Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
AWB - 20/411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming Q-koorts. Verweerder vraagt in bezwaar een oordeel van de medische commissie. Dat oordeel citeert hij in het besluit op bezwaar. Een separaat advies is er echter niet. Dit is een vaste werkwijze van verweerder in bezwaar. De rechtbank vindt deze werkwijze in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er kan immers niet worden gecontroleerd van wie het medisch oordeel afkomstig is en welke stukken daaraan ten grondslag liggen. Ook kan niet worden beoordeeld of verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Verweerder moet zijn werkwijze in bezwaar aanpassen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/411

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Tamas),

en

de minister voor Medische Zorg, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.D. Eillyas).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming Q-koorts 2019 (de Beleidsregel) afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft met een videoverbinding plaatsgevonden op 17 maart 2021. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder hebben hieraan deelgenomen. Namens verweerder was M.W.J.J. Netten er ook.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 17 december 2018 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel. Eiser heeft bij zijn aanvraag vermeld dat hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011 is besmet met (acute) Q-koorts en is gediagnosticeerd met het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS).

2. Verweerder heeft A. Olde Loohuis (Olde Loohuis), arts van eiser en medisch adviseur bij de Stichting Q-support, gevraagd of hij de verklaring van eiser kan bevestigen. Olde Loohuis heeft op 21 februari 2019 schriftelijk verklaard dat hij niet beschikt over voldoende informatie om eisers verklaring te bevestigen.

3. Verweerder heeft het medisch dossier van eiser voorgelegd aan de medische commissie voor Q-koortszaken (de medische commissie). Deze commissie heeft in een advies van 12 juni 2019 geconcludeerd dat de verklaring van eiser niet juist is. Er kan een Q-koorts-infectie in oktober 2008 worden aangetoond en er blijkt van een sterk wisselend beloop. Toch zijn er geen aanwijzingen voor het bestaan van chronische Q-koorts, een QVS of een op QVS gelijkend ziektebeeld. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen.

4. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft onder meer een op

9 november 2018 opgemaakt verslag overgelegd van een gesprek tussen hem en Olde Loohuis. In dit verslag staat dat Olde Loohuis met zekerheid kon uitspreken dat er geen sprake was van chronische Q-koorts, maar wel van een op QVS gelijkend ziektebeeld. Hiervoor heeft Olde Loohuis erop gewezen dat er bij eiser al een onderliggende periode was van maagklachten en er geen acute infecties waren geweest, alhoewel hij wel darmproblemen had toen hij in 2008 ziek werd. Verder heeft Olde Loohuis bloedwaardes gezien die volgens hem in overeenstemming zijn met de doorgemaakte Q-koorts.

5. In bezwaar heeft verweerder het medisch dossier van eiser opnieuw voorgelegd aan de medische commissie. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat de medische commissie na bestudering van de stukken bij haar eerdere advies is gebleven. In dit besluit staat ook dat de medische commissie op 30 november 2019 heeft geoordeeld dat de verklaring van eiser niet kan worden bevestigd. Verweerder heeft de motivering van de medische commissie in de overwegingen van het bestreden besluit geciteerd (tussen aanhalingstekens). Op basis hiervan heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat niet vast is komen te staan dat eiser vóór 1 oktober 2018 is gediagnosticeerd met QVS of een op QVS gelijkend ziektebeeld. Subsidiair is volgens verweerder niet vast komen te staan dat eiser in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 januari 2012 besmet is geraakt met (acute) Q-koorts. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarden die worden gesteld in de Beleidsregel. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert onder meer aan dat het advies van de medische commissie van 30 november 2019 ontbreekt. Daarom kan hij niet controleren hoe dit advies tot stand is gekomen. Gelet op artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had verweerder dit advies moeten overleggen. Verweerder heeft ook niet alle relevante medische gegevens aan het dossier toegevoegd.

7. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd.

8. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

9. De rechtbank overweegt het volgende.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de inhoudelijke, medische beoordeling van de vraag of eiser voldoet aan de vereisten voor een tegemoetkoming een medische commissie heeft ingeschakeld. Deze commissie heeft zich gebogen over de door eiser overgelegde medische gegevens en advies uitgebracht aan verweerder.

9.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:278) mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.

9.3.

De rechtbank stelt vast dat de medische commissie in het geval van eiser twee keer het medisch dossier heeft bestudeerd. In het dossier bevindt zich een advies van de medische commissie van 12 juni 2019. In het primaire besluit heeft verweerder naar dit advies verwezen en zich op het standpunt gesteld dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verder heeft de medische commissie kennelijk op 30 november 2019 - in bezwaar - opnieuw advies aan verweerder uitgebracht.

