Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3448

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB 20/2490
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsprocedure 8 EVRM privéleven - weging van het samenstel van elementen onvoldoende overtuigend voor de conclusie dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden noch dat sprake is van een fair balance - beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2490

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedag] 1996, eiseres 1

en

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedag] 1999, eiseres 2,

beide van Marokkaanse nationaliteit, tezamen eiseressen

(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseressen tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM1” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 24 maart 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseressen tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Het verzoek wordt toegewezen op grond van de door eiseressen verstrekte gegevens over hun inkomsten en vermogen.

2. Eiseressen zijn in 2003 samen met hun moeder naar Nederland gekomen en zijn nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Op 13 maart 2019 hebben zij deze aanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eiseressen afgewezen omdat zij niet in het bezit zijn van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Zij komen naar het oordeel van verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling het mvv-vereiste, aangezien hun uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM (privéleven). Door verweerder is aangenomen dat sprake is van privéleven in Nederland, maar dit betekent niet dat eiseressen zonder meer recht hebben op een verblijfsvergunning. De beoordeling en afweging van de belangen leidt voor verweerder tot de conclusie dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiseressen.

4. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en dat de belangenafweging van verweerder ten onrechte niet in hun voordeel is uitgevallen. Eiseressen voeren hiertoe aan dat verweerder geen concreet belang van de staat heeft aangevoerd en onderbouwd. Ook is volgens eiseressen onduidelijk wat in hun voordeel is meegewogen door verweerder en op welke wijze. Verweerder is bovendien niet kenbaar nagegaan of alle belangen van eiseressen tezamen niet een zodanig gewicht hebben dat zij zwaarder wegen dan het niet door verweerder benoemde belang van de staat.

Beoordeling rechtbank

5. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)2, moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een ‘fair balance’ worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechtbank dient aan de hand van de beroepsgronden te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toetsing.

6.1

De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de Nederlandse Staat, dat is gediend bij een restrictief toelatingsbeleid, zwaarder weegt dan het belang van eiseressen om in Nederland privéleven uit te oefenen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6.2

De rechtbank stelt voorop dat eiseressen op zeer jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen. [eiseres 1] was zeven jaar oud en [eiseres 2] drie jaar oud. Zij hebben hier hun basis- en voortgezet onderwijs gevolgd en verblijven inmiddels al ruim zeventien jaar in Nederland. Uit het arrest [partij] en uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)3 volgt dat eiseressen om deze redenen moeten moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Ter onderbouwing van deze sterke banden met Nederland, hun integratie en bijdrage aan de Nederlandse samenleving hebben eiseressen een groot aantal verklaringen overgelegd bij hun aanvragen. Zo zijn er meerdere verklaringen overgelegd van docenten, de toenmalige rector en de schoolleiding van de middelbare school van eiseressen. In de eerste plaats volgt hieruit, wat ook is onderbouwd met diploma’s, dat [eiseres 1] met goed gevolg haar HAVO-diploma heeft behaald en [eiseres 2] haar VWO-diploma. Verder geven deze verklaringen een beeld van twee zeer betrokken, getalenteerde en gedreven leerlingen die worden bedolven onder de loftuitingen van hun oud-docenten en schoolbestuur. Opgemerkt wordt dat eiseressen er alles aan hebben gedaan om zichzelf te ontwikkelen ondanks de problemen waar zij als gevolg van hun illegale status tegenaan liepen. Duidelijk wordt dat zij door de middelbare school worden gezien als twee hardwerkende, ambitieuze, volledig geïntegreerde ‘Nederlandse’ vrouwen, die een positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving. Daarnaast is een verklaring overgelegd van Bureau YAN, waaruit volgt dat [eiseres 1] zeer succesvol heeft deelgenomen aan het Amsterdam Fashion College (AFC), een alternatief onderwijsprogramma waarin jongeren en jong volwassenen professionele begeleiding krijgen om een start te maken in het ondernemerschap. [eiseres 1] wordt omschreven als een veelbelovend talent met impact op de Nederlandse samenleving en is dan ook benoemd als ambassadeur van de zesde editie van het AFC, alsmede als ‘Junior Held’. Als gevolg van het programma is zij aan de slag gegaan als schrijfster voor Modemuze Nederland. De rechtbank leidt uit voorgaande af dat eiseressen zich in positieve zin onderscheiden in de maatschappij, wat ten opzichte van andere gevallen in enige mate afdoet aan het belang van de Staat om hen een rechtmatig verblijf te ontzeggen. Ook blijkt uit deze verklaringen dat zij hier zodanig geïntegreerd en geworteld zijn dat daaruit een sterke verbondenheid met Nederland volgt. De rechtbank is gelet op voorgaande met eiseressen van oordeel dat verweerder de positieve ontwikkelingen van eiseressen en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving heeft gebagatelliseerd, onder meer door te stellen dat dit inherent is aan het feitelijk verblijf. Door verweerder wordt weliswaar erkend dat eiseressen zich goed hebben ontwikkeld, maar verweerder heeft hiermee onvoldoende kenbaar rekening gehouden in de belangenafweging.

