Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:3352

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
C-09-608277-KG ZA 21-203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Zonnestudio’s blijven voorlopig nog gesloten

De rechtbank Den Haag heeft vandaag geoordeeld dat de Staat niet verplicht is de sluiting van zonnestudio’s per direct ongedaan te maken. De SVZ, de branchevereniging die de zonnestudio’s vertegenwoordigt, had daar bij de voorzieningenrechter om gevraagd.

Niet onrechtmatig

De Staat heeft een grote mate van (beleids)vrijheid bij het nemen van maatregelen ter bestrijding van de pandemie. De keuze van de Staat om bij de versoepeling van de coronamaatregelen van eind februari 2021 wél de contactberoepen (zoals kappers) weer open te laten gaan, maar niet de zonnestudio’s, is volgens de rechter niet onrechtmatig.

Keuzes

De Staat moet bij de huidige stand van de pandemie de risico’s nog steeds beperken en kan niet te veel tegelijk versoepelen. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt. De keus is daarbij (naast opening van scholen, toestaan van buitensporten en winkelen op afspraak) gevallen op heropening van contactberoepen. Zonnestudio’s horen niet in die categorie en vallen om die reden buiten de laatste versoepeling.

Verspreiding

Dat in zonnestudio’s (relatief) veilig kan worden gewerkt betekent niet dat daarom tot openstelling moet worden overgegaan. Een openstelling van de zonnebranche leidt hoe dan ook tot meer contactmomenten en meer reisbewegingen en daarmee tot het risico op meer besmettingen en een verdere verspreiding van het virus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/608277 KG ZA 21-203

Vonnis in kort geding van 7 april 2021

in de zaak van

SAMENWERKING VERANTWOORD ZONNEN te Wateringen, gemeente Westland,

eiseres,

advocaten mrs. T.A. Vermeulen en A.W. Veth te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (meer in het bijzonder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SVZ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 26 maart 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Staat heeft in de loop van de tijd verschillende maatregelen getroffen ter bestrijding van het coronavirus, dat zich vanaf december 2019 wereldwijd en vanaf februari 2020 ook in Nederland heeft verspreid. Na de eerste lockdown in maart 2020 hebben in de zomer van 2020 versoepelingen plaatsgevonden. Eind september 2020 is, vanwege een stijging van het aantal besmettingen en IC-opnames en van het reproductiegetal, weer besloten tot aanscherpingen. Op 14 december 2020 is een harde lockdown met ingang van 15 december 2020 aangekondigd met ingrijpende maatregelen, waaronder de sluiting van alle voor publiek toegankelijke locaties en van alle scholen en niet-essentiële winkels. Die sluiting geldt ook voor zonnestudio’s. Daarbij werd tevens het dringende advies gegeven om niet meer dan twee gasten per dag thuis te ontvangen. Deze maatregelen (niet de dringende adviezen) zijn neergelegd in de wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) van 14 december 2020.

2.2.

Met de verlenging van de lockdown zijn de getroffen maatregelen verlengd en daarna ook nog verder aangescherpt. Eind februari 2021 hebben er echter ook enkele versoepelingen plaatsgevonden. Het ging daarbij, kort gezegd, om het onderwijs, dat voor een deel weer openging, winkelen op afspraak, meer ruimte voor samen buiten sporten en de contactberoepen die – behalve sekswerkers– weer mochten worden uitgeoefend.

2.3.

SVZ is een vereniging die de belangen behartigt van haar leden. Dat zijn exploitanten van zonnestudio’s.

3 Het geschil

3.1.

SVZ vordert de Staat te bevelen per direct de maatregelen met betrekking tot de openstelling van zonnestudio’s in te trekken zodat de zonnestudio’s weer toegankelijk zijn voor klanten, eventueel met daaraan door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorwaarden, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert SVZ – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft bij zijn beslissing om de zonnestudio’s niet toe te staan haar deuren te openen niet consequent gehandeld, de belangen van SVZ niet voldoende meegewogen en niet voldoende gemotiveerd waarom zonnestudio’s niet hetzelfde worden behandeld als contactberoepen. Het beleid van de Staat is evident onredelijk, willekeurig, ongegrond, disproportioneel en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Staat handelt daarmee onrechtmatig jegens SVZ, althans haar leden.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Beide partijen nemen – terecht – tot uitgangspunt dat de Staat in de acute crisissituatie, waartoe de verspreiding van het coronavirus heeft geleid, een grote mate van (beleids)vrijheid heeft bij het nemen van maatregelen door middel van de inzet van bestuurlijke en juridische middelen. De besluiten die het kabinet in dit kader neemt, zijn voortdurend onderwerp van politiek debat en afwegingen op dit gebied behoren bij uitstek tot het domein van de uitvoerende macht. Om deze reden dient de civiele rechter – en temeer de rechter in kort geding – zich terughoudend op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat. Alleen als evident is dat de Staat onjuiste keuzes maakt en de Staat aldus niet in redelijkheid voor het gevoerde beleid heeft kunnen kiezen, is plaats voor rechterlijk ingrijpen.

