Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3740

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
C/09/607280 / JE RK 21-227
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeken tot geschilbeslechting ex artikel 1:262b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: I. C/09/607280 / JE RK 21-227, II. C/09/607343 / JE RK 21-244,

III. C/09/609705 / JE RK 21-726

Datum uitspraak: 9 april 2021

Beschikking van de Meervoudige Kamer

Verzoeken ex artikel 1:262b BW

in de zaak naar aanleiding van het op 9 februari 2021 ingekomen verzoekschrift (I) van:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum, gevestigd te Den Haag,

het op 9 februari 2021 ingekomen verzoekschrift (II) van:

[pleegouders 1] ,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Ferwerda, gevestigd te Amsterdam,

en het op 26 maart 2021 ingekomen verzoekschrift (III) van:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

met een briefadres te [woonplaats] ,

advocaat: mr. H. Asal, gevestigd te Rotterdam,

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2]

hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt in de hiervoor genoemde verzoeken als belanghebbenden aan:

de William Schrikker Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

advocaat: mr. T.I. Visser, gevestigd te Amsterdam,

[de man]

hierna te noemen: de vader,

met een briefadres te [woonplaats] ,

advocaat: mr. H. Asal, gevestigd te Rotterdam,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum, gevestigd te Den Haag,

[pleegmoeder]

hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 2] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.G. Schnoor, gevestigd te Den Haag.

De rechtbank merkt als informanten aan:

[pleegouders 2]

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Ferwerda, gevestigd te Amsterdam,

[pleegzorgwerker 1]

de pleegzorgwerker van [minderjarige 1] , namens Stichting Enver, en

[pleegzorgwerker 2]

de pleegzorgwerker van [minderjarige 2] , namens Stichting Jeugdformaat.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift (I) met bijlagen;

  • -

    het verzoekschrift (II) met bijlagen;

  • -

    de brief van 8 maart 2021 met productie 7 van de zijde van de advocaat van de pleegouders van [minderjarige 1] ;

  • -

    de brief van 23 maart 2021 van de zijde van de advocaat van de pleegmoeder van [minderjarige 2] ;

  • -

    de brief van de zijde van de gecertificeerde instelling, met bijlage, ingekomen op 23 maart 2021;

  • -

    de brief van 25 maart 2021 met productie 8 van de zijde van de advocaat van de pleegouders van [minderjarige 1] .

  • -

    .

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift (III), met bijlagen, ingekomen op 26 maart 2021;

  • -

    het deelrapport psychodiagnostisch onderzoek van het KSDC van 12 oktober 2020, van de zijde van de gecertificeerde instelling, ingekomen op 1 april 2021..

Op 26 maart 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de pleegouders van [minderjarige 1] , bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de pleegmoeder van [minderjarige 2] , bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [pleegzorgwerker 1]

  • -

    [pleegzorgwerker 2]

Feiten

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven feitelijk in twee verschillende pleeggezinnen.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij afzonderlijke beschikkingen van 26 maart 2021 de ondertoezichtstellingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 3 april 2021 tot 3 maart 2022, alsmede voor dezelfde duur machtigingen verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

Verzoeken

Verzoek I

De moeder heeft aan de rechtbank een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Namens de moeder is verzocht om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] samen te plaatsen in het pleeggezin van [minderjarige 1] . De moeder heeft dit verzoek ter zitting echter ingetrokken, omdat zij van gedachten is veranderd. De moeder wil het liefst de zorg voor haar kinderen zelf dragen. Zolang dit niet kan, vindt zij het beter dat [minderjarige 2] in het huidige pleeggezin blijft wonen. [minderjarige 1] is kwetsbaar en beschadigd en de moeder ziet tijdens de bezoeken een angstig meisje. De moeder is bang dat de problematiek van [minderjarige 1] bij een samenplaatsing invloed zal hebben op [minderjarige 2] en haar ontwikkeling. De kinderen doen het op het moment goed, ieder in hun eigen pleeggezin en de situatie moet daarom ongewijzigd blijven.