9.4.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het oordeel van de medische commissie van 30 november 2019 niet in een separaat advies staat. Hij heeft dit oordeel geciteerd in het bestreden besluit. Volgens verweerder is dit oordeel afkomstig van de medische commissie, die is samengesteld op grond van artikel 9 van de Beleidsregel. Op vragen van de rechtbank ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit een gebruikelijke werkwijze in bezwaar is.

9.5.

De rechtbank vindt deze werkwijze van verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er kan nu immers niet worden gecontroleerd van wie het medisch oordeel - dat kennelijk op 30 november 2019 is gegeven - afkomstig is. De enkele verwijzing van verweerder naar artikel 9 van de Beleidsregel is onvoldoende. Hierin staat namelijk slechts dat er een commissie van externe deskundigen is die tot taak heeft in aan haar voorgelegde gevallen te adviseren over de medische aspecten van een aanvraag. Verder is niet duidelijk welke stukken de medische commissie bij haar medisch oordeel heeft betrokken. Het is aan verweerder om zich ervan te vergewissen dat dit oordeel aan de daaraan te stellen eisen voldoet en hij dat aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag mag leggen. Bij het ontbreken van een separaat advies kan de rechtbank niet controleren of verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan.

Als verweerder in bezwaar een advies inwint van de medische commissie, dan zal hij er dus voor moeten zorgen dat het oordeel van die commissie in een separaat advies staat. Vervolgens zal uit het besluit op bezwaar moeten blijken dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Hiervoor kan hij het separate advies bijvoorbeeld als bijlage bij het besluit voegen. Verweerder heeft op de zitting nog aangeboden dat hij aan de medische commissie kan vragen om het oordeel van 30 november 2019 te bevestigen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Verweerder zal immers zijn werkwijze in bezwaar moeten aanpassen.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank hoeft niet in te gaan op wat eiser verder nog heeft aangevoerd.

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb. Gelet op wat in overweging 9.5 staat, kan de rechtbank niet aan finale geschilbeslechting doen. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Verweerder moet het griffierecht vergoeden dat eiser heeft betaald. Ook moet hij de in beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

12. Ter voorlichting van verweerder wijst de rechtbank nog op het volgende. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb verplicht verweerder om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dat een belanghebbende zelf al een deel van die stukken heeft overgelegd en de rechtbank de bevoegdheid heeft om stukken op te vragen, ontslaat verweerder niet van deze verplichting. Als medische stukken op een zaak betrekking hebben, moet verweerder die dus overleggen. Daar heeft hij geen toestemming van de belanghebbende voor nodig (zie MvT, PG Awb II, p. 440). In voorkomende gevallen (bijvoorbeeld als er een derde-belanghebbende in de procedure betrokken is) zal verweerder de rechtbank om toepassing van artikel 8:29 van de Awb moeten vragen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2 bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:9 dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Beleidsregel van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juli 2019, kenmerk 1516264-189438-PG, over regels voor de verstrekking van een tegemoetkoming in verband met de grote gevolgen van de Q-koortsuitbraak

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Q-koortspatiënt: een nog in leven zijnde natuurlijke persoon die in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 in Nederland is besmet met Q­ koorts;

chronische Q-koorts: aandoening met langdurige ernstige klachten als gevolg van een acute Q-koortsinfectie, die blijkens bloedonderzoek heeft geleid tot een chronische infectie;

Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS): aandoening met ten minste zes maanden voortdurende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q­ koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, en niet door andere oorzaken te verklaren zijn;

QVS gelijkend ziektebeeld: op QVS gelijkend ziektebeeld met ten minste zes maanden durende klachten van ernstige vermoeidheid als gevolg van een acute Q-koortsinfectie die niet tot chronische Q-koorts heeft geleid, die niet afdoende door andere oorzaken te verklaren zijn;

Artikel 2 Het recht op een eenmalige tegemoetkoming

De Minister kent op aanvraag een tegemoetkoming toe aan een Q-koortspatiënt die is gediagnosticeerd met (…) een op QVS gelijkend ziektebeeld (…) indien de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel (…) 4 (…).

Artikel 4 Voorwaarden tegemoetkoming voor een patiënt met QVS of een QVS gelijkend ziektebeeld

Een Q-koortspatiënt met (…) een op QVS gelijkend ziektebeeld kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming indien hij voor 1 oktober 2018 is gediagnosticeerd met (…) een op QVS gelijkend ziektebeeld, als gevolg van een besmetting met Q-koorts in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012.

Artikel 9 Advies externe deskundigen

1. Er is een door de Minister benoemde commissie van externe deskundigen die tot taak heeft in aan haar voorgelegde gevallen te adviseren over de medische aspecten van een aanvraag.

2. De Minister kan indien hij dat wenselijk acht een aanvraag aan de commissie van externe deskundigen voorleggen.