Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
NL20.19648
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag asiel Afghanistan, geloofsgroei, verwestering, christelijke tatoeage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.19648


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.1

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten.

2. Eiser heeft op 23 december 2015 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 9 januari 2017 afgewezen. Daarbij achtte verweerder de gestelde bekering van eiser niet geloofwaardig. Het besluit van verweerder staat in rechte vast.2 Op 20 juli 2018 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan nieuwe elementen of bevindingen. Ook dit besluit is onherroepelijk.3

3. Eiser heeft op 25 april 2019 wederom een (opvolgende) asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat sprake is van geloofsgroei en verwestering. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij in zijn nek een tatoeage heeft waarvan de afbeelding bestaat uit een kruis met twee vleugels.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat geloofsgroei niet aannemelijk is geworden. Eiser heeft deze niet vermeld bij de kennisgeving opvolgende aanvraag van 25 april 2019 en hij heeft de gestelde geloofsgroei niet onderbouwd met documenten. Evenmin is geloofsgroei aannemelijk geworden met de summiere verklaringen die hij heeft afgelegd en waarmee hij nog immer geen inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van zijn bekering. De door eiser ontwikkelde westerse levensstijl is volgens verweerder onvoldoende om te stellen dat eiser is verwesterd in de zin dat sprake is van een uiting van een godsdienstige of politieke overtuiging. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat bij terugkeer in Afghanistan sprake zal zijn van een toegedichte geloofsovertuiging. Het enkel hebben van een tatoeage is hiervoor onvoldoende. Eiser heeft geen uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken als gevolg van zijn verblijf in Nederland. Het beroep op de werkinstructie (WI) 2019/14 gaat niet op. Van eiser mag daarom worden gevraagd dat hij zich bij terugkeer naar zijn land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen en waarden. Eiser heeft niet onderbouwd dat de tatoeage in zijn nek in Afghanistan zal worden gezien als een christelijk symbool. Eiser heeft daarbij zelf verklaard dat de tatoeage niets met het christendom te maken heeft. Verder zijn tatoeages in Afghanistan in toenemende mate populair onder Afghaanse jongeren, ondanks dat veel moslims in Afghanistan tatoeages als on-islamitisch beschouwen. Verweerder acht het daarom niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade.5

5. Eiser heeft in beroep allereerst aangevoerd dat de tatoeage in zijn nek in Afghanistan als een christelijk symbool zal worden gezien, vanwege het kruis dat een christelijke betekenis heeft. Verweerder heeft dit volgens eiser in het bestreden besluit niet weten te weerleggen. In combinatie met de terugkeer uit het westen en zijn persoonlijke beleving van het geloof en de wijze waarop hij dit praktiseert, loopt eiser het risico om te worden gezien als verwesterd. Eiser betwist dat van hem mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer in Afghanistan aanpast aan de orthodox-religieuze normen van de Afghaanse samenleving. Van belang is dat eiser zijn tatoeages en zijn terugkeer uit het Westen niet kan veranderen. Eiser is van mening dat hij hierover zorgvuldig dient te worden gehoord en beroept zich op een uitspraak van de rechtbank.6 Verweerders overweging dat eiser summier en algemeen heeft verklaard over de geloofsgroei is geen reactie op de zienswijze, aldus eiser. Ter zitting is namens eiser nog opgemerkt dat zowel het gehoor opvolgende aanvraag, als het voornemen en het bestreden besluit zijn ondertekend door dezelfde medewerker. Dit is volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft eiser ter zitting kenbaar gemaakt dat hij in december 2020 vanwege psychische klachten een aantal dagen is opgenomen in een GGZ -kliniek.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

7. Bij het beoordelen van asielaanvragen hanteert verweerder het principe van zaaksverantwoordelijkheid, hetgeen betekent dat één medewerker hoort, het voornemen opstelt en het besluit neemt. De Afdeling heeft geoordeeld dat de bepalingen uit de Procedurerichtlijn, noch enig andere nationale of internationale rechtsregel of enig rechtsbeginsel verweerder verplicht om in asielzaken in het algemeen het vier-ogenbeginsel - in de zin dat ten minste één extra medewerker bij de totstandkoming van het besluit betrokken is – toe te passen.7 Verweerder heeft er ter zitting verder nog op gewezen dat de in het voornemen en het bestreden besluit vermelde contactpersoon inhoudelijk betrokken is bij de beoordeling. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft gereageerd op hetgeen in de zienswijze is gesteld over de geloofsgroei. Eiser heeft in de gronden van beroep niet concreet aangegeven waarom die reactie niet volstaat. In zijn zienswijze heeft eiser aangevoerd dat er alleen al vanwege tijdsverloop sprake is van geloofsverdieping en dat hij verder heeft uitgelegd dat de geloofsverdieping is ontstaan door de impact van de afwijzing van zijn tweede aanvraag op zijn gemoedstoestand. Nu eiser met zijn verklaringen voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering, heeft verweerder in reactie op de zienswijze kunnen volstaan met de overweging dat eiser summier en algemeen heeft verklaard over zijn geloofsgroei en niet alsnog inzicht heeft gegeven in zijn motief voor en proces van bekering. De beroepsgrond faalt.