4.2.

De Staat heeft in dit geding uitvoerig toegelicht waar de getroffen maatregelen op zijn gebaseerd (adviezen van diverse instanties, waaronder het Outbreak Management Team (OMT) en wat daarbij richtinggevend is (drie pijlers: een acceptabele belastbaarheid van de zorg, de bescherming van kwetsbare mensen in de samenleving en het zicht houden op en het inzicht hebben in de ontwikkeling van de verspreiding van het virus). Dit een en ander is tussen partijen echter niet in geschil. SVZ heeft ook het betoog van de Staat dat en waarom er nu geen verdere versoepelingen kunnen plaatsvinden niet weersproken. Integendeel, SVZ heeft benadrukt dat zij de juistheid van adviezen en de proportionaliteit en subsidiariteit van de getroffen maatregelen niet ter discussie stelt. Dit een en ander hoeft in dit geding dan ook geen nadere bespreking.

4.3.

Het geschil tussen partijen is dus beperkt tot de vraag of de Staat, in het licht van de versoepelingen die eind februari 2021 hebben plaatsgevonden, ervoor heeft kunnen kiezen om de zonnestudio’s niet onder die versoepelingen te laten vallen en dus niet over te gaan tot een openstelling van de zonnestudio’s.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de sluiting van publieke plaatsen, waartoe de Staat medio december 2020 is overgegaan, ook een sluiting van de zonnestudio’s met zich brengt. Voor zover SVZ dat heeft betwist, wordt daaraan voorbij gegaan. Zonnestudio’s zijn, net als bijvoorbeeld wellnesscentra, bioscopen, zwembaden en bibliotheken, voor het publiek openstaande plaatsen en in beginsel voor iedereen toegankelijk. Dat is in deze doorslaggevend. De omstandigheid dat er beletselen kunnen gelden voor toegang en verblijf, zoals een entreeprijs, een lidmaatschap of een minimumleeftijd, ontneemt aan een plaats nog niet het karakter van een voor het publiek openstaande plaats. SVZ heeft niet voldoende toegelicht dat en waarom zonnestudio’s desondanks niet als publieke plaats zouden kwalificeren.

4.5.

Bij de beoordeling van de vraag of de zonnestudio’s al dan niet onder de versoepeling zouden moeten vallen is met name van belang het OMT-advies van 22 februari 2021. Daaruit volgt onder meer, kort gezegd, dat de verwachting is dat, als in deze fase van de epidemie maatregelen worden afgebouwd, het aantal besmettingen en het aantal ziekenhuis- en IC-opnames sterk zal gaan toenemen, zodat er voor versoepelingen eigenlijk nog geen ruimte is. Desondanks is door de Staat op de lockdown en de sluiting van publieke plaatsen een uitzondering gemaakt, in die zin dat één-op-één contactberoepen worden toegestaan, net als winkelen op afspraak. Verder hebben er versoepelingen plaatsgevonden in het onderwijs en voor wat betreft het samen buiten sporten.

4.6.

SVZ richt zich in haar betoog met name op de eerstgenoemde versoepeling, inhoudende dat de één-op-één contactberoepen weer worden toegestaan. Die versoepeling maakt volgens haar dat er geen rechtvaardiging meer te vinden is voor het niet openen van de zonnestudio’s. SVZ heeft in dat kader met name uitvoerig toegelicht dat en waarom een bezoek aan een zonnestudio heel veilig kan plaatsvinden, waarbij zelfs één-op-één-contact volgens haar makkelijk te vermijden is. Ook is een dergelijk bezoek volgens haar heel goed voor het welzijn van mensen.

4.7.

De Staat heeft die toelichting niet weersproken. Dit kan er volgens de Staat echter nog niet toe leiden dat de onder 4.3 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, zélfs niet als zou moeten worden aangenomen dat een bezoek aan een zonnestudio veiliger, in ieder geval met minder contactmomenten, kan plaatsvinden dan bij (sommige) contactberoepen, zoals SVZ uitvoerig heeft betoogd. De voorzieningenrechter volgt de Staat daarin.