Verzoek II

De pleegouders van [minderjarige 1] hebben aan de rechtbank op grond van artikel 1:262b BW eveneens een geschil voorgelegd inzake de samenplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het verzoek is als volgt onderbouwd. De gecertificeerde instelling heeft op 7 januari 2021 het besluit genomen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet samen te plaatsen in het gezin van de pleegouders van [minderjarige 1] . De pleegouders van [minderjarige 1] kunnen zich met dit besluit niet verenigen en verzoeken de rechtbank om [minderjarige 2] bij hen te plaatsen. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de pleegouders van [minderjarige 1] zoals die door de gecertificeerde instelling is gesteld, is namens pleegouders het volgende naar voren gebracht. De pleegouders beseffen dat het verzoek eveneens betrekking heeft op de belangen van [minderjarige 2] , maar hun verzoek is ingericht vanuit het oogpunt van [minderjarige 1] . Nu [minderjarige 1] al meer dan een jaar bij de pleegouders in het gezin woont, zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Het is daarbij niet hun bedoeling geweest om een strijd te laten ontstaan. Zij willen aan [minderjarige 1] kunnen uitleggen waarom zij wel of niet samen met [minderjarige 2] zal opgroeien en hebben het besluit van de gecertificeerde instelling daarom ter toetsing aan de rechtbank voorgelegd.

De pleegouders van [minderjarige 1] zijn van mening dat het in het belang van de kinderen is om samen op te groeien. Zij hebben recht op een gezamenlijk gezinsleven, zeker nu zij niet bij hun ouders kunnen opgroeien. Dit belang dient dan ook te prevaleren boven het belang van [minderjarige 2] om in haar huidige pleeggezin te blijven. Het uitgangspunt in het internationale recht en in de Richtlijnen Pleegzorg van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) is dat broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing samen worden geplaatst, tenzij er zwaarwegende redenen bestaan om hier vanaf te zien. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het KSDC-onderzoek, de verklaring van Enver en het verslag van de psychotherapeut/GZ-psycholoog van [minderjarige 1] volgt dat er geen contra-indicaties bestaan voor een samenplaatsing. Naar verwachting van de psychotherapeut zal gescheiden opgroeien zelfs negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is in staat gebleken om zich veilig te hechten aan haar huidige pleegmoeder en de verwachting is dan ook dat zij zich zonder veel problemen ook zal kunnen hechten in het pleeggezin van [minderjarige 1] . De pleegouders van [minderjarige 1] achten zich hierbij goed in staat om de overgang gefaseerd en voorspoedig te laten verlopen.

Verzoek III

Namens de vader is ter zitting mondeling een verzoek gedaan om een geschil in de uitvoering van de ondertoezichtstelling te beslechten. Partijen hebben ingestemd met de behandeling van dit verzoek ter zitting en het verzoek is na afloop schriftelijk bevestigd.

De vader heeft het verzoek van de pleegouders van [minderjarige 1] overgenomen, dat hierbij als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Voor de onderbouwing van het verzoek wordt derhalve verwezen naar hetgeen is overwogen onder Verzoek II. Hierop is door en namens de vader aangevuld dat de mogelijkheden tot een samenplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende zijn onderzocht. De omgang tussen de ouders en de kinderen kan daarnaast eenvoudiger vorm worden gegeven wanneer de kinderen in hetzelfde gezin wonen. De voorkeur van de vader gaat hierbij uit naar een plaatsing van [minderjarige 2] in het gezin van [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] een specifieke opvoedingsbehoefte heeft en deze haar geboden wordt in haar huidige gezin.

Het standpunt van de betrokkenen

De gecertificeerde instelling heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd.

Namens en door de gecertificeerde instelling is allereerst een formeel verweer gevoerd en gesteld dat het verzoek van de pleegouders van [minderjarige 1] niet-ontvankelijk is. Zij heeft dit als volgt onderbouwd. De geschillenregeling uit artikel 1:262b BW maakt het mogelijk voor pleegouders om een geschil in de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank voor te leggen. Het verzoek moet dan echter betrekking hebben op een kind dat de pleegouders in hun gezin verzorgen en opvoeden. Het verzoek van de pleegouders van [minderjarige 1] gaat echter over de overplaatsing van [minderjarige 2] naar het pleeggezin van [minderjarige 1] . De pleegouders van [minderjarige 1] kunnen ten aanzien van [minderjarige 2] dan ook geen verzoek doen en zij dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de overige zaken kunnen zij ook niet als belanghebbende worden aangemerkt.

