Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3700

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
C/09/584866 / HA ZA 19-1258
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Administratie van een VVE blijkt na vertrek enig bestuurder, tevens adminstrateur van de VVE, een puinhoop. Onjuiste betalingen en oninbare vorderingen, schade voor VVE. Aansprakelijkheid als bestuurder en als administrateur. Toewijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/584866 / HA ZA 19-1258

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

[de VVE] , te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. F.B. Kloppenburg te Leiden,

tegen

[gedaagde] , te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.C. Blok te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna de VvE en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 november 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 26 augustus 2020, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 10 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is in overleg met partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken aan de rechtbank. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De VvE is opgericht op 9 september 2004 en beheert de gemeenschap van de appartementsrechten van een bedrijventerrein in [plaats 1] .

2.2.

[gedaagde] , althans zijn onderneming, was lid van de VvE. Hij heeft vanaf enig moment voor de VvE de administratie verzorgd. [gedaagde] heeft een boekhoudkundige achtergrond.

2.3.

Per 1 januari 2015 is [gedaagde] enig bestuurder van de VvE geworden. Hij is vanaf dat moment de administratie van de VvE blijven verzorgen. [gedaagde] heeft tot 1 januari 2017 als bestuurder van de VvE ingeschreven gestaan. Nadien heeft hij geen administratieve werkzaamheden voor de VvE meer verricht.

2.4.

Per 1 januari 2017 heeft de VvE het bedrijf [B.V. I] (hierna: [B.V. I] ) aangesteld als enig bestuurder en beheerder van de VvE. [B.V. I] heeft vervolgens geconstateerd dat de administratie van de VvE niet op orde was. In juni 2017 heeft daarover een gesprek plaatsgevonden tussen [B.V. I] en [gedaagde] . Vervolgens is tussen de VvE en [gedaagde] een conflict ontstaan over ontbrekende administratie.

2.5.

In 2017 heeft de VvE tegen [gedaagde] bij de kantonrechter in deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt, met als insteek het verkrijgen van ontbrekende administratie van de VvE. Ter gelegenheid van de op 8 januari 2018 gehouden comparitie van partijen is tussen de VvE en [gedaagde] de volgende vaststellingsovereenkomst gesloten en vastgelegd in een proces-verbaal:

“(…)

  • -

    Partij [gedaagde] zal binnen twee weken na heden aan [de bestuurder] , bestuurder van de VvE, de volgende stukken afgeven:

  • -

    inkooporders over 2009 t/m 2014;

  • -

    verkooporders over 2009 t/m 2016 (…);

  • -

    btw-administratie over 2009 t/m 2016;

  • -

    afrekeningen energiekosten, voorzien van een onderbouwing van de kosten en de meterstanden over de periode 2009 t/m 2016;

  • -

    bankafschriften over 2009 t/m 2016;

  • -

    specificatie van het debiteurensaldo 1 januari 2009;

  • -

    herziene jaarrekening over 2014.

- Mocht [gedaagde] na afloop van de voornoemde termijn met de afgifte van de stukken in gebreke zijn, dan verbeurt [gedaagde] een dwangsom van € 250,-- per dag met een maximum van € 10.000,--

- Partij [gedaagde] betaalt aan partij VvE een bedrag van € 3.000,-- (betreffende de financiële administratie 2015/2016) in drie maandelijkse termijnen van € 1.000,-- met ingang van 1 februari 2018.

- Partijen dragen ieder de eigen kosten.

- De procedure eindigt door deze vaststellingsovereenkomst.

(…)”

2.6.

[gedaagde] heeft het in de vaststellingsovereenkomst vermelde bedrag van € 3.000 aan de VvE betaald. De VvE heeft de gevorderde administratie uiteindelijk door tussenkomst van de een deurwaarder van [gedaagde] ontvangen. [gedaagde] heeft in verband daarmee de dwangsommen tot het maximum van € 10.000 verbeurd.

2.7.

Op enig moment in het eerste kwartaal van 2018 heeft de VvE aan [B.V. I] opdracht gegeven om de boekhouding over de boekjaren 2014, 2015, 2016 en 2017 te reconstrueren. Daarbij is een honorarium overeengekomen van € 2.000 per gereconstrueerd boekjaar. Op 20 juli 2018 heeft [B.V. I] de VvE een totaalbedrag van € 9.948,77 (inclusief btw) voor de reconstructiewerkzaamheden in rekening gebracht.