9. In haar uitspraak van 21 november 2018 heeft de Afdeling uiteengezet dat het al dan niet door tijdsverloop ontwikkelen van een westerse levensstijl als zodanig niet tot vluchtelingschap kan leiden. Een uitzondering daarop is het geval waarin de vreemdeling aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. Daarnaast moet de vraag worden onderzocht of één van deze vervolgingsgronden aan de vreemdeling wordt toegedicht door een actor van vervolging in verband met persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen kenmerken en of de vreemdeling daardoor in het land van herkomst een risico zal lopen op een onmenselijke behandeling.8 Deze uitspraak heeft geleid tot de WI 2019/1 van verweerder. Hierin is uiteengezet dat met name vier factoren een rol spelen bij de vraag of aanpassing van bepaalde kenmerken van verwestering uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk is: het gedrag van de vreemdeling in het land van herkomst, de leeftijd op moment van vertrek, de ontwikkeling in Nederland en de verblijfsduur in Nederland.

10. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de enkele omstandigheid dat eiser uit het westen terugkeert al voldoende is om aan te nemen dat hem bij terugkeer in Afghanistan een vervolgingsgrond zal worden toegedicht.

Voor wat betreft zijn opname in een GGZ-kliniek heeft eiser niet duidelijk gemaakt hoe dit bijdraagt aan de conclusie dat eiser zou zijn verwesterd in de zin van WI 2019/1.

Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn gewijzigde gedrag, in het bijzonder dat hij zich vrij voelt andere religies te onderzoeken en niet de islam te praktiseren, zodanig met zijn persoonlijke identiteit is verbonden dat van hem niet mag worden verwacht dat hij zich aanpast aan de leefregels en gedragsnormen in de Afghaanse samenleving. Daarbij is van belang dat de door eiser gestelde bekering en afvalligheid niet geloofwaardig zijn. Eiser is hierover voldoende zorgvuldig over gehoord en zijn beroep op de onder rechtsoverweging 5 genoemde uitspraak wordt niet gevolgd.

11. Het enkele feit dat eiser tatoeages heeft leidt niet tot de aanname van toegedichte afvalligheid, zo heeft de rechtbank al eerder geoordeeld.9 Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit, onder verwijzing naar openbare bronnen, uiteengezet dat tatoeages in toenemende mate populair zijn onder Afghaanse jongeren, met name in Kabul.

12. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de tatoeage in eisers nek er niet toe zal leiden dat eiser bij terugkeer in Afghanistan bekering tot het christendom of afvalligheid zal worden toegedicht en waarom hij in verband hiermee niet zal hebben te vrezen voor vervolging of een risico zal lopen op een onmenselijke behandeling. Aan de afbeelding van een kruis, zoals in de tatoeage is te zien, wordt immers algemeen een christelijke betekenis toegekend. Dat de afbeelding in eisers nek een combinatie is van een dergelijk kruis en twee vleugels doet niet af aan de herkenbaarheid van het kruis als symbool van het christelijk geloof. Dat eiser zelf heeft verklaard de tatoeage niet te hebben laten zetten omwille van deze betekenis doet evenmin af aan die algemene herkenbaarheid. Niet in geschil is verder dat eiser de tatoeage niet voortdurend bedekt zal kunnen houden. Eiser heeft in zijn zienswijze verwezen naar verschillende algemene bronnen waaruit volgens hem blijkt dat hij vanwege een dergelijke zichtbare tatoeage in Afghanistan in de negatieve aandacht zal staan. Door in het bestreden besluit te volstaan met de overweging dat eiser de christelijke betekenis van zijn tatoeage niet heeft onderbouwd, heeft verweerder onvoldoende gereageerd op eisers zienswijze.

13. Indien zou moeten worden aangenomen dat in Afghanistan aan eiser vanwege de tatoeage in zijn nek bekering of afvalligheid van de islam zal worden toegedicht, rijst mogelijk ook de vraag in hoeverre van eiser – bij gebrek aan een christelijke of afvallige overtuiging – mag worden verlangd dat hij de tatoeage laat verwijderen of laat aanpassen, om zo te voorkomen dat hij bij terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor vervolging of een risico loopt op een onmenselijke behandeling. Bij de beoordeling van die vraag zal verweerder moeten bezien hoe dit zich verhoudt tot eisers (grond)recht van bescherming van zijn lichamelijke integriteit.10

14. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de asielaanvraag van eiser moeten beslissen.

15. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.X. Scholten, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Zie de uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3 februari 2017 (Awb 17/650) en van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: Afdeling) van de Raad van State van 27 februari 2017 (201701282/1/V2).

3 Zie de uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 november 2018 (NL18.19604) en van de Afdeling van 8 januari 2019 (201809455/1/V2).

4 Werkinstructie voor het beoordelen van asielaanvragen van verwesterde vrouwen.

5 In de zin van artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6 Uitspraak van zittingsplaats Haarlem, van 25 maart 2019 (NL18.24368).

7 Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2986).

8 Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3735).

9 Uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 november 2019, NL18.19604.

10 Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 31 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1803).