Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
C/09/587933 / HA ZA 20-138
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Vordering gegrond op wanbeheer van het vermogen van de ouders van eisers door het Nederlands Beheersinstituut na WOII. Beroep van de Staat op het verval van de vordering slaagt. Beroep van eisers ter afwending van het verweer van de Staat op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in het kader van rechtsherstel wordt gepasseerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/587933 / HA ZA 20-138

Vonnis van 7 april 2021

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] [plaats 1] ,

2. [eisende partij sub 2]te [plaats 2] ,

3. [eisende partij sub 3]te [plaats 3] ,

4. [eisende partij sub 4]te [plaats 4] ,

eisers,

advocaat mr. E.C.G. Klinkhamer te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. K. Teuben te Den Haag.

Partijen zullen hierna eisers en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 december 2019, met producties 1 t/m 36;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    het tussenvonnis van 27 januari 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 februari 2021 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 februari 2021 is buiten de aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Bij brief van 11 maart 2021 hebben eisers van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het proces-verbaal wordt gelezen met inachtneming van hun opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De ouders van eisers (hierna: de ouders) zijn eind 1932 naar [plaats 5] , Duitsland, geëmigreerd. In 1933 startte de vader van eisers (hierna: de vader) daar de uitgeverij ‘ [de Uitgeverij I] ’. Medio 1941 begon de vader daarnaast een uitgeverij in [plaats 1] , ‘ [de Uitgeverij II] ’. Eind 1942 keerde het gezin terug naar Nederland. Omdat de uitgeverijen moeite hadden om aan papier te komen, zijn de ouders een stoeterij/fokkerij voor racepaarden begonnen. Daartoe hebben zij in 1942 en 1943 zes volbloed racepaarden in Frankrijk gekocht voor een totaalbedrag van fl. 151.000,--.

2.2.

De vader is op 20 april 1945 gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitsers. Hij is in ieder geval tot in november 1945 geïnterneerd geweest en omstreeks die tijd uit de bewaring ontslagen. Op 29 april 1946 is hem het recht ontzegd om gedurende vijf jaar leiding te geven aan een uitgeverij. Er is geen vervolging ingesteld tegen de vader.

2.3.

De moeder van eisers (hierna: de moeder) is op 11 mei 1945 en vervolgens op 14 juli 1945 gearresteerd. Zij is tot 15 december 1945 geïnterneerd geweest. Zij moest een boete van f1. 1.000,-- voldoen en er is een kiesverbod van tien jaar aan haar opgelegd.

2.4.

Op 24 juli 1945 heeft het Militair Gezag de vermogens van de ouders op grond van het Besluit Herstel Rechtsverkeer (Stb. E100) en het Besluit Vijandelijk Vermogen (Stb. E133) onder beheer gesteld. Het beheer werd eerst uitgevoerd door het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel, een onderdeel van het Militair Gezag, en daarna door het Nederlands Beheer Instituut (NBI), een onderdeel van de Raad voor het Rechtsherstel dat was belast met het opsporen, beheren en eventueel liquideren van landverraderlijke vermogens, vijandelijke vermogens en de vermogens van tijdens de oorlog verdwenen personen. Er zijn drie beheerders aangewezen, voor het privévermogen, de uitgeverijen, respectievelijk de stoeterij.

2.5.

Het beheer over het vermogen van de moeder is op 11 juni 1946 opgeheven met met ingang van de vijftiende dag na ontvangst van het bericht door de secretaris van het NBI. Feitelijk eindigde het beheer op 8 september 1946. Daarna heeft het NBI nog aan de moeder toebehorende goederen verkocht.

2.6.

Op 19 juni 1949 is het beheer over het vermogen van de vader geëindigd. Op 28 december 1949 heeft het NBI aan de vader geschreven:

“Op uw daartoe gedaan verzoek bevestigen wij hiermede, dat U volgens onze gegevens in 1945 als bewoner van Huize “ [X] ” te [plaats 6] verdacht van collaboratie bent aangehouden en dat dientengevolge uw vermogen onder beheer gesteld is.