Als inhoudelijk verweer is door de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat broertjes en zusjes in beginsel inderdaad samen moeten worden geplaatst. Het belang van [minderjarige 2] leidt er echter toe dat er in dit geval anders moet worden beslist. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nooit in één gezin samengewoond en verblijven al respectievelijk twee en één jaar in hun huidige pleeggezin. Ze doen het goed in deze gezinnen en zijn er gehecht. Er bestaat geen noodzaak om een wisseling van gezin plaats te laten vinden en dit zou bovendien risico’s met zich brengen voor de gezonde ontwikkeling van [minderjarige 2] . Een overplaatsing zou voor [minderjarige 2] leiden tot een hechtingsbreuk met haar primaire hechtingsfiguur. Daarnaast vraagt [minderjarige 1] door haar problematiek een bovengemiddelde en specifieke opvoeding en het is de vraag of een plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin van [minderjarige 1] voor [minderjarige 1] goed zal verlopen. De beide pleeggezinnen geven aan dat zij een band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg belangrijk vinden en zij zijn bereid om hieraan actief te werken, ook als de kinderen in verschillende gezinnen geplaatst blijven. Een samenplaatsing is dan ook niet noodzakelijk voor het opbouwen van een zusjesband. De door de pleegouders van [minderjarige 1] overgelegde producties zijn tot slot opgesteld zonder dat de betrokkenen [minderjarige 2] ooit hebben gezien en deze dienen derhalve buiten beschouwing te worden gelaten. Gelet op het voorgaande verzoekt de gecertificeerde instelling om de verzoeken af te wijzen. Mocht de rechtbank toch besluiten tot een samenplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , dan zal in ieder geval ook bekeken moeten worden of een plaatsing van de kinderen bij de pleegouders van [minderjarige 1] wel in het belang is van de kinderen, nu zij vooral vanuit het perspectief van [minderjarige 1] lijken te handelen en de belangen van [minderjarige 2] daarbij uit het oog verloren lijken te worden. De huidige situatie leidt tot strijd en spanningen en dat is onwenselijk.

De pleegmoeder van [minderjarige 2] heeft, mede bij monde van haar advocaat, eveneens verweer gevoerd. Een verandering van pleeggezin is niet in het belang van [minderjarige 2] . Toen zij bij de pleegmoeder werd geplaatst, heeft ze lang moeten wennen en ze was in het begin erg angstig. Inmiddels is ze echter goed gehecht en ze laat een groei zien in haar gedrag. Ze durft inmiddels steeds meer de wereld te ontdekken in de nabijheid van de pleegmoeder. Een derde overplaatsing naar weer een nieuw gezin zal voor [minderjarige 2] leiden tot een onnodige breuk in haar hechting. Dit kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor haar ontwikkeling. Er wordt met name gesproken over het belang van [minderjarige 1] om samen met [minderjarige 2] op te groeien, maar [minderjarige 2] moet daarvan niet de dupe worden. Een goed contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is belangrijk, maar dit doel kan ook worden bereikt zonder dat ze in hetzelfde gezin wonen.

[pleegzorgwerker 1] heeft ter zitting naar voren gebracht dat het advies van Enver geschreven is vanuit de ervaringen en kennis die zij hebben met pleegzorg en hechting, maar dat zij [minderjarige 2] nooit gezien hebben.

[pleegzorgwerker 2] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij ziet dat [minderjarige 2] goed gehecht is in huidige pleeggezin. Ze voelt zich op haar gemak bij de pleegmoeder, maar bij plotselinge gebeurtenissen kan ze ineens heel angstig worden. Een overplaatsing zal voor haar traumatisch zijn en een hechtingsbreuk opleveren.

Beoordeling

Verzoek I

Blijkens de verklaring van de moeder ter zitting handhaaft zij het eerder ingediende verzoek niet. De rechtbank constateert derhalve dat zij in de onderhavige zaak geen beslissing meer hoeft te nemen.

Verzoek II

De geschillenbeslechting uit artikel 1:262b BW op verzoek van de pleegouder(s) ziet op een geschil dat is ontstaan in de uitvoering van de ondertoezichtstelling ten aanzien van een kind dat gedurende meer één jaar in een gezin wordt verzorgd en opgevoerd. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de pleegouders van [minderjarige 1] feitelijk ziet op een overplaatsing van [minderjarige 2] naar het gezin van de pleegouders en niet op een geschil inzake [minderjarige 1] . Hoewel de pleegouders van [minderjarige 1] indirect betrokken zijn bij [minderjarige 2] door de aanwezigheid van [minderjarige 1] in hun gezin, kunnen zij wettelijk gezien niet op deze wijze opkomen voor de belangen van [minderjarige 2] . De rechtbank is in tegenstelling tot de pleegouders van [minderjarige 1] van oordeel dat de reikwijdte van de geschillenregeling ook niet zover strekt dat er een recht ontstaat om in het belang van het wel bij de pleegouders geplaatste kind een verzoek ten aanzien van een niet in het gezin geplaatste gezin te doen, zoals hier het geval is.

De rechtbank verklaart de pleegouders van [minderjarige 1] dan ook niet-ontvankelijk en komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van hun verzoek.