2.8.

Bij brief van 20 juni 2019 heeft incassokantoor B&D Juristen [gedaagde] namens de VvE aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het overschrijden door [gedaagde] van een zorgvuldigheidsnorm bij zijn bestuurstaken en hem gesommeerd om binnen 15 dagen € 34.840,82 te betalen. De brief vermeldt onder meer:

“De gevorderde stukken bleken dermate onvolledig, dat [B.V. I] de stukken heeft moeten reconstrueren. Na grondige bestudering en reconstructie van de administratie c.q. stukken bleken er veel posten te zijn die onterecht zijn betaald of niet (tijdig) zijn verhaald bij debiteuren. De VvE houdt u aansprakelijk voor deze kosten. Deze kosten bedragen € 9.067,61 (…) en € 15.788,44 (…). De beheerder heeft veel tijd besteed aan het onderzoeken en het reconstrueren van de administratie. De kosten hiervan bedragen ad € 9.984,77 (…).”

2.9.

Bij brief van 9 augustus 2019 heeft DAS Rechtsbijstand namens de VvE bij [gedaagde] aangedrongen op betaling van voornoemd bedrag van € 34.840,82 en een termijnbetaling van € 2.177,55 euro in 16 maandelijkse termijnen voorgesteld.

2.10.

In een e-mail van 25 september 2019 aan DAS Rechtsbijstand heeft [gedaagde] gereageerd op het betalingsverzoek. Hij heeft hieraan evenwel geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

VvE vordert, zakelijk weergeven, dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door VvE geleden schade en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 34.840,82, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

De VvE legt aan haar vordering het volgende ten grondslag, zakelijk weergegeven. [gedaagde] is ernstig tekortgeschoten in zijn administratieve taken voor de VvE, zowel vóór als tijdens zijn bestuurdersschap. Na lang aandringen, een procedure bij de kantonrechter en door tussenkomst van een deurwaarder heeft de VvE uiteindelijk ontbrekende administratie van [gedaagde] overhandigd gekregen. Daaruit bleek dat er veel posten waren die onterecht door [gedaagde] zijn betaald (€ 9.067,61) of niet tijdig zijn verhaald bij debiteuren (€ 15.788,44). Door de onvolkomenheden in de door [gedaagde] gevoerde adminstratie was zelfs een kostbare (€ 9.984,77) boekhoudkundige reconstructie door [B.V. I] noodzakelijk.

Van al deze onzorgvuldigheden en nalatigheden kan [gedaagde] , mede gezien zijn boekhoudkundige achtergrond, een ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor het totale schadebedrag van € 34.840,82.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

het beoordelingskader

4.1.

Voor de periode dat [gedaagde] bestuurder van de VvE was, tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2017, stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 2:9 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is elke bestuurder jegens de door hem bestuurde rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van het artikel is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kan worden (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 […] ). Of sprake is van een ernstig verwijt moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

4.2.

Voor de periode tot 1 januari 2015 waarin [gedaagde] nog geen bestuurder was maar wel de administratie van de VvE verzorgde, geldt het volgende. De VvE heeft onvoldoende weersproken gesteld dat [gedaagde] sinds of kort na de oprichting van de VvE in 2004 de administratie is gaan verzorgen. Omdat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de administratie van de VvE verzorgde op basis van een met hem gesloten overeenkomst van opdracht, dient zijn mogelijke aansprakelijkheid voor die periode te worden beoordeeld volgens het leerstuk van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Of [gedaagde] volgens dat leerstuk onrechtmatig handelen kan worden verweten hangt af van het antwoord op de vraag of hij in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld die hij jegens de VvE in acht had te nemen, waarbij (ook hier) de omstandigheden van het geval bepalend zijn. De rechtbank kent in dit geval betekenis toe aan het gegeven dat [gedaagde] een boekhoudkundige achtergrond heeft en dat hij een voor de VvE essentiële taak op zich had genomen. Dit brengt mee dat [gedaagde] jegens de VvE de zorgvuldigheid in acht had te nemen die in het maatschappelijk verkeer van een deskundig administrateur, tevens lid, mag worden verwacht. Daarbij past in elk geval dat [gedaagde] zijn taak met voldoende aandacht en nauwgezetheid zou vervullen.

aansprakelijkheid van [gedaagde]

4.3.

