Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/1563
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning wegens openbare orde; zwaar inreisverbod; glijdende schaal; strafbare feiten; geen schending artikel 8 EVRM; medische omstandigheden; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1563

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Schoots.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 15 december 2018. Ook heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland en de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en heeft verweerder aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.

Bij besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 30 november 2020 heeft hij medische stukken overgelegd.

Verweerder heeft op 2 december 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eisers gemachtigde heeft de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Djiboutiaanse nationaliteit. Zijn moeder is Nederland in december 1992 binnengekomen, waarna zij een aanvraag heeft ingediend voor verblijf bij echtgenoot, niet zijnde de biologische vader van eiser. Deze aanvraag had mede betrekking op haar vier kinderen, waaronder eiser. Op 22 februari 1993 is de moeder van eiser, en ook eiser zelf, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder gaat ervan uit dat eiser Nederland in 1993 is ingereisd. Met ingang van 22 juni 2005 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan de handhaving van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 15 december 2018, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser twintig keer is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 3.98 van het Vb en dat de totale duur van opgelegde gevangenisstraffen de voor eiser toepasselijke norm uit artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) overschrijdt. Verweerder heeft zich hierbij onder meer op het standpunt gesteld dat hij de aan eiser toegekende verblijfsvergunning op grond van 3.86, vijfde lid van het Vb, in verbinding met artikel 3.86, vierde lid van het Vb kan intrekken, ongeacht de verblijfsduur van eiser. Het totaal van de aan eiser opgelegde onvoorwaardelijke straffen is namelijk hoger dan de maximale norm van artikel 3.86, vijfde lid van het Vb. Die norm is 14 maanden. Aan eiser is in totaal 121 maanden, dus meer dan tien jaar gevangenisstraf opgelegd. Omdat eiser zich ook schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan hij geen rechten ontlenen aan artikel 3.86, tiende lid, van het Vb. Eiser pleegt vaak (ernstige) misdrijven. Eiser heeft in totaal 26 misdrijven gepleegd waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld. Hij richt hiermee aanzienlijk leed en maatschappelijke schade aan. Verweerder kan niet uitsluiten dat eiser opnieuw misdrijven zal plegen.

Volgens verweerder zijn de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van beschermenswaardig familieleven en de belangenafweging die betrekking heeft op eisers privéleven valt in zijn nadeel uit.

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de glijdende schaal. Eiser valt namelijk onder Richtlijn 2003/86/EG (PB 2003 L 251, de Gezins-herenigingsrichtlijn). Verweerder had daarom het Unierechtelijk openbareordecriterium van de ‘actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde’ moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1

Nog daargelaten dat het criterium van de ‘actuele en voldoende ernstige bedreiging’ niet van toepassing in gevallen waarin de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is – zie het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2019, ECLI:EU:C:2019:1072 (het arrest G.S.) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2068 – is de rechtbank van oordeel dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op de intrekking van eisers verblijfsvergunning. In dit geval gaat het niet om een (intrekking van een) verblijfstitel van een gezinslid in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Voor zover eiser betoogt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is omdat hij in 1993 in het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Eiser is met ingang van 22 juni 2005 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat is een verblijfsvergunning regulier op nationale gronden. Dat is ook de vergunning waar eiser zijn verblijfsrecht aan ontleende voordat deze door verweerder op nationaalrechtelijke gronden werd ingetrokken.

