de hoogte van de schulden. Immers, uitgaande van gelijke inkomsten geldt: des te lager de schulden, des te hoger kan het uitkeringspercentage zijn. Uit de overgelegde schuldenlijst blijken relatief veel schulden die ouder zijn dan vijf jaar (de gehele preferente schuldenlast en 21 van de 23 concurrente schulden) en aldus aan verjaring onderhevig kunnen zijn. Ter zitting is verklaard dat niet is onderzocht of de betreffende schuldeisers de verjaring van hun vorderingen hebben gestuit. Het is dus niet uit te sluiten dat een aantal van de schulden rechtens niet meer afdwingbaar is. De hoogte van de schuldenlast staat hierdoor niet vast, zodat de rechtbank er niet van kan uitgaan dat de aangeboden schuldregeling het maximaal haalbare is, dan wel dat de schuldeisers in een minnelijk schuldregelings-traject een hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in een wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in een WSNP-situatie de schuldsaneringsregeling werkt ten aanzien van vorderingen die op de schuldenaar bestaan en voor verificatie in aanmerking kunnen komen. Het gaat hierbij om vorderingen waarvan in rechte nakoming moet kunnen worden afgedwongen. De mogelijkheid tot dergelijk afdwingen van de nakoming komt door verjaring te vervallen (artikel 3:307 BW). Op grond van het voorgaande en gelet op de verweren, met name van [X], zal de rechtbank het verzoek dan ook afwijzen.

4.4

Verzoekster heeft ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te handhaven, als het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt afgewezen. In het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal afzonderlijk vonnis worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2021 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Fw).