Wij betreuren het zeer, dat U destijds na Uw invrijheidstelling niet over Uw meubilaire goederen heeft kunnen beschikken waarop U recht had, hetgeen echter een gevolg is geweest van de o.i. onjuiste houding van de toenmalige burgemeester van bovengenoemde gemeente, die optrad als hoofd van het Gemeentelijk Bureau Roerende Goederen.

Temeer betreuren wij deze gang van zaken, aangezien sedertdien niet gebleken is, dat enige tegen U gerezen verdenking gegrond was.”

2.7.

In september 1946 is het gezin naar Frankrijk vertrokken, uit angst voor nieuwe

(anonieme) beschuldigingen en nieuwe aanhoudingen. Het gezin verbleef illegaal in Frankrijk omdat de paspoorten van de ouders na hun aanhouding waren afgenomen. Nadat de ouders eind 1948 hun paspoorten terugkregen, is het gezin teruggekeerd naar Nederland, om kort daarna te verhuizen naar [plaats 7] , Duitsland. Begin 1957 zijn de ouders gescheiden.

2.8.

Gedurende en deels nog na het beheer over de vermogens van de ouders zijn door de beheerders goederen uit de inboedel verkocht, zijn ook de paarden van de stoeterij verkocht en zijn de uitgeverijen geliquideerd.

2.9.

In 1955 heeft het NBI fl. 7.500,-- aan de ouders in rekening gebracht voor het gevoerde beheer, gevolgd door twee afrekeningen in 1957 van in totaal f1. 412,47. De ouders hebben deze afrekeningen voldaan.

Procedures en klachten

2.10.

Op 26 februari 1947 is de moeder een procedure begonnen bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (de Afdeling). Zij vorderde schadevergoeding in verband met het door het NBI gevoerde wanbeheer en uitlevering van de aan haar toebehorende meubilaire goederen en juwelen. Op 6 april 1950 heeft de Afdeling de vorderingen tot teruggave van reeds teruggegeven goederen afgewezen en zich verder onbevoegd verklaard. De Afdeling wees de moeder op de mogelijkheid een procedure bij een gewone rechter aanhangig te maken.

2.11.

In 1951 hebben de ouders juridisch advies ingewonnen. Hen werd toen ontraden om een procedure bij de gewone rechter aanhangig te maken omdat de per 13 oktober 1950 in werking getreden Wet Overheidsaansprakelijkheid bezettingshandelingen een deel van de gronden om het NBI aansprakelijk te stellen had doen vervallen. De ouders hebben vervolgens op 7 februari 1951 een klacht over het gevoerde (wan)beheer ingediend bij de Schade-Enquête-Commissie te Wageningen. In november 1951 hebben de ouders een klacht ingediend bij de Commissie Beheersconflicten.

Zoektocht kinderen, excuses en aansprakelijkstelling Staat

2.12.

Na zijn pensionering in 2008 is [eisende partij sub 3] een zoektocht begonnen naar het verleden van zijn ouders. Hij heeft zijn bevindingen opgetekend in het in 2017 verschenen boek ‘ [titel Boek] ’. Ook heeft hij contact opgenomen met de burgemeester van [plaats 6] , die hem na een ontmoeting op 28 maart 2018 heeft geschreven:

“Dat laat echter onverlet dat mede door de opstelling van het lokaal bestuur van destijds een fout en gekleurd beeld is ontstaan over de gedragingen van uw ouders tijdens de Oorlog.”

2.13.

[eisende partij sub 3] heeft vervolgens de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid aangeschreven. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een gesprek met het hoofd van de Afdeling Juridische, Bestuurlijke en Operationele Zaken van dat ministerie op 31 januari 2019. Na dit gesprek ontving [eisende partij sub 3] een brief van 19 maart 2019 en een bos bloemen. In de brief stond dat schadevergoeding niet mogelijk was. In de brief stond voorts dat de verdenking jegens de ouders onterecht was geweest en dat het NBI onjuist had gehandeld. De brief bevatte excuses daarvoor. Nadat eisers hadden gevraagd om een gesprek over een geldelijke compensatie, is op 1 mei 2019 aan hen geantwoord dat een gesprek mogelijk was, alleen niet over schadevergoeding.