De glijdende schaal

4. Op grond van het overgangsrecht als opgenomen in artikel II van het Besluit van 26 maart 2012 (Stb. 2012, 158) kan de in artikel 3.86 van het Vb opgenomen nieuwe glijdende schaal worden toegepast, indien sprake is van veroordelingen na 1 juli 2012, de datum van inwerkingtreding van de nieuwe glijdende schaal. Al omdat eiser op 28 maart 2019 door de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant is veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis – wegens diefstal, het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en mishandeling gepleegd op 15 en 22 december 2018 –, heeft verweerder toepassing kunnen geven aan de nieuwe glijdende schaal. Terecht stelt verweerder dat de nieuwe norm van artikel 3.86, vijfde lid van het Vb, zoals dat luidt na 1 juli 2012, op eiser van toepassing is en dat hij hierbij alle eerdere onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijven in zijn beoordeling mag betrekken, ook als deze veroordelingen in het verleden op zichzelf onvoldoende zouden zijn geweest om de verblijfsvergunning in te trekken.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de glijdende schaal als neergelegd in artikel 3.86, vijfde lid, en artikel 3.98 van het Vb, nu eiser tot in totaal meer dan tien jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens ernstige (gewelds-)misdrijven. De Afdeling Advisering van de Raad van State heeft weliswaar geadviseerd om slechts in zeer uitzonderlijke gevallen na 20 jaar tot verblijfsbeëindiging over te gaan maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het primaire besluit voldoende gemotiveerd toegelicht dat (en waarom) dat advies niet is overgenomen en dat in voorkomende gevallen een zorgvuldige belangenafweging zal plaatsvinden. Die belangenafweging is mede onderwerp van geschil in deze zaak. Zie hierna onder 7.

6. Voor zover eiser betoogt dat artikel 3.86, tiende lid, van de Vb, in de weg staat aan de intrekking van zijn verblijfsvergunning, volgt de rechtbank hem hierin niet.

6.1

Niet is in geschil dat eiser bij vonnis van 27 oktober 2011 door de meervoudige kamer van de rechtbank Leeuwarden is veroordeeld wegens poging tot doodslag (artikel 287 Sr) en opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282, eerste lid, Sr). Op pagina 5 van het bestreden besluit heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat hierbij sprake is geweest van ernstige inbreuken op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het niet redelijk is deze misdrijven zoveel jaren later alsnog tegen te werpen en dat intrekking van zijn verblijfsvergunning alleen mogelijk zou zijn geweest als hij na 1 juli 2012 misdrijven zou hebben gepleegd als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, Sr. Uit hetgeen hiervoor onder punt 4 is overwogen volgt dat artikel 3.86 van het Vb, zoals dat luidt met ingang van 1 juli 2012, van toepassing is op de vóór 1 juli 2012 door eiser gepleegde misdrijven. Nu hieraan gelet op artikel II van het hiervoor in 4 genoemde Besluit van 26 maart 2012 geen beperking in de tijd is gesteld in die zin dat verweerder misdrijven van vóór een bepaalde datum niet bij zijn beoordeling zou mogen betrekken, heeft verweerder het besluit in zoverre deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:279. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 3.86, tiende lid van het Vb.

Artikel 8 EVRM

7. Eiser voert aan dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning niet proportioneel is vanwege zijn lange verblijfsduur in combinatie met het feit dat het merendeel van de strafbare feiten meer dan tien jaar geleden is gepleegd en dat hij een positieve gedrags-verandering heeft laten zien. Dit betoog slaagt niet.

7.1

Gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 oktober 2018, Levakovic tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2018: 1023JUD000784114) moet verweerder bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM een inmenging in het privéleven van eiser rechtvaardigt, aan de hand van de in dat arrest genoemde relevante criteria, een ‘fair balance’ vinden tussen enerzijds het belang van eiser bij het uitoefenen van zijn privéleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Deze criteria zijn de aard en ernst van de misdrijven, de duur van eisers verblijf in Nederland, het tijdsverloop sinds zijn laatste misdrijf en eisers gedrag sindsdien, en zijn sociale, culturele en familiebanden met Nederland en Djibouti. Daarbij geldt dat voor een ‘settled migrant’, wat eiser is, zeer ernstige redenen (‘very serious reasons’) vereist zijn om uitzetting te rechtvaardigen.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle belangen kenbaar in zijn besluitvorming heeft betrokken. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het zwaarder laten wegen van het algemeen belang in eisers geval een ‘fair balance’ is als in 7.1 bedoeld. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser in 1979 in Djibouti is geboren en dat hij op onbekende datum naar Nederland is gekomen in het kader van gezinshereniging met zijn ouder(s). Verweerder gaat ervan uit dat eiser vanaf 13 januari 1993 in Nederland verblijft. Hij verblijft daarmee al zevenentwintig jaren in Nederland. Zijn privéleven speelt zich in Nederland af. Eiser is wegens het plegen van zesentwintig misdrijven onherroepelijk veroordeeld, waarbij het ook gaat om zeer ernstige geweldsmisdrijven, waaronder twee keer poging tot doodslag. Daarbij heeft eiser meerdere keren de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers ernstig geschonden. Op 10 december 2019 is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden vanwege een poging tot zware mishandeling. In totaal heeft eiser meer dan tien jaar gevangenisstraf opgelegd gekregen. Verweerder heeft ook in aanmerking genomen dat de ernst van de gepleegde misdrijven in de loop van de jaren niet minder is geworden.