Ten aanzien van het thans nog voorliggende verzoek tot geschillenbeslechting van de vader, kunnen de pleegouders van [minderjarige 1] niet aangemerkt worden als belanghebbenden. Het verzoek heeft, gelet op het voorgaande, geen rechtstreekse betrekking op hun rechten en plichten, als bedoeld in artikel 798 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank merkt hen op grond van artikel 800 lid 2 Rv wel aan als personen wier verklaring bij de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, nu zij door de vader als beoogd pleeggezin worden gezien.

Verzoek III

De rechtbank heeft in het verzoek van de vader een vergelijk beproeft, maar stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is. Zij acht de volgende beslissing het meest in het belang van zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] .

In het algemeen kan worden gesteld dat bij een uithuisplaatsing het uitgangspunt is dat broertjes en zusjes zoveel mogelijk op dezelfde plek worden geplaatst. Dit volgt uit de Richtlijnen Pleegzorg van het NJI, maar ook uit de jurisprudentie bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de (richtlijnen bij) het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Er is slechts ruimte om van dit uitgangspunt af te wijken, wanneer het belang van één van de kinderen zich tegen een samenplaatsing verzet. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de stukken en het ter zitting besprokene blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat een plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin van [minderjarige 1] niet in haar belang is. [minderjarige 2] heeft een stabiele, veilige en perspectiefbiedende plek heeft in haar huidige pleeggezin. Zij verblijft hier inmiddels ruim een jaar en de aanvaardbare termijn om over te gaan tot weer een nieuwe plaatsing is wat de rechtbank betreft verstreken. Zij is veilig gehecht in haar huidige pleeggezin en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat, ondanks de onveiligheid die zij aan het begin van haar leven heeft gekend. Een overplaatsing van [minderjarige 2] zou voor haar een breuk in haar hechtingsrelatie en ontwikkeling betekenen. Dit is onwenselijk en kan tot een belemmering van haar ontwikkeling en ernstige problematiek leiden. Daarnaast ontwikkelt ook [minderjarige 1] zich op dit moment goed in haar pleeggezin en zij laat een voorzichtig herstel zien in haar ontwikkeling, ondanks de verwaarlozing en onveiligheid die zij heeft meegemaakt. Een overplaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin van [minderjarige 1] is dan ook niet zonder risico’s voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en kan dan ook niet zonder meer in haar belang worden geacht. Het is onder de gegeven omstandigheden – en met name de situatie dat beide kinderen zich in hun eigen pleeggezinnen zeer goed ontwikkelen – dan ook onwenselijk en onnodig om risico’s te nemen met zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] , temeer nu de gewenste overplaatsing in elk geval voor [minderjarige 2] tot een hechtingsbreuk – en dus schade – zou leiden. Dat [minderjarige 1] eventueel gebaat zou kunnen zijn bij een plaatsing van [minderjarige 2] in haar gezin, doet aan het voorgaande niet af. Dit geldt temeer nu het onzeker is of een plaatsing van [minderjarige 2] voor [minderjarige 1] goed zou verlopen, gelet op de bovengemiddelde opvoedvraag en problematiek van [minderjarige 1] . Deze zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] waren ook bij de eerste uithuisplaatsing van [minderjarige 2] aanleiding om haar in een ander pleeggezin te plaatsen. Tot slot is van belang dat ook zonder een samenplaatsing de door alle betrokkenen gewenste zusjesband opgebouwd kan worden. De ouders en beide pleeggezinnen staan hierachter en geven aan hieraan actief te willen bijdragen. Dat, zoals de vader heeft gesteld, de omgang tussen de ouders en de kinderen eenvoudiger kan worden gerealiseerd als de kinderen in één pleeggezin verblijven, weegt – wat daar verder ook van zij – niet op tegen de belangen van de kinderen om hun veilige en bekende opvoedomgeving en hechtingsfiguren te behouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zowel het belang van [minderjarige 2] als het belang van [minderjarige 1] zich verzetten tegen een plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin van [minderjarige 1] en zij zal het verzoek hiertoe afwijzen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt ten aanzien van het verzoek (I) met zaaknummer C/09/607290 / JE RK 21-227 vast dat er niets meer te beslissen valt;

- verklaart de pleegouders van [minderjarige 1] niet-ontvankelijk in het verzoek (II) met zaaknummer C/09/607343 / JE RK 21-244;

- wijst af het verzoek (III) met zaaknummer C/09/609705 / JE RK 21-726 om [minderjarige 2] te plaatsen bij de pleegouders van [minderjarige 1] ;

- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021 door mr. C.F. Mewe, mr. B. Martinez-Hammer en mr. J.C. Sluymer, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 april 2021.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.