Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3599

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
8999985 / EJ VERZ 21-80375
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Overgang van onderneming; vernietiging ontslag op staande voet toegewezen. Nevenvorderingen toegewezen. Tegenverzoek: gefixeerde schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda

PF

Zaaknr.: 8999985/ EJ VERZ 21-80375

Uitspraakdatum: 13 april 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker tevens verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. van Dis,

tegen

Gravenberch Zorg B.V.,

gevestigd te Gouda,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A. Tariki.

Partijen worden aangeduid als “ [verzoeker tevens verweerder] ” en “Gravenberch”.

1 Procesverloop

[verzoeker tevens verweerder] heeft bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 29 januari 2021, verzocht een vergoeding toe te kennen wegens onregelmatige opzegging, tevens houdende nevenverzoeken. Gravenberch heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende tegenverzoeken. Op 11 maart 2021 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd.

2
2. Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1 [verzoeker tevens verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1966, is met ingang van 1 augustus 2019 bij de rechtsvoorgangster van Gravenberch (Stichting Gravenberch) in dienst getreden in de functie van ‘Hulp in de huishouding’ tegen een uurloon van € 12,50 bruto. Deze arbeidsovereenkomst liep tot 1 november 2019 en is nadien tweemaal verlengd.
2.2 Op 13 juli 2020 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode van 13 juli 2020 tot 1 augustus 2021. In de arbeidsovereenkomst is onder meer opgenomen dat [verzoeker tevens verweerder] indien noodzakelijk beschikbaar zou worden gesteld aan Stichting Gravenberch, de dochteronderneming van Gravenberch.
Voorafgaand heeft Gravenberch aan haar medewerkers hierover onder meer het volgende bericht:
“Eerder hebben we besproken dat al het personeel over gaat naar Gravenberch Zorg B.V. en zal worden uitgeleend aan Stichting Gravenberch.
Dit doen we vanwege economische redenen welke de Stichting ontlasten.
Aan de contracten veranderd er niets dan alleen de tenaamstelling.”
Artikel 8 van de arbeidsovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:
“(…)
4. In dit arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen en tevens na te lezen in het personeelshandboek als bijlage 4.
(…)
Relatiebeding
Artikel 8.1
Het is de werknemer zonder schriftelijke toestemming van de Werkgever niet toegestaan om gedurende een periode van vierentwintig maanden na beëindiging van het dienstverband op welke wijze dan ook, noch als zzp’er, zelfstandige of in dienst van een derde, met cliënten en relaties van de Werkgever contacten van welke aard dan ook te onderhouden of ten behoeve van deze cliënten en relaties werkzaamheden te verrichten c.q. aan deze cliënten en relaties diensten te verrichten die gelijk of gelijksoortig zijn aan de werkzaamheden en/of diensten van de Werkgever.
(…)”.
2.3 Op de arbeidsovereenkomsten zijn van toepassing verklaard de cao VVT.
2.4 Bij e-mail van 26 november 2020 heeft [verzoeker tevens verweerder] onder meer het volgende aan Gravenberch bericht:
“Hierbij dien ik mijn ontslag in per 1 december 2020 met inachtneming van de opzegtermijn van 1 maand. Ik heb een andere baan gevonden die mij betere perspectieven biedt.”
2.5 Bij e-mail van 27 november 2020 heeft Gravenberch hierop onder meer als volgt gereageerd:
“Als je toch overweegt je ontslag door te willen zetten dan kan ik die alleen goed keuren op basis van je contract welke op 1 augustus 2021 eindigt. Je opzegtermijn zal dan 1 juli 2021 zijn.
Ik zou je naar aanleiding hiervan toch willen uitnodigen voor een gesprek en zal je t.z.t. een datum mailen.
Van jou wordt per heden verwacht dat je je aan alle afspraken houdt zoals die ook in je contract en het personeelshandboek vermeld staan. ”
2.6 Op 27 november 2020 heeft [verzoeker tevens verweerder] op haar beurt hierop onder meer als volgt gereageerd:
“Helaas kom je opnieuw met je contracten die door de FNV bond nietig is verklaard en we hebben daar over gehad. Ik had ook contact gehad over de opzegtermijn maar omdat ik het netjes wil afhandelen wil ik het opzeg termijn aanhouden.”
Gravenberch heeft [verzoeker tevens verweerder] daarop bericht dat zij bij haar standpunt bleef en dat het contract niet eerdere dan op 1 augustus 2021 eindigde. Zij ging ervan uit dat de afspraak op dinsdag 1 december om 14.00 uur vast stond. [verzoeker tevens verweerder] heeft Gravenberch bericht dat zij gestrest van Gravenberch raakte en dat het haar niet verstandig leek om op korte termijn elkaar te spreken.
2.7 Bij e-mail van 27 november 2020 heeft Gravenberch vervolgens onder meer het volgende aan [verzoeker tevens verweerder] bericht:
“Je boosheid is zeer onterecht wat mij verbaast en laat je mij geen andere keus dan je per direct te schorsen en de wacht aan te stellen.”
Gravenberch heeft daaraan toegevoegd dat de schorsing voor een periode van vier weken gold.
2.8 [verzoeker tevens verweerder] heeft zich vervolgens bij Gravenberch ziekgemeld, welke ziekmelding niet door Gravenberch is aanvaard.
