Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3707

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/2703
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schijnhuwelijk – aanvraag afgifte verblijfsdocument beperkt tot partner – verblijf bij kinderen in andere procedure – beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2703

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. E. Köse,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berkel.

Procesverloop

Op 3 mei 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER (bewijs van rechtmatig verblijf).

Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021 in Dordrecht. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en bezit de Albanese nationaliteit. Hij heeft zijn aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, op 3 mei 2019 ingediend. Hij heeft zijn aanvraag ingediend voor verblijf bij

[naam] (referente), die in het bezit is van de Griekse nationaliteit en gemeenschapsonderdaan is. Referente heeft twee dochters met de Griekse nationaliteit. Eiser is op 9 april 2019 in Griekenland met referente in het huwelijk getreden.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat er diverse indicaties zijn die duiden op een schijnhuwelijk. Dat huwelijk is aangegaan met als enig doel het in de richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop eiser anders geen aanspraak zou hebben kunnen maken. Eiser en referente hebben informatie over elkaar, die zij op essentiële onderdelen van hun huwelijkse relatie pretenderen te weten, veelvuldig tegenstrijdig, vaag en ongeloofwaardig weergegeven. De aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw is daarom afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het hebben van twee kinderen het bestaan van een schijnrelatie niet uitsluit. Er zijn geen aanknopingspunten dat eiser en referente door de lengte van het gehoor onvoldoende in staat waren tot het afleggen van adequate verklaringen. Voor zover eiser in aanmerking wil komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij de twee kinderen van referente, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag indienen. Van het horen in de bezwaarprocedure is afgezien, omdat uit de beoordeling direct blijkt dat het bezwaar ongegrond is.

4. Niet in geschil is dat de Verblijfsrichtlijn van toepassing is op de aanvraag van eiser. Volgens artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om een in deze richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en onderworpen aan de procedurele waarborgen van de artikelen 30 en 31 van de Verblijfsrichtlijn. Een schijnhuwelijk is in overweging 28 van de Verblijfsrichtlijn omschreven als een huwelijk dat is aangegaan met als enig doel het recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. In paragraaf 4.2. van de mededeling van de Europese Commissie betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Verblijfsrichtlijn (COM(2009) 313, de Richtsnoeren) is een nadere uitleg gegeven aan het begrip ‘schijnhuwelijk’ in de Verblijfsrichtlijn. Artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Volgens artikel 8.25 van het Vb kan het rechtmatig verblijf worden ontzegd, dan wel worden beëindigd, in geval van rechtsmisbruik of indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een schijnhuwelijk in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Eiser licht dat als volgt toe.

5.1.

Hij heeft ook kinderen die EU-onderdaan zijn. Op die grond kan hij al aanspraak maken op het verblijfsrecht, zodat een (schijn)huwelijk met referente daarvoor niet nodig is. Daarmee is het dus ook aannemelijk dat hij geen huwelijk is aangegaan louter met als doel een verblijfstitel te verkrijgen. Verweerder houdt daarom bij het bestreden besluit ten onrechte vast aan het standpunt dat er sprake zou zijn van een schijnhuwelijk door te verwijzen naar tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met de belangen van zijn minderjarige kinderen. Bij twijfel had verweerder hem en zijn gezin (nogmaals) moeten horen. Omdat van het horen van hem en zijn gezin is afgezien, heeft verweerder in strijd met de hoorplicht gehandeld, aldus eiser.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiser en referente sprake is van een schijnhuwelijk in de zin van de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank licht dat als volgt toe.

Eiser heeft de door verweerder tegengeworpen indicatoren die volgens de Richtsnoeren op een schijnhuwelijk duiden niet betwist. Ook heeft eiser niet betwist dat hij en referente over hun huwelijkse relatie veelvuldig tegenstrijdige, vage en ongeloofwaardige verklaringen hebben afgelegd. De enkele stelling dat het om details gaat en niet om essentiële onderdelen volgt de rechtbank niet. De door verweerder tegengeworpen verklaringen gaan immers over het samenwonen, het huwelijk, de zwangerschap en het werk van referente.

Eiser heeft een proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagneming op 18 november 2020 overgelegd. Daarin is vermeld dat eiser, referente en de twee kinderen zich op dat moment in het pand bevonden. Dat gegeven maakt echter niet alsnog aannemelijk dat er geen sprake is van een schijnhuwelijk. Dat eiser de twee kinderen als zijn kinderen heeft erkend, waardoor eiser (ten minste) hun juridische vader zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar is de mogelijkheid dat eiser zelf zonder problemen een verblijfsrecht zou kunnen krijgen volgens paragraaf 4.2. van de Richtsnoeren een indicatie die doet vermoeden dat er waarschijnlijk geen misbruik is gemaakt van communautaire rechten, maar eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze indicatie vanwege de kinderen op hem van toepassing is. Verweerder heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd dat er de nodige vragen zijn over eisers daadwerkelijke relatie met de kinderen. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij de kinderen pas rondom de indiening van zijn aanvraag heeft erkend, nu het eerste kind al in 2016 en het tweede kind in 2018 is geboren. Ook blijkt uit het door eiser overgelegde uittreksel uit de Basisregistratie personen van 19 februari 2020 niet dat de kinderen de achternaam van eiser hebben gekregen, zoals eiser wel heeft beweerd. Uit dit uittreksel blijkt dat de kinderen de achternaam van referente dragen.

Het beroep op de belangen van de kinderen – dat de rechtbank gelet op artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opvat als een beroep op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) – leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Eiser heeft een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vw voor verblijf bij referente ingediend. Deze aanvraag heeft geen verdere strekking dan het bevestigen van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Gelet op deze strekking en dat eiser alleen verblijf bij referente heeft gevraagd, kan de beoordeling van een beroep op artikel 3 van het IVRK, artikel 24 van het Handvest en artikel 8 van het EVRM niet leiden tot afgifte van het gevraagde document (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8254). Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser, als hij in aanmerking wil komen voor verblijf bij de twee kinderen, een hiertoe strekkende aanvraag bij verweerder kan indienen. Eiser heeft inmiddels een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw ingediend voor verblijf bij minderjarig kind, waarvoor een afzonderlijke procedure bij verweerder loopt.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat, gezien de motivering van het primaire besluit en wat in bezwaar door eiser was aangevoerd, er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft daarom terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afgezien.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 april 2021.

De griffier is buiten staat. De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.