Ten aanzien van de tijd die is verstreken sinds de misdrijven en het gedrag van eiser gedurende die tijd heeft verweerder terecht overwogen dat eiser al jaren wist dat hij vanwege het plegen van misdrijven zijn verblijfsvergunning zou kunnen kwijtraken.

Toch is hij daarmee doorgegaan. Op 15 november 2012 heeft de Korpschef aan verweerder een voorstel gedaan om eisers verblijfsrecht te beëindigen en aan hem een inreisverbod op te leggen. In dat kader is hij op 6 november 2012 gehoord door de vreemdelingenpolitie. Eiser verbleef op dat moment in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) in Zwolle. Deze procedure is geëindigd met de brief van verweerder van 3 juni 2014, waarin staat dat eisers verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken wegens medische redenen. Bij beschikking van 20 juli 2017 is een rechterlijke machtiging verleend om eiser verder te laten verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis. Vervolgens is eiser op 28 maart 2019 opnieuw door de strafrechter veroordeeld wegens diefstal, het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en mishandeling, gepleegd op 15 december 2018 en 22 december 2018. Hierop heeft verweerder op 11 juli 2019 opnieuw een voornemen uitgebracht, dat per aangetekende post is toegezonden aan het laatst bekende adres van eiser. Eiser heeft dit voornemen niet ontvangen, waarschijnlijk omdat hij ten tijde van het voornemen al was uitgeschreven van dat adres en hij verweerder niet op de hoogte had gesteld van een adreswijziging.

Op 10 december 2019 is eiser opnieuw door de strafrechter veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens het plegen van een poging tot zware mishandeling op 20 juli 2019 in Eindhoven. Deze veroordeling is onherroepelijk.

In de periode na het delict van 20 juli 2019 heeft eiser in de gevangenis gezeten en na het primaire besluit van 7 augustus 2019 (uitgereikt op 7 september 2019) is hij in vreemdelingenbewaring gesteld. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar van

12 december 2019 blijkt dat hij in detentiecentrum Rotterdam op de Extra Zorg Afdeling verbleef. Eiser heeft vanaf 8 september 2019 tot 26 november 2019 in vreemdelingen-bewaring verbleven. Uit informatie van GGzE Crisis Care van 3 december 2019 blijkt voorts dat ‘heden geen evident psychotisch beeld aanwezig [is]’. Ook blijkt uit deze brief dat sprake is van misbruik van middelen (heroïne en cocaïne) en dat het gebruik van deze middelen mogelijk psychotische klachten geeft. Tijdens de hoorzitting in bezwaar van 12 december 2019 heeft eiser verklaard dat hij weer drugs (cocaïne, heroïne en pilletjes) gebruikt. Gelet hierop en nu ook overigens niet is gebleken van een bestendige positieve gedragsverandering, stelt verweerder niet ten onrechte dat niet valt uit te sluiten dat eiser opnieuw zeer ernstige misdrijven zal plegen.

