Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3532

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
NL21.4110
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, Sierra Leone, onvoldoende voortvarend gehandeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.4110


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. S. Thelosen,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

gemachtigde: mr. G.J. Westendorp.

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 december 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 januari 2021 in de zaak NL20.21801 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 29 december 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser heeft gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de M120 blijkt dat het laatste rappel dateert 10 juli 2019 en verweerder heeft sinds deze inbewaringstelling geen handelingen van betekenis meer verricht. De handelingen van na

10 maart zijn interne handelingen, gericht op informatieverzameling en niet op terugkeer. De vertrekgesprekken vinden plaats met een frequentie van minder dan 1 per maand en tijdens die vertrekgesprekken wordt alleen over de detentieomstandigheden gesproken en niet over eisers terugkeer of het lp-traject.

4.1

Verweerder heeft gesteld dat wel voortvarend is gewerkt aan eisers verwijdering. Op

28 januari 2021 en 1 maart 2021 hebben vertrekgesprekken plaatsgevonden. Het is aan de regievoerder om te bepalen wat daarin aan de orde wordt gesteld. Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiser in detentie zat toen zijn nationaliteit werd vastgesteld op 10 juli 2019, en zolang hij in detentie zat, was uitzetting niet aan de orde en was er ook geen belang bij afgifte van een LP, zodat verweerder daarna niet meer heeft gerappelleerd. Pas op het moment dat aan eiser de huidige maatregel van bewaring werd opgelegd, werd de lp- aanvraag weer actueel. Verweerder heeft vervolgens gerappelleerd op 6 januari, 27 januari 2021, 17 februari en 9 maart.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt en betrekt daarbij de volgende feiten en omstandigheden. Uit het dossier blijkt dat eisers nationaliteit is vastgesteld in juli 2019. Uit het verweerschrift blijkt dat in heel 2020 geen lp’s zijn verstrekt. Verder staat in het verweerschrift dat op 29 maart 2021 telefonisch contact is geweest tussen de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) van de DT&V en de Sierra Leoonse vertegenwoordiging in Brussel. De autoriteiten zouden hebben laten weten dat het terugkeerproces weer kan worden opgestart. Dat wordt nog schriftelijk bevestigd, maar die bevestiging maakt geen deel uit van het dossier in deze zaak. In het verweerschrift staat ook dat op 30 maart een nieuwe lp aanvraag wordt ingediend. Verder blijkt uit de M120 dat de regievoerder 18 maart 2021 contact heeft gehad met het Bureau Boekingen en DIA over de mogelijkheid om eiser uit te zetten op een EU-staat. Dat bleek niet mogelijk.

Tijdens de zitting is verder aan de orde geweest dat de rappels die hebben plaatsgevonden in 2021 niet zijn terug te vinden in de voortgangsrapportage of elders in het dossier. Verweerder heeft hierover tijdens de zitting gezegd dat als iemands nationaliteit is vastgesteld, rappels niet meer in de M120 kunnen worden geregistreerd. Verder is in de schriftelijke uitwisseling van standpunten en tijdens de zitting aan de orde geweest de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:597), waarin is geoordeeld dat geen zicht op uitzetting naar Sierra Leone bestaat. Verweerder heeft in het verweerschrift gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 24 februari 2020 (NL20.2981), waarin is geoordeeld dat wel zicht op uitzetting is aangenomen. Het is verder onduidelijk wanneer voor het laatst een lp is afgegeven door de Sierra Leoonse autoriteiten.

4.3

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, ook bezien tegen de achtergrond van de genoemde uitspraak van de Afdeling en de omstandigheid dat kennelijk gedurende in elk geval enige tijd geen lp meer is afgegeven. Daarbij vindt de rechtbank met name het volgende van belang. Eisers nationaliteit staat al geruime tijd vast. Verweerder heeft pas op 18 maart 2021 informatie ingewonnen over de mogelijkheid eiser uit te zetten met een EU-staat. Het is niet duidelijk waarom dit niet eerder is gebeurd. Pas op 29 maart 2021 is contact geweest met de autoriteiten van Sierra Leone. Het is overigens niet duidelijk of dat een algemeen contact is geweest of een contact dat (ook) zag op eiser, maar gelet op de omstandigheid dat eisers nationaliteit al geruime tijd vaststond en eiser zich al die tijd ook in de macht van de Nederlandse autoriteiten bevond, had een eerder contact voor de hand gelegen. Verweerder lijkt in het verweerschrift te suggereren dat dit tijdens eisers detentie niet noodzakelijk was, maar de rechtbank brengt in herinnering dat vreemdelingenbewaring een laatste middel is en dat verweerder zich moet inspannen om die bewaring te voorkomen of zo kort mogelijk te houden. Dat contact had bovendien ook eerder dit jaar gekund, terwijl uit de M120 ook niet blijkt dat dit is geprobeerd.

Verder zou verweerder een aantal maal hebben gerappelleerd, maar dat staat niet vermeld in het dossier. Voor zover dit al niet geregistreerd kan worden in het gebruikelijke veld in de M120, ziet de rechtbank niet in dat dit niet kon worden vermeld in het vrije gedeelte van de M120. Maar zelfs als de rechtbank uitgaat van deze rappels is onduidelijk wat deze rappels inhielden, terwijl eisers nationaliteit toch al geruime tijd vaststond.

Met betrekking tot de opmerking in het verweerschrift dat een nieuwe lp-aanvraag wordt ingediend op 30 maart 2021, merkt de rechtbank op dat ook hiervan een schriftelijke onderbouwing ontbreekt. Het is onduidelijk of een nieuwe lp-aanvraag is ingediend en waarom dit nodig zou zijn, terwijl er nog een lp-aanvraag loopt. Als een nieuwe lp-aanvraag nodig was, is onduidelijk waarom dit niet eerder is gebeurd en waar verweerder dan op heeft gerappelleerd.

De vraag of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld vraagt om een beoordeling van het geheel, waarbij de omstandigheden van dit geval worden betrokken. Zoals gezegd is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende voortvarendheid heeft betracht. Dat er vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden is – nog los van de inhoud van die gesprekken – dan onvoldoende om te spreken van voortvarend handelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook het vertrekgesprek van 28 januari 2021 niet in het dossier is opgenomen, zodat niet duidelijk is wat er is besproken tijdens dat gesprek.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de maand januari 2021 moest worden gegund om zich te beraden op de te verrichten uitzettingshandelingen. De maatregel van bewaring is daarom met ingang van 1 februari 2021 onrechtmatig geweest. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de opheffing van de maatregel van bewaring bevelen met ingang van vandaag.

Omdat het beroep hierom al gegrond is, hoeft wat er is gesteld over het zicht op uitzetting geen bespreking meer.

5.1

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 61 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 61 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 6.100,-, dus vanaf de datum dat de maatregel onrechtmatig is.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 6.100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot-Akkerman, griffier.

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 6.100,-.

griffier rechter

Deze uitspraak is bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.