4.8.

Hiertoe is met name redengevend dat in deze fase van de epidemie, kort gezegd, niet alle branches tegelijk open kunnen, zoals de Staat genoegzaam heeft toegelicht, los van de vraag of de risico’s in een bepaald bedrijf of bedrijfstak kunnen worden geminimaliseerd. Er moet eenvoudigweg voorzichtig worden gestart met het openen van één bepaalde sector, omdat het risico bestaat dat de zorg anders teveel onder druk komt te staan, mede als gevolg van de onvermijdelijke extra verplaatsingen. De Staat hanteert dus een soort “categoriebenadering”: één voor één kunnen bepaalde beroepsgroepen weer starten. De keus voor de contactberoepen is helder. Die categorie van de beroepen vormt een heel specifieke en goed afgebakende groep, wat voor burgers duidelijkheid schept. Het gaat hierbij overigens wel om beroepen waarbij het niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant, maar daarom zijn wel veiligheidsmaatregelen in de uitvoering ingebouwd. Deze beroepsgroep voldoet aan het door het OMT meegegeven uitgangspunt dat, als al versoepelingen worden overwogen, vanuit medisch-epidemiologisch oogpunt activiteiten waarbij sprake is van laagfrequente deelname, en waarbij slechts één-op-één-contact mogelijk is (met inachtneming van een aantal maatregelen) te prefereren is boven activiteiten waar groepen aan deelnemen en social mixing en persoonsverplaatsing op grote schaal plaatsvindt. Een versoepeling voor deze sector dient daarnaast een economisch én sociaalmaatschappelijk doel. Niet in geschil is dat veel contactberoepen van belang zijn voor het welzijn en de verzorging van mensen.

4.9.

In zonnestudio’s worden géén contactberoepen uitgeoefend. Dat is door SVZ ook niet gesteld. Dit is dus een andere branche, die niet behoort tot de – afgebakende – categorie aan wie nu door de Staat om voormelde redenen de voorkeur is gegeven. Het is en blijft aan de Staat om de gefaseerde versoepeling en de daarbij behorende keuzes vorm te geven. Daaraan doet niet af dat een bezoek aan de zonnestudio mogelijk meer “coronaproof” kan plaatsvinden dan een bezoek aan bijvoorbeeld de kapper en dat ook een bezoek aan een zonnestudio voor sommige mensen een bijdrage aan hun mentale gezondheid kan leveren. Zoals gezegd, de versoepelingen kunnen niet voor iedereen tegelijk doorgevoerd worden. Er moeten keuzes worden gemaakt en de Staat heeft voldoende gemotiveerd waarom hij tot de door hem gemaakte keuze is gekomen voor de contactberoepen.

4.10.

Daarbij is ook nog van belang dat SVZ bij haar betoog over het hoofd lijkt te zien dat – ook al treffen de ondernemers die zij vertegenwoordigt alle mogelijke maatregelen om het bezoek aan hun bedrijf zoveel mogelijk coronaproof te laten verlopen – een openstelling van de zonnebranche hoe dan ook leidt tot meer contactmomenten en meer reisbewegingen en daarmee tot het risico op meer besmettingen en een verdere verspreiding van het virus. Dit is onvermijdelijk. Voor zover SVZ dit heeft betwist, wordt daaraan voorbij gegaan.

4.11.

Er kan dan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van enig onrechtmatig handelen van de Staat jegens SVZ, zoals SVZ aan haar vorderingen ten grondslag legt. Voor zover SVZ dat baseert op het feit dat de zonnestudio’s tijdens de eerste lockdown wel open mochten blijven kan dat niet worden gevolgd, nu terecht steeds aan de hand van de omstandigheden van het moment een nieuwe afweging wordt gemaakt. De situatie is nu evident anders dan toen. Voor de juistheid van het standpunt van SVZ dat de Staat de zonnestudio’s over het hoofd heeft gezien en deze omissie nu niet wil toegeven, ziet de voorzieningenrechter in de feiten geen aanknopingspunt.

4.12.

Voor toewijzing van het gevorderde bestaat dan ook geen grondslag. De vorderingen van SVZ zullen daarom worden afgewezen. SVZ zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt SVZ om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,- aan salaris advocaat en € 667,- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat SVZ bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.

ts