Op pagina’s 8, 9 en 10 van het bestreden besluit heeft verweerder eisers sociale en culturele banden met Nederland en Djibouti kenbaar in de beoordeling betrokken. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser een jongere broer ([naam]) heeft in Nederland waarmee hij contact zegt te hebben. Tijdens de hoorzitting in bezwaar van 12 december 2019 heeft hij verklaard dat hij met zijn jongere broer praat, maar dat dit niet diepgaand is. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser in 2018 en 2019 respectievelijk 1517 uren en 826 uren heeft gewerkt voor uitzendbureaus, waardoor hij een bepaalde band met Nederland heeft opgebouwd. Een vaste werkkring heeft hij echter niet. Eiser neemt ook niet deel aan verenigingsleven en is ook geen (actief) lid van een organisatie. Niet ten onrechte stelt verweerder daarom dat eiser zijn sociale banden met Nederland, zoals die met zijn jongere broer, ook met moderne communicatiemiddelen vanuit Djibouti kan voortzetten. Eiser heeft de laatste jaren in Nederland gewerkt en er is geen reden waarom hij dit niet ook in Djibouti zou kunnen doen. Niet is betwist dat eiser bekend is met de talen en de sociale en culturele gewoonten van Djibouti. Dat eiser geen sociaal vangnet heeft in Djibouti en dat de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) hem om die reden niet heeft willen begeleiden bij terugkeer, maakt het voorgaande niet anders al omdat eiser dat niet heeft onderbouwd.

Ten aanzien van het inreisverbod

8. Eiser voert aan dat zijn persoonlijke gedragingen geen daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Hij kan zich daarom niet verenigen met het feit dat aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. Dit betoog slaagt niet.

8.1

Uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725, volgt dat verweerder bij de oplegging van een inreisverbod zoals hier aan de orde, moet toetsen aan het unierechtelijke openbareordebegrip als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. tegen de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie tegen I.O., ECLI:EU:C:2015:377. Dat betekent dat verweerder bij het opleggen van een inreisverbod moet motiveren dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt dat een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder moet bij zijn beoordeling of hiervan sprake is alle feitelijke en juridische omstandigheden betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie tot het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.1 is overwogen acht de rechtbank verweerders standpunt op pagina 9 van het primaire besluit en op pagina 11 van het bestreden besluit dat sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, voldoende gemotiveerd. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat ondanks dat eiser in 2018 en 2019 op de goede weg leek te zijn en werkte, niet is gebleken van een bestendige positieve gedragsverandering.

Artikel 3 EVRM

9. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij bij terugkeer naar Djibouti een reëel risico loopt terecht te komen in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Eiser wijst hierbij op een nota van Bureau Medische Advisering (BMA) van 26 mei 2014, waarin BMA heeft geoordeeld dat ‘betrokkene bekend is met de ziekte Schizofrenie, die volgens BMA ongeneeslijk is, terwijl de noodzakelijke medische behandeling niet voor handen is’. Volgens eiser heeft verweerder toen om die reden van intrekking van de verblijfsvergunning afgezien. Verweerder heeft in deze procedure ten onrechte geen advies gevraagd van BMA.

Dit betoog slaagt niet.

9.1

Uit de BMA-nota van 26 mei 2014 volgt dat eiser op dat moment niet kon reizen omdat hij klinisch was opgenomen. Gezien de mogelijke duur van de behandeling adviseerde de BMA-arts om na twaalf maanden een herbeoordeling te laten plaatsvinden. Anders dan eiser betoogt heeft de BMA-arts zich niet uitgelaten over de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder de medische situatie van eiser kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Hierbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet onder medische behandeling staat en dat hij jarenlang heeft gewerkt. Verder blijkt uit een rapport van GGzE Crisis Care van 7 januari 2020 dat er geen evidente stoornissen zijn bij eiser, dat psychotische klachten niet zijn waargenomen en dat er geen suïcidale gedachten aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders standpunt dat eiser niet onder medische behandeling staat niet geheel juist. Uit het dossier blijkt dat eiser wel in zoverre onder medische behandeling heeft gestaan, dat aan hem medicatie werd voorgeschreven. Gelet echter op de bevindingen uit het GGzE Crisis Care heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om voor het thans aan de orde zijnde bestreden besluit advies te vragen van BMA. Eiser kan in verband met die medicatie opnieuw een verzoek om uitstel van vertrek indienen als bedoeld in artikel 64 van de Vw. In dat kader zal dan in elk geval moeten worden bezien of eiser deze medicatie nog steeds nodig heeft en zo ja, of die medicatie in Djibouti beschikbaar is.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en

mr. E.R. Houweling en mr. I. Bouter, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Eertink, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 april 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.