2.14.

Eisers hebben de Staat bij brief van 6 juni 2019 aansprakelijk gesteld voor de door hen en hun ouders geleden schade.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – samengevat – veroordeling van gedaagde tot betaling van:

  1. de door eisers geleden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, vermeerderd met rente;

  3. de kosten van deze procedure, vermeerder met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

Eisers houden de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die het gezin heeft geleden als gevolg van wanbeheer van de vermogens van de ouders door het Militair Commissariaat en het NBI. Zij ramen de schade voorlopig op

€ 2.650.000,-- (het hedendaagse equivalent van fl. 463.750,--). Het door eisers gestelde onrechtmatige wanbeheer bestaat onder meer uit:

  • -

    a) een zeer onzorgvuldige administratie van het beheer;

  • -

    b) een veel te lage taxatie van de waarde van de goederen;

  • -

    c) aankoop door een van de beheerders van een groot aantal (luxe) goederen uit de boedel tegen een te lage waarde;

  • -

    d) het ten onrechte onder beheer stellen van de meubilaire goederen;

  • -

    e) zeer kostbaar en onverantwoordelijk beheer over de stoeterij, zonder gehoor te geven aan het in juli 1945 gedane verzoek van de vader om tot onmiddellijke liquidatie van de stoeterij over te gaan;

  • -

    f) de verkoop van de paarden na de opheffing van het beheer, evenals een groot aantal andere goederen, en voor aanzienlijk lagere prijzen waardoor de opbrengst lager was dan de kosten voor het onderhoud;

  • -

    g) benoeming van een bestuurder en beheerder van de uitgeverijen, die zelf eveneens een uitgeverij bezat en een schuld aan de vader had openstaan;

  • -

    h) liquidatie van de uitgeverijen, zonder enige poging tot voortzetting ervan.

3.3.

De Staat concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij stelt zich op het standpunt dat aansprakelijkheid voor de vordering gedeeltelijk is uitgesloten vanwege de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen en dat de gehele vordering in 1956 is vervallen op grond van de Wet vervaltermijn rechtsvorderingen Nederlands Beheersinstituut. De vordering is volgens de Staat bovendien verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen zien op ver in het verleden liggende gebeurtenissen. Niet in geschil is dat aansprakelijkheid voor het gesteld wanbeheer in de periode vóór 1 maart 1946 is uitgesloten op grond van art. 13 Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen. Evenmin is in geschil dat de vorderingen met betrekking tot de periode daarna zijn vervallen op grond van art. 1 lid 1 van de Wet vervaltermijn rechtsvorderingen Nederlands Beheersinstituut. Tegenover het beroep van de Staat op deze wettelijke regelingen (hierna tezamen: de wettelijke regelingen), stellen eisers een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Eisers stellen daartoe dat aan het beroep van de Staat op de wettelijke regelingen voorbij moet worden gegaan omdat rechtsherstel aangewezen is voor het in hun ogen evident onrechtmatige wanbeheer van de vermogens van hun ouders. Zij wijzen op de rechtspraak in de zogenoemde ‘Indonesië-zaken’ waarin de het beroep van de Staat op verjaring met toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is gepasseerd en op gevallen waarin de Staat, gemeenten en de Nederlandse Spoorwegen, zonder een beroep te doen op verjaring, tegemoetkomingen heeft toegekend in het kader van aan de Tweede Wereldoorlog gerelateerd rechtsherstel.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid de maatstaf geldt dat het beroep van de Staat op de wettelijke regelingen in dit geval ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ moet zijn. Deze maatstaf is te vinden in art. 6:2 BW en brengt tot uitdrukking dat de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het buiten toepassing laten van wat krachtens de wet, de gewoonte of rechtshandeling geldt. Er is alleen plaats voor toepassing van deze correctie in zeer uitzonderlijke gevallen, op grond van door eisers te stellen bijzondere omstandigheden.