2.9 Bij e-mail van 30 november 2020 heeft Gravenberch [verzoeker tevens verweerder] bericht dat zij geen reden zag om de schorsing nog langer voort te zetten en akkoord ging met het ontslag per 1 december. [verzoeker tevens verweerder] heeft hierop meegedeeld niet akkoord te gaan met een ontslag per 1 december, dat zij was geschorst tot 25 december en dat zij ervan uit ging dat zij tot het einde van de maand zou worden betaald.
2.10 Bij e-mail van 1 december 2020 heeft Gravenberch onder meer het volgende aan [verzoeker tevens verweerder] bericht:
“Met het ontslag hoef je niet akkoord te gaan.
Je per 30 november ontslagenop staande voet en ben je per die datum niet langer meer werkzaam voor Gravenberch Zorg B.V.”
2.11 Bij e-mail van 18 december 2020 heeft de gemachtigde namens [verzoeker tevens verweerder] aanspraak gemaakt op de uitbetaling van achterstallig salaris en diverse vergoedingen. Gravenberch heeft deze aanspraken van de hand gewezen.
3. Geschil
3.1 [verzoeker tevens verweerder] verzoekt, zakelijk weergegeven, om Gravenberch te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van:
a € 1.779,31 bruto wegens onregelmatige opzegging;
b € 730,31 bruto inzake de transitievergoeding;
c € 3.677,12 bruto inzake achterstallig loon inclusief emolumenten;
d € 1.633,52 bruto inzake achterstallige eindejaarsuitkering;
e € 194,28 bruto inzake achterstallige cao-verhoging;
f € 2.752,46 bruto inzake wettelijke verhoging;
g € 882,67 inzake buitengerechtelijke incassokosten;
h de wettelijke rente over de vorderingen a t/m f van de dag der verschuldigdheid;
alsmede Gravenberch te veroordelen tot
i het binnen 4 weken na betekening van het vonnis [verzoeker tevens verweerder] met terugwerkende kracht aan te melden bij Pensioenfonds Zorg en Welzijn en tot het afdragen van de pensioenpremie over de gehele periode dat [verzoeker tevens verweerder] bij Gravenberch in dienst is geweest en [verzoeker tevens verweerder] bewijs van die aanmelding en afdracht te verschaffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
j in de proceskosten.
3.2 [verzoeker tevens verweerder] legt, samengevat, het volgende aan haar verzoek ten grondslag. [verzoeker tevens verweerder] was voor onbepaalde tijd in dienst bij Gravenberch. Zij heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2020. Gravenberch heeft [verzoeker tevens verweerder] op staande voet ontslagen zonder dat daartoe een dringende reden bestond. [verzoeker tevens verweerder] maakt daarom aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding. Voorts maakt [verzoeker tevens verweerder] aanspraak op de transitievergoeding. Ten aanzien van de omvang van het dienstverband doet [verzoeker tevens verweerder] een beroep op het bepaalde in artikel 7:610b BW. De gemiddelde omvang bedraagt per 1 januari 2020 25,19 uren per week. Vanwege een cao-verhoging bedraagt het uurloon vanaf 1 juni 2020 € 12,94 bruto in plaats van € 12,50. Gelet op de vakantiebijslag van 8%, de eindejaarsuitkering van 8,33% en de op te bouwen vakantie-uren is een uur € 16,30 waard. Over 2020 heeft Gravenberch 225,59 * € 16,30 = € 3.677,12 te weinig uitbetaald. Voorts heeft Gravenberch over de wel betaalde uren ten onrechte niet de eindejaarsuitkering van in totaal € 1.633,52 bruto betaald en evenmin de cao-verhoging vanaf 1 juni 2020, zijnde € 194,28 bruto. Op grond van de wet maakt [verzoeker tevens verweerder] aanspraak op de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Tenslotte heeft Gravenberch in strijd met de afspraak in de arbeidsovereenkomst [verzoeker tevens verweerder] niet aangemeld bij het pensioenfonds en heeft zij geen pensionpremie voor haar afgedragen.
3.3 Gravenberch heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft als tegenverzoek, zakelijk weergegeven, verzocht om [verzoeker tevens verweerder] te veroordelen aan haar een bedrag van € 839,58 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede verzocht om inzage en afschrift van de arbeidsovereenkomst welke [verzoeker tevens verweerder] met ingang van 1 december 2020 is aangegaan op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [verzoeker tevens verweerder] in de proceskosten.
3.4 Gravenberch heeft aan haar tegenverzoek, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW heeft Gravenberch jegens [verzoeker tevens verweerder] aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding. [verzoeker tevens verweerder] heeft ten onrechte tegen 1 december 2020 opgezegd in plaats van tegen 26 december 2020. Gravenberch heeft verder een rechtmatig belang bij informatie over de nieuwe arbeidsovereenkomst, omdat [verzoeker tevens verweerder] haar concurrentiebeding overtreedt.
3.5 [verzoeker tevens verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in de zaak van het tegenverzoek.
3.6 Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 Beoordeling
4.1 Tussen partijen staat in deze procedure niet (langer) ter discussie dat [verzoeker tevens verweerder] voor onbepaalde tijd in dienst was bij Gravenberch en dat de voor haar geldende opzegtermijn 1 maand was.