De VvE houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van onbehoorlijk bestuur respectievelijk onrechtmatig handelen heeft geleden. In de kern verwijt zij [gedaagde] dat hij bij het voeren van de administratie onterechte betalingen heeft verricht en nalatig is geweest bij de incasso van vorderingen op VvE-leden. De VvE meent dat zij hierdoor voor een bedrag van (€ 9.067,61 + € 15.788,44 =) € 24.856,05 is benadeeld en dat zij daarnaast voor € 9.984,77 aan kosten heeft moeten maken om de boekhouding weer op orde te krijgen.

4.4.

De eerste schadepost van € 9.067,61 houdt volgens de VvE in de eerste plaats verband met het niet-opzeggen van een liftonderhoudscontract met AML Liften. Ter zitting heeft de VvE toegelicht dat het gaat om een totaalbedrag van € 2.612,79 aan doorlopende kosten over de jaren 2014 tot en met 2017. Ook ziet de eerste schadepost volgens de VvE op onverschuldigde betalingen aan de firma Mastergarden en ACCS, verschuldigde incassokosten in verband met betalingsachterstanden bij crediteuren (met name energieleveranciers) en oninbaar geworden vorderingen op VvE-leden. [gedaagde] ontkent niet dat de schadepost het gevolg is van onzorgvuldigheden en nalatigheden aan zijn kant bij het voeren van de administratie voor en tijdens zijn bestuurstijd. [gedaagde] heeft de hoogte van de schadepost evenmin bestreden. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat niet hij, maar een ander VvE-lid (de heer [VvE-lid 1] ) was belast met het opzeggen van het liftcontract met AML Liften, kan dit hem niet baten. Die – door de VvE bij gebrek aan wetenschap betwiste – omstandigheid ontsloeg hem immers niet van zijn zorgplicht als administrateur en later als bestuurder om erop toe te zien dat het liftcontract, ter voorkoming van onnodige kosten voor de VvE, was opgezegd. [gedaagde] spreekt niet tegen dat hij ook in dat opzicht nalatig is geweest.

4.5.

De VvE stelt dat de tweede schadepost van € 15.788,44 betrekking heeft op VvE-bijdragen en kosten voor gas, water en elektriciteit ten aanzien van drie VvE-leden ( [VvE-lid 2] , [VvE-lid 3] en [VvE-lid 4] ). Volgens de VvE heeft [gedaagde] verzuimd om die bijdragen en kosten tijdig bij die leden te innen, waardoor de desbetreffende vorderingen zijn verjaard. De VvE heeft dit deel van het gevorderde onderbouwd met stukken en ter zitting nader toegelicht. De rechtbank leidt uit die stukken en toelichting af dat de vorderingen grotendeels in 2009 zijn ontstaan en in 2014 zijn verjaard. Het overige deel van de vorderingen is in 2013 ontstaan en in 2018 verjaard, dus na het einde van het bestuurderschap van [gedaagde] en diens administratieve werkzaamheden (per 1 januari 2017).

4.6.

[gedaagde] beweert dat hij aanmaningen heeft gestuurd aan de drie VvE-leden, maar hiervan is in het dossier niets gebleken. Brieven, e-mails of andere stukken die concrete aanwijzingen bevatten dat de verjaring is gestuit, ontbreken. Desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting geen bevredigende nadere toelichting kunnen verschaffen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn betwisting van de gestelde verjaring daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat [gedaagde] ter zitting met zoveel woorden heeft toegegeven dat het debiteurenbeheer onder zijn administrateurschap niet goed is gegaan. De rechtbank houdt het daarom voor juist dat de desbetreffende vorderingen op de drie VvE-leden als gevolg van nalatigheid bij [gedaagde] zijn verjaard en dat de VvE hierdoor voor € 15.788,44 is benadeeld. Het gegeven dat de vorderingen deels na het vertrek van [gedaagde] zijn verjaard, ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid daarvoor. De VvE heeft voldoende toegelicht dat zij door de weigerachtige houding van [gedaagde] ten aanzien van het verstrekken van ontbrekende administratie (zie 2.4 t/m 2.6) en de gebrekkige staat van de aangeleverde administratie pas in de loop van 2018 inzicht heeft kunnen krijgen in haar crediteuren- en debiteurenpositie, waardoor in sommige gevallen de vorderingen als gevolg van verjaring niet meer konden worden geïnd. [gedaagde] bestrijdt dat overigens ook niet.