6.3

Ten aanzien van de persoonlijke contacten en vriendschappen die eiseressen hebben opgebouwd in Nederland is door verweerder overwogen dat zij deze ook op een andere manier kunnen onderhouden, bijvoorbeeld door korte bezoeken of middels moderne communicatiemiddelen. In de Werkinstructie 2019/15, welke geldig was ten tijde van het bestreden besluit, volgt dat indien de vreemdeling op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en nagenoeg zijn gehele jeugd in Nederland heeft doorgebracht en hij alle banden die hij heeft in Nederland zijn opgebouwd en bestendigd, minder zwaar in het nadeel zal worden betrokken dat hij de in Nederland opgebouwde banden op afstand kan onderhouden. Uit de motivering van verweerder in het bestreden besluit volgt niet dat verweerder dit uitgangspunt uit zijn werkinstructie heeft toegepast.

6.4

Verweerder heeft verder overwogen dat verwacht wordt dat eiseressen zich in Marokko zullen kunnen handhaven, waarbij onder andere is betrokken dat er in Marokko een sociaal netwerk aanwezig is. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. Uit de Werkinstructie 2019/15 volgt dat als een vreemdeling op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en na zijn vertrek nooit in zijn land van herkomst is geweest en - geen contact (meer) heeft gehad met familieleden in het land van herkomst, er een grote verantwoordelijkheid bij de IND ligt om te onderbouwen dat bij terugkeer een sociaal vangnet aanwezig zal zijn waarop de vreemdeling kan terugvallen. Er kan door verweerder pas worden aangenomen dat banden met het land van herkomst bestaan en dat daar een sociaal vangnet aanwezig is na zorgvuldig onderzoek en met een uitgebreide motivatie. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van het benodigde zorgvuldige onderzoek noch van een uitgebreide motivering en overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat eiseressen op zeer jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen en na hun vertrek uit Marokko nooit meer terug zijn geweest. Ten aanzien van familieleden in Marokko hebben eiseressen weliswaar aangegeven dat hun moeder in het totaal tien broers en zussen heeft, waaronder ook meerdere woonachtig in Marokko, maar daarbij is benadrukt dat er geen contact is met hen. Verder hebben zij verklaard dat het contact met deze familieleden vroeger, toen eiseressen nog kind waren, enkel bestond uit het zeggen van ‘hallo’ en ‘hoe gaat het’, vanwege hun gebrekkige Arabisch. Waarom verweerder er desondanks van uitgaat dat eiseressen kunnen rekenen op steun van deze familieleden, is niet gemotiveerd. Door verweerder is ook bij de beoordeling betrokken dat eiseressen in Marokko op steun van hun moeder kunnen rekenen, nu ook zij zal moeten vertrekken naar Marokko. De rechtbank overweegt in dit kader dat het zeer onzeker is of de moeder van eiseressen met hen zal terugkeren naar Marokko en of eiseressen daar op haar kunnen rekenen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseressen op de hoorzitting hebben verklaard dat slechts sprake is van beperkt (telefonisch) contact met hun moeder. Daarnaast ontwijkt de moeder van eiseressen al twintig jaar haar vertrekplicht en is niet gebleken dat verweerder bezig is met de voorbereiding van haar uitzetting. Door verweerder is verder opgemerkt dat eiseressen kunnen rekenen op steun van elkaar. Welke steun verweerder hiermee bedoelt, is de rechtbank onduidelijk. De steun die in dit verband relevant zou kunnen zijn, zou moeten zien op het gemakkelijker kunnen vinden van hun weg in de Marokkaanse maatschappij. Wat dat betreft is niet goed duidelijk wat zij voor elkaar kunnen betekenen, nu beide zeer beperkte banden met Marokko hebben en de taal enkel gebrekkig spreken.