4.3.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de wettelijke regelingen bedoeld zijn om de mogelijkheid vorderingen in te stellen in verband met het beheer van vermogens na de Tweede Wereldoorlog te beperken. In de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen is dat gebeurd door de aansprakelijkheid uit de sluiten voor schade die vóór 1 maart 1946 is veroorzaakt, met de mogelijkheid een vergoeding te verzoeken op basis van het Besluit op de Materieele Oorlogsschaden 1945. Redengevend daarvoor was de chaotische en onoverzichtelijke toestand meteen na de bevrijding:


“Bij zijn terugtocht heeft de vijand de Nederlandsche administratie in zoo ontoereikenden toestand achtergelaten, dat het Overheidsapparaat pas na verloop van tijd aan redelijke eischen kon voldoen. Het zou de schatkist te zeer bezwaren, indien al de schade, die inmiddels door of vanwege een openbaar orgaan was aangericht, zonder meer te haren laste zou komen.” 1


en:


“Grond daarvoor is de noodtoestand, waarin de Overheid zich bevond. Zij moest kiezen tussen: volkomen chaos laten ontstaan of de chaos beteugelen met de beschikbare middelen. Gekozen is de laatste weg. Zoals reeds betoogd, konden de inderhaast aangetrokken Overheidsdienaren niet op normale wijze worden geselecteerd, kon ook niet het normale toezicht worden uitgeoefend. Bovendien was er nood in alle opzichten. Verbindingen waren gebrekkig of soms geheel afwezig. Normale gezagsorganen konden dikwijls niet functionneren. Zeer belangrijke problemen — het voorzien in de behoeften van oorlogsslachtoffers, internering van politieke delinquenten, beteugeling van de volkswoede tegen deze lieden – vroegen de aandacht van onervaren bestuurders. Die vraagstukken eisten veelal zeer ingrijpend optreden, zonder dat met superieuren overleg kon worden gepleegd. Bij deze omstandigheden kan men gemaakte fouten niet meten met in vredestijd geldende maatstaven. Daarbij past een beperking van de aansprakelijkheid van de Overheid.”2


De wetgever meende dat een redelijke regeling was bereikt en “dat het noodzakelijk is, dat deze onverkwikkelijke aangelegenheid thans definitief wordt opgelost.”3

4.4.

De wens om tot een snelle afronding te komen speelt ook een rol in de keuze van de wetgever voor een korte, niet voor stuiting vatbare vervaltermijn van twee jaar voor vorderingen over na 1 maart 1946 gevoerd beheer over vermogen. Deze vervaltermijn verving de te lang bevonden algemene verjaringstermijn van dertig jaar. De wetgever heeft deze keuze als volgt toegelicht:

“De uitzonderlijke omstandigheden, waaronder het beheer moest worden gevoerd, en de zeer grote aantallen der beheerde vermogens, gepaard aan het in de loop der jaren te loor gaan van de persoonlijke wetenschap der met het feitelijke beheer belast' geweest zijnde personen omtrent alle bijzonderheden van dat beheer, zomede de omstandigheid dat het beheer wordt gevoerd door een orgaan, welks werkzaamheden een aflopend karakter dragen,” 4

Dit wettigde volgens de wetgever dat de tijd, waarbinnen de vorderingen ter zake van het gevoerde beheer tegen het Beheersinstituut en de beheerders kunnen worden ingesteld, ‘binnen redelijke grenzen’ werd gehouden. De wetgever heeft daarbij opgemerkt:

“Het is niet onredelijk van de personen, wier vermogen onder beheer heeft gestaan of aan wie vermogen, dat onder beheer heeft gestaan omdat het van rechtswege in eigendom op de

Staat was overgegaan, is teruggegeven, te verlangen, dat zij binnen bekwame tijd na het einde van het beheer tot een beslissing komen of zij zich terzake van dat beheer enig vorderingsrecht tegen het Beheersinstituut of de beheerder toeschrijven.” 5

4.5.