4.2 Wel staat tussen partijen ter discussie of Gravenberch ook aansprakelijk is voor (eventueel) achterstallig salaris dat haar rechtsvoorgangster Stichting Gravenberch jegens [verzoeker tevens verweerder] verschuldigd is en of het verzoek van [verzoeker tevens verweerder] tot vaststelling van de arbeidsduur op grond van het rechtsvermoeden krachtens artikel 7:610b BW ook betrekking kan hebben op een periode gelegen voor aanvang van het dienstverband met Gravenberch, derhalve voor 13 juli 2020. [verzoeker tevens verweerder] heeft gesteld dat dit wel het geval is, omdat sprake is van overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW. Gravenberch heeft dit betwist.
4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval sprake van een overgang van een zelfstandig onderdeel van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Gravenberch bevestigd dat alle personeelsleden van Stichting Gravenberch per 13 juli 2020 zijn ondergebracht bij Gravenberch. De personeelsleden zijn vervolgens uitgeleend aan Stichting Gravenberch. Het was de bedoeling, zoals ook blijkt uit de mededeling van Gravenberch aan het personeel, dat er feitelijk niets anders zou veranderen dan alleen de tenaamstelling. Er is sprake van een duurzaam georganiseerde entiteit met identiteitsbehoud. Gravenberch heeft ook bevestigd dat het personeel het kenmerkende onderdeel van de onderneming vormt.
4.4 Nu naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van een overgang van onderneming zullen de rechten en plichten van voor de overgang bij de verdere beoordeling dienen te worden meegenomen.
4.5 De volgende discussie tussen partijen is de vraag of de cao-verhoging per 1 juni 2020 ook van toepassing is op [verzoeker tevens verweerder] . De kantonrechter is met [verzoeker tevens verweerder] van oordeel dat dit het geval is, nu artikel 3.2A van de cao, waarop Gravenberch zich beroept, enkel en alleen een uitzondering maakt indien het salaris hoger is dan het maximum van de salarisschaal Hulp bij het Huishouden. [verzoeker tevens verweerder] heeft terecht aangevoerd dat dit betekent dat dan naar de laatste periodiek van de salarisschaal dient te worden gekeken, nu deze het hoogste uurloon bevat. Uit de overgelegde cao blijkt dat dit salarismaximum hoger ligt dan het tussen partijen overeengekomen salaris van € 12,50, zodat de cao-verhoging ook geldt voor [verzoeker tevens verweerder] .
4.6 Ten aanzien van de omvang van arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker tevens verweerder] gewezen op de omvang van de werkzaamheden gedurende de drie maanden voorafgaand aan 1 januari 2020.
Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een overgang van onderneming kan deze periode ook van belang zijn voor het bepalen van de omvang van het dienstverband met Gravenberch.
Gravenberch heeft gesteld dat voor het bepalen van de omvang gekeken dient te worden naar een langere periode, omdat sprake was van pieken en dalen in het werk. [verzoeker tevens verweerder] heeft dit betwist en gesteld dat indien gekeken wordt naar een periode van 12 maanden na aanvang van de eerste arbeidsovereenkomst het weekgemiddelde nauwelijks afwijkt van het weekgemiddelde gedurende de door haar aangewezen periode van drie maanden (23,62 uur per week in plaats van 25,19 uur per week).
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Gravenberch, gelet op dit verweer van [verzoeker tevens verweerder] , onvoldoende gemotiveerd het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW weerlegd. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een arbeidsomvang van 25,19 uur per week vanaf 1 januari 2020.
4.7 Gravenberch heeft nog betoogd dat [verzoeker tevens verweerder] eerst aanspraak kan maken op de eindejaarsuitkering (over 2020) in november 2021. Gravenberch heeft daarbij verwezen naar artikel 3.9 van de cao. [verzoeker tevens verweerder] heeft dit standpunt weersproken en betwist dat dit volgt uit deze bepaling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De cao heeft een looptijd van 1 juli 2019 tot en met 31 augustus 2021. Artikel 3.9 van de cao bepaalt dat een werknemer de eindejaarsuitkering ontvangt in november 2019 of uiterlijk 1 mei 2020. Vanaf november 2020 ontvangt de werknemer de eindejaarsuitkering in november. De opbouw vindt blijkens hetzelfde artikel plaats over de periode van december 2018 tot en met november 2019 en vanaf december 2019 tot en met november.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt logischerwijs hieruit dat de opbouw over de periode december 2019 tot en met november 2020 uitbetaald dient te worden in november 2020. Het andersluidende standpunt van Gravenberch wordt derhalve verworpen.
4.8 Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [verzoeker tevens verweerder] ten aanzien van het achterstallig salaris, de eindejaarsuitkering en de cao-verhoging toewijsbaar zijn, nu Gravenberch daartegen voor het overige geen verweer heeft gevoerd.
4.9 Ten aanzien van de aanspraak van [verzoeker tevens verweerder] op de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding is van belang of Gravenberch een dringende reden had om [verzoeker tevens verweerder] op 1 december 2020 op staande voet te ontslaan en of op dat moment nog sprake was van een dienstverband tussen partijen.
4.10 Gravenberch heeft gesteld dat [verzoeker tevens verweerder] de arbeidsovereenkomst per 1 december 2020 heeft opgezegd en dat dus de laatste werkdag 30 november 2020 was. [verzoeker tevens verweerder] heeft gesteld dat zij de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand heeft opgezegd per 1 januari 2021.