6.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de zeer sterke banden met Nederland en de zeer beperkte banden van eiseressen met Marokko niet opwegen tegen het belang van de Staat. Verweerder heeft niet in redelijkheid aannemelijk kunnen achten dat, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, bij terugkeer naar Marokko geen sprake zal zijn van ‘social and professional difficulties’ als bedoeld in het arrest [partij] . Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betrokken in de belangenafweging. De overweging van verweerder dat er geen indicaties zijn gevonden dat er onoverkomelijke of bijzondere obstakels voor eiseressen bestaan om zich in Marokko te vestigingen, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende.

6.6

Verweerder heeft verder in het nadeel van eiseressen meegewogen dat het risico bestaat dat hun moeder gebruik zal proberen te maken van het verblijfsrecht van eiseressen om voor zichzelf verblijfsrecht in Nederland te creëren. Niet goed valt in te zien hoe verweerder dit risico in dit specifieke geval als reëel heeft kunnen aanmerken. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseressen meerderjarig zijn, dat zij niet langer in gezinsband leven met hun moeder en dat slechts sprake is van beperkt (telefonisch) contact, hetgeen verweerder ook op schrift heeft staan aangezien eiseressen het in de onderhavige procedure meerdere malen hebben verklaard. Verder zijn er ook geen gezondheidsproblemen bekend aan de kant van eiseressen of hun moeder. De rechtbank ziet dan ook niet zonder meer in dat de moeder van eiseressen een zodanig reële kans zou maken verblijfsrecht aan eiseressen te ontlenen dat dit enig gewicht in de schaal zou kunnen leggen.

6.7

Verweerder heeft verder bij de belangenafweging onderkend dat de keuze om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht, niet de keuze was van eiseressen maar die van hun moeder. Dit is door verweerder echter wel betrokken in de belangenafweging, omdat dit volgens verweerder bezwaarlijk aan de Nederlandse staat kan worden toegerekend. Door verweerder is verder aan eiseressen tegengeworpen dat zij niet direct na hun meerderjarigheid hebben gepoogd om hun verblijf in Nederland te legaliseren. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het in principe op de weg van eiseressen had gelegen om eerder een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning. De rechtbank is echter, gelet op de omstandigheden van dit geval, van oordeel dat verweerder hier in redelijkheid niet zo’n zwaar gewicht aan heeft kunnen toekennen als nu is gedaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseressen voorafgaand aan het bereiken van die meerderjarigheid vanaf jonge leeftijd in Nederland zijn opgegroeid en naar school zijn gegaan zonder zeker toekomstperspectief in dit land, waarbij hen is aangeleerd zich zoveel mogelijk aan het zicht van autoriteiten te onttrekken en onder de radar te blijven. Dit kan niet aan verweerder worden verweten, bij wie hun aanwezigheid immers niet bekend was, maar evenmin aan eiseressen. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder eiseressen dan ook niet in redelijkheid ten volle kunnen aanrekenen dat zij na het bereiken van de meerderjarigheid niet direct naar de overheid zijn gestapt .

6.8

De rechtbank komt tot de conclusie dat de weging van het samenstelsel van elementen onvoldoende overtuigend is om te stellen dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden aan de kant van eiseressen noch dat de belangenafweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’. De beroepsgrond slaagt.

7. Eiseressen hebben verder aangevoerd dat het hoge bedrag aan leges dat verweerder voor deze aanvragen heeft geëist, in strijd is met artikel 13 van het EVRM, in samenhang gezien met artikelen 8 en 14 van het EVRM. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat vrijstelling van de leges wordt verleend indien er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het EVRM en voldoende aannemelijk is gemaakt dat niet aan de legesverplichting kan worden voldaan. Naar de rechtbank is gebleken hebben eiseressen niet aangetoond dat zij voldoen aan het beleid dat verweerder voert bij vrijstelling van de leges, zoals opgenomen in paragraaf B1/8.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit geldt te meer nu eiseressen aan de legesverplichting hebben voldaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een schending van artikel 13 van het EVRM, omdat het eiseressen niet heeft ontbroken aan een daadwerkelijk rechtsmiddel om de door hen gestelde schending van artikel 8 van het EVRM bij verweerder en de rechtbank aan de orde te stellen.

8. Uit hetgeen is overwogen onder 6 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Ferdinandusse, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Grundmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Onder meer de arresten [partij] en [partij] tegen Nederland van 31 januari 2006 (nr. 50435/99), [partij] tegen Denemarken van 14 juni 2011 (nr. 38058/09), [partij] tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (nr. 55597/09) en het arrest [partij] tegen Noorwegen van 4 december 2012 (nr. 47017/09).

3 Zie onder andere de uitspraken ECLI:NL:RVS:2014:1775 en ECLI:NL:RVS:2016:1285.