Voor zover een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid mogelijk is ten aanzien van een beroep van de Staat op het verval van enig vorderingsrecht op grond van de wettelijke regelingen, zijn de door eisers aangevoerde omstandigheden daartoe onvoldoende. Uit 4.3. en 4.4. volgt dat de beperking van de mogelijkheid tot het nu door eisers gewenste rechtsherstel in verband met het beheer van vermogen na de Tweede Wereldoorlog een weloverwogen en uitdrukkelijke keus is geweest van de wetgever, die wenste te voorkomen dat daar nog jarenlang procedures over gevoerd zouden worden. De ratio van deze wetgeving is juist gelegen in het afsluiten van de nu door eisers met hun vorderingen ingeslagen weg. Wat eisers in algemene termen aanvoeren over het in hun ogen aangewezen rechtsherstel, is geen bijzondere omstandigheid die onverkorte toepasselijkheid van de destijds nadrukkelijk gemaakte keuze van de wetgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt. Dat geldt ook als – zoals eisers stellen – sprake zou zijn geweest van evidente onrechtmatigheid van het beheer van de vermogens van hun ouders.

4.6.

De door eisers aangehaalde ‘Indonesië-zaken’6 bevestigen dat de lat voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid hoog ligt. Dat aan het verjaringsverweer van de Staat in die zaken voorbij is gegaan, is geen grond om in deze zaak het beroep van de Staat op de wettelijke regelingen te passeren. Zoals in die zaken is overwogen, moet steeds per geval worden beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. Verder ging het in die zaken om verjaring, dat een minder sterke werking heeft dan het hier aan de orde zijnde verval van een rechtsvordering. Het beroep dat eisers doen op de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde gezichtspunten7 voor de beoordeling van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is dan ook in dit geval niet zonder meer en onverkort van toepassing. Tot slot deed zich in de ‘Indonesië-zaken’ onder meer de uitzonderlijke omstandigheid voor dat de eisende partijen decennialang feitelijk geen toegang hadden gehad tot de Nederlandse rechter. Die omstandigheid speelt niet in de onderhavige zaak.

4.7.

De omstandigheid dat de Staat, gemeenten en de Nederlandse Spoorwegen in de door eisers aangehaalde gevallen zonder een beroep te doen op verjaring, uit coulance tegemoetkomingen hebben uitgekeerd of nog zullen uitkeren in verband met gebeurtenissen in en kort na de Tweede Wereldoorlog, kan eisers ook niet baten. De coulance die in andere gevallen is of wordt betracht, roept geen aanspraak voor eisers in het leven en is in zijn algemeenheid geen bijzondere omstandigheid die noopt tot het in deze zaak opzij zetten van de wettelijke regelingen.

4.8.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 1.782,-- (€ 656,-- aan griffierecht en € 1.126,-- (2 punten tarief II) aan advocatenkosten. Voor de gevorderde veroordeling in de nakosten is geen plaats, omdat deze in de proceskostenveroordeling is verdisconteerd. Wel zullen de nakosten worden begroot zoals hierna te melden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.782,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

begroot de nakosten op € 163,-- aan salaris advocaat, indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met een bedrag van € 85,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. L. Alwin en mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel op 7 april 2021.

1 Kamerstukken II, 1946-1947, 420, nr. 3.

2 Kamerstukken I 1949-1950, 420, nr. 420.

3 Kamerstukken II 1947-1948, 420, nr. 5.

4 Kamerstukken II, 1952-1953, 3105, nr. 3.

5 Kamerstukken II, 1952-1953, 3105, nr. 3.

6 Zie onder meer Rechtbank. Den Haag 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793

7 Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:HR:AA5635