4.11 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Gravenberch redelijkerwijs aan de e-mails van [verzoeker tevens verweerder] in de periode van 26 tot en met 30 november 2020 geen andere betekenis kunnen toekennen dan dat [verzoeker tevens verweerder] een opzegtermijn van 1 maand in acht wilde nemen en de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen tegen een datum gelegen na verloop van die opzegtermijn. Toegegeven kan worden dat door het noemen van de datum van 1 december 2020 in de e-mail van 26 november 2020 [verzoeker tevens verweerder] voor enige verwarring kan hebben gezorgd, maar door vervolgens expliciet te noemen dat zij ook de opzegtermijn in acht wilde nemen, kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dat [verzoeker tevens verweerder] wilde dat de opzegtermijn op de datum van 1 december 2020 ging lopen. Dat blijkt ook uit de daaropvolgende e-mails, zodat de eventuele verwarring voldoende is weggenomen. De discussie tussen partijen ging in feite enkel en alleen of [verzoeker tevens verweerder] wel tegen een eerdere datum dan 1 augustus 2021 kon opzeggen.
4.12 Nu de arbeidsovereenkomst niet reeds op 1 december 2020 door opzegging was geëindigd, is vervolgens de vraag aan de orde of Gravenberch (op 1 december 2020) een dringende reden had om [verzoeker tevens verweerder] op staande voet te ontslaan (per 30 november 2020). De kantonrechter is met [verzoeker tevens verweerder] van oordeel dat dit niet het geval is.
Zoals hiervoor overwogen hebben partijen voorafgaand aan het ontslag op staande voet vooral gediscussieerd over de vraag of [verzoeker tevens verweerder] de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand kon opzeggen. Zoals ook blijkt uit de opstelling van Gravenberch in deze procedure heeft Gravenberch daarbij ten onrechte het standpunt ingenomen dat [verzoeker tevens verweerder] de arbeidsovereenkomst niet eerder kon opzeggen dan per 1 augustus 2021. [verzoeker tevens verweerder] hield vast aan haar standpunt dat dit wel kon. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft vervolgens Gravenberch de discussie geëscaleerd door [verzoeker tevens verweerder] (ten onrechte) te schorsen. Toen vervolgens [verzoeker tevens verweerder] niet akkoord ging met het voorstel van Gravenberch om de arbeidsovereenkomst per 1 december 2020 te beëindigen, heeft Gravenberch met terugwerkende kracht [verzoeker tevens verweerder] op staande voet ontslagen. Van werkverzuim, voor zover dit al aan het ontslag op staande voet ten grondslag lag, is onder deze omstandigheden geen sprake. Een en ander levert geen dringende reden op.
4.13 Nu Gravenberch geen dringende reden had om [verzoeker tevens verweerder] op staande voet te ontslaan, kan [verzoeker tevens verweerder] aanspraak maken op de verzochte gefixeerde schadevergoeding. Ook kan [verzoeker tevens verweerder] alsdan aanspraak maken op de verzochte transitievergoeding.
4.14 De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging vast te stellen op 25%, zijnde € 1.376,23 bruto. De kantonrechter acht het redelijk om de buitengerechtelijke incassokosten berekend over het achterstallige salaris toe te wijzen. [verzoeker tevens verweerder] heeft aan de hand van de overgelegde correspondentie voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter merkt daarbij op dat onder het huidige recht een enkele brief ook voldoende kan zijn om aanspraak te maken op vergoeding van buitengerechtelijke werkzaamheden. Toewijsbaar is daarom een bedrag van € 677,00. De verzochte wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.
4.15 Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker tevens verweerder] met betrekking tot de aanmelding bij het pensioenfonds en de afdracht van de pensioenpremie heeft Gravenberch enkel het verweer gevoerd dat zij niet kan worden veroordeeld tot aanmelding, omdat zij al bezig is met de aanmelding. De kantonrechter verwerpt dit verweer. [verzoeker tevens verweerder] heeft er belang bij dat Gravenberch ook daadwerkelijk de in de arbeidsovereenkomst neergelegde afspraken nakomt. De kantonrechter zal de dwangsom beperken als hierna te melden.
4.16 De in het tegenverzoek door Gravenberch verzochte gefixeerde schadevergoeding is niet toewijsbaar gelet op het hiervoor overwogene ten aanzien van het ontslag op staande voet. [verzoeker tevens verweerder] heeft Gravenberch geen dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.
4.17 Tenslotte is de kantonrechter met [verzoeker tevens verweerder] van oordeel dat Gravenberch geen (rechtmatig) belang heeft bij afgifte van de huidige arbeidsovereenkomst van [verzoeker tevens verweerder] . Door ten onrechte [verzoeker tevens verweerder] op staande voet te ontslaan kan Gravenberch jegens [verzoeker tevens verweerder] geen rechten meer ontlenen aan het concurrentiebeding, nog daargelaten de vraag of partijen wel een concurrentiebeding als door Gravenberch aangevoerd zijn overeengekomen. Bovendien heeft [verzoeker tevens verweerder] bevestigd dat zij per 1 januari 2021 bij een andere werkgever in de branche is gaan werken, zodat ook zonder nadere toelichting niet valt in te zien wat de toegevoegde waarde is van de afgifte van de arbeidsovereenkomst.
4.18 Gravenberch zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 Beslissing
De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