4.7.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat [gedaagde] zijn taken als administrateur en als bestuurder van de VvE in hoge mate heeft veronachtzaamd. Zijn optreden in beide hoedanigheden kenmerkte zich door structurele nalatigheden en grove onnauwkeurigheden in de financiële huishouding. [gedaagde] wist, of moest met zijn boekhoudkundige achtergrond als geen ander vermoeden dat die de VvE financieel aanzienlijk zouden benadelen. Na de beëindiging van zijn administratieve werkzaamheden per 1 januari 2017 is hij lange tijd onwillig gebleken om de VvE in staat te stellen de administratie op orde te krijgen. De handelwijze van [gedaagde] als administrateur moet daarom in de gegeven omstandigheden als uiterst onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW worden aangemerkt. Voor de periode dat [gedaagde] enig bestuurder van de VvE was, geldt dat al deze nalatigheden en onnauwkeurigheden zonder meer in strijd zijn met een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen bestuurstaak. Met de VvE is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze uitkomst leidt ertoe dat [gedaagde] is gehouden de twee hiervoor genoemde schadeposten voor een totaalbedrag van € 24.856,05 aan de VvE te vergoeden.

4.8.

Ook het aan [B.V. I] betaalde bedrag van € 9.984,77 voor de reconstructie van de boekjaren 2014 tot en met 2017 kan de VvE op [gedaagde] verhalen, op grond van artikel 6:96 BW. Het gaat hier om redelijke kosten ter beperking en vaststelling van schade (6:96 lid 2 aanhef en onder a en b BW). Gelet op de onvolledige en niet-inzichtelijke administratie die de VvE van [gedaagde] had ontvangen en (dientengevolge) op de mogelijke schadeomvang, was het redelijk dat de VvE een gespecialiseerd bedrijf heeft ingeschakeld om van de aangetroffen administratieve puinhoop een deugdelijke boekhouding te kunnen maken. [gedaagde] heeft, mede in het licht van het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd betwist dat causaal verband tussen deze derde schadepost en zijn onzorgvuldigheden en nalatigheden bestaat. [gedaagde] zal daarom ook deze kosten, waarvan ook de omvang redelijk wordt geacht, aan de VvE dienen te betalen.

4.9.

De rechtbank gaat niet mee in het betoog van [gedaagde] dat hij de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst van 8 januari 2018 en de door hem verbeurde maximale dwangsommen zo heeft mogen opvatten dat hij van mogelijke (bestuurders-) aansprakelijkheden jegens de VvE zou zijn gevrijwaard. Voor dit betoog kan geen enkele steun worden gevonden in de tekst van de vaststellingsovereenkomst; uit niets blijkt dat de VvE in de vaststellingsovereenkomst heeft afgezien van mogelijke aanspraken jegens [gedaagde] die voortvloeien uit een gebrekkig gevoerde administratie. [gedaagde] miskent met zijn stellingname voorts dat de kantonprocedure die heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst alleen zag op het verkrijgen van ontbrekende stukken uit de administratie van de VvE. Op dat moment had zij haar administratie (waarvan een belangrijk deel dus ontbrak) nog niet ten volle kunnen onderzoeken en was zij ook nog niet bekend met de aard en omvang van de onzorgvuldigheden en nalatigheden van [gedaagde] . Het desbetreffende verweer van [gedaagde] faalt dus.

4.10.

De slotsom is dat de vordering tot betaling van (in totaal) € 34.840,82 zal worden toegewezen. Bij toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht heeft de VvE geen afzonderlijk belang meer, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Wettelijke rente en proceskosten

4.11.

Nu de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet op een contractuele maar wettelijke grondslag berust, treedt het verzuim in zonder ingebrekestelling (artikel 6:83 aanhef en sub b BW). Bepalend is wanneer de verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. Dat is in alle gevallen vóór 5 juli 2019. De gevorderde wettelijke rente per die datum is daarom toewijsbaar.

4.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van de VvE begroot op € 3.535,06, waarvan € 1.992 aan griffierecht, € 1.442 aan salaris advocaat (2 punten x Tarief III) en € 101,06 aan explootkosten.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 34.834,02, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 5 juli 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de VvE begroot op € 3.535,06;

5.3.

verklaart de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 14 april 2021.1

1 type: 2628