- veroordeelt Gravenberch om aan [verzoeker tevens verweerder] te betalen:
a € 1.779,31 bruto wegens onregelmatige opzegging;
b € 730,31 bruto inzake transitievergoeding;
c € 3.677,12 bruto inzake achterstallig loon inclusief emolumenten;
d € 1.633,52 bruto inzake achterstallige eindejaarsuitkering;
e € 194,28 bruto inzake achterstallige cao-verhoging;
f € 1.376,23 bruto inzake wettelijke verhoging;
g € 677,00 inzake buitengerechtelijke incassokosten;
h de wettelijke rente over de vorderingen a t/m f van de dag der verschuldigdheid tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt Gravenberch binnen vier weken na betekening van deze beschikking [verzoeker tevens verweerder] met terugwerkende kracht aan te melden bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn en tot het afdragen van de pensioenpremie over de gehele periode dat [verzoeker tevens verweerder] bij Gravenberch in dienst is geweest en [verzoeker tevens verweerder] bewijs van die aanmelding en afdracht te verschaffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat Gravenberch hieraan niet heeft voldaan tot een maximum van € 10.000,00;

- wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaak van het tegenverzoek

- wijst het verzochte af;

in de zaak van het verzoek en tegenverzoek

- veroordeelt Gravenberch in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker tevens verweerder] begroot op

€ 1.081,00, waarvan € 996